Yitzhak Y. Melamedís Spinoza's Metaphysics. Substance and Thought

Aanvankelijk had ik er weinig fiducie in om Yitzhak Y. Melamed’s Spinoza's Metaphysics. Substance and Thought [Oxford University Press USA, 2013] te lezen en liet ik mij sterken in dit vooroordeel door de uiteindelijk negatieve recensie van Karel D’huyvetters [cf.]. Maar inmiddels heb ik het boek toch aangeschaft en gelezen. Ik deed dat, zoals ik in het blog van 2 mei 2016 [”De dubbelfunctie van de Idea Dei”] aangaf, daar ik nieuwsgierig werd naar zijn behandeling van de idea Dei, waarover hij uitvoerig schrijft, zag ik bij books.google – iets wat weinig gebeurt. Of en hoe hij me wat dat aangaat tevreden heeft gesteld, zal ik in een apart blog bespreken. Nu eerst mijn algemene indruk van zijn boek.

Of het een referentieboek zal worden, waar iedereen naar teruggrijpt, zoals naar Jonathan Bennet’s A Study of Spinoza’s Ethics, vind ik moeilijk te beoordelen. Maar dat zou zomaar het geval kunnen worden om twee redenen: zijn diepgaande kritiek op eerdere Spinoza-interpretaties, zowel oude als recente, en zijn – in eigen ogen althans – vernieuwende bijdragen aan de secundaire interpretatieve Spinoza-literatuur, vooral wat betreft de delen I en II van de Ethica.

Het boek van Melamed bestaat uit twee delen: vier hoofdstukken over het eerste deel van de Ethica, in de ondertitel samengevat als “Substantie”; vervolgens twee hoofdstukken over denken, ruimer dan de menselijke geest in de het tweede deel van de Ethica – het “Thought” in de ondertitel zoekt vooral naar de omvang en structuur van het attribuut denken.

Hierin kondigt zich al aan waar hij aan het eind van zijn boek mee komt en waarbij hij mij niet aan zijn zijde krijgt. Nadat hij het bekende onderscheid heeft behandelt dat Spinoza een substantie-monist en tegelijk een attributen-pluralist is, verdedigt hij zijn opvatting dat Spinoza als een dualist kan worden gezien. Niet als een lichaam-geest dualist, maar als een Zijn-Denken dualist. Daarin vertaalt zich wat  hem betreft het onderscheid dat Spinoza al vanaf de aanvang van de Ethica telkens maakt tussen: het bestaan van iets en het begrijpen (conceptualiseren) ervan. Maar door hierin een Zijn-Denken-onderscheid te zien dreigt uit beeld te geraken dat Spinoza juist ook vernieuwend was in te laten zien dat ook het kennen en denken tot het Zijn (het bestaan) behoort. Spinoza benadrukte niet voor niets dat de uitgebreide substantie en de denkende substantie één en dezelfde substantie zijn. Ook het denken behoort tot God/substantie (=de existentie, het Zijn). Zonder dat hij ook maar enig idealisme wil verdedigen (tegen Della Rocca), ziet Melamed in dit boek wel alle redenen om de veel ruimere, omvattender attribuut denken dan de andere attributen (daar kom ik nog op) te benadrukken. En dat meent hij o.a. met dit Zijn-Denken-dualisme te kunnen doen.  

Het denken mogen dan “uitgebreider” zijn dan elk der andere attributen: ik acht het riskant, want mogelijk tot misverstanden leidend, Spinoza een Zijn-denken-dualist te noemen. Laat hem maar de monist blijven, waarbij het denken deel uitmaakt van het Zijn. Denken is een heel eigen, aparte vorm van Zijn die parallel (in dezelfde orde en verband) als de voortbrengselen van alle andere attributen loopt, maar ik zie daarin geen reden om een opdeling tussen Zijn en denken te maken – het is m.i. niet Spinoza’s onderscheid.

In het eerste deel behandelt Melamed de diverse interpretaties van de verhouding tussen de oneindige, eeuwige, onveranderlijke en dus ondeelbare substantie (ofwel God) en de eindige, durende, veranderlijke, deelbare (uiteenvallende) modi. De badinerende behandeling door Bayle, de eigenzinnige oplossing van Curley, die van Maimon en Hegel die Spinoza van akosmisme beschuldigen en van Della Rocca (zijn promotor), voor wie ‘veroorzaken, inherent-zijn en begrijpen’ één en hetzelfde zijn.

Het eerste hoofdstuk is gewijd aan kritiek op Curley die modi of modificaties van de substantie niet meer als eigenschappen van de substantie zag, maar het niveau van de substantie (of God) terugbracht tot de meer algemene wetten van de natuur. Melamed verwijt hem een foute charitabele lezing van Spinoza, n.l. een die Spinoza zou doen passen in de moderne Angelsaksische wijze van filosoferen.*) Melamed wil Spinoza terugbrengen tot de taal en begrippen waarin hij zichzelf uitdrukte. En zo maakt hij Spinoza weer tot pantheïst: iemand bij wie de dingen zich in God bevonden en God zich in de dingen uitdrukt. Bayle’s ironische kritiek pareert hij door te laten zien dat deze geen zicht had op de middellijke en onmiddellijke oneindige modi. Daar hij met dezelfde argumentatie Hegel en Maimon te lijf gaat besteedt hij een apart, vierde, hoofdstuk geheel aan de oneindige modi. Daarin laat hij zien hoe de oneindige modi een eigen, vernieuwende aanpak van Spinoza was die verder bij niemand van zijn tijdgenoten of voorgangers voorkwamen. Hij laat zien welke tussenpositie tussen de substantie en modi ze innamen en welke rol zij geacht werden te vervullen. De eeuwigheid, oneindigheid en onveranderlijkheid delen ze met de substantie, maar als opgebouwd uit delen behoren ze aan de kant van de modi. Maar de oneindige modi brengen de eindige modi niet voort (ze spelen geen rol in de productie van de eindige dingen, ze omvatten deze slechts). Spinoza had deze begrippen alleen nog in de grondverf gezet en het is jammer dat hij dit belangrijke onderdeel van zijn schets van de werkelijkheid niet verder heeft uitgewerkt. Daarom moet nog veel speculatief blijven. Maar het is via deze analyse van de oneindige modi dat Melamed’s boek al de aandacht van Spinoza scholars waard is.

Ik ga er hier inhoudelijk niet op in, maar wat mij betreft heeft hij duidelijk korte metten gemaakt met de onhoudbare gelijkstelling door zijn leermeester van ‘veroorzaken, inherent-zijn en begrijpen’ die één en hetzelfde zouden zijn. Hij laat zien dat hierdoor de overgaande veroorzaking op het niveau van eindige dingen buiten zicht geraken, wat een deel van Spinoza’s filosofie onbegrijpelijk zou maken. Prachtig vind ik het standje dat hij zijn promotor uitdeelt, die na het vaststellen dat een beperkt aantal mogelijke verklaringen onjuist zouden zijn, constateerde dat er geen verklaring voor een onderscheid kon worden gegeven, en het onderscheid ‘dus’ een ‘bruut feit’ zou betreffen. Melamed toont aan dat er wel een verklaring te geven is, zodat inherente veroorzaking niet de enige vorm van veroorzaking kan zijn. Het gaat diep en gedetailleerd in op iets wat niet iedereen van het hoogste belang zou vinden.

Het is trouwens überhaupt een zeer gedetailleerd deel, waarin heel concies naar Spinoza’s teksten wordt verwezen en waarin hij in uitgebreide voetnoten naar secundaire Spinoza-literatuur verwijst. Om de lijn van zijn betoog te behouden kan hij veel niet gedetailleerd behandelen en hij verwijst dan ook veelvuldig naar vele artikelen van hemzelf. Eigenlijk zou je naast dit boek een waarschijnlijk veel dikker boek in handen moeten hebben, waarin al deze artikelen zouden worden aangeboden. Dat maakt het goed begrijpend lezen wel lastig.

Het tweede deel, bestaande uit twee hoofdstukken, is van een heel ander kaliber. Daar komt de auteur (en hij laat niet na daar meermalen op te wijzen) met een geheel eigen en dus nieuwe lezing van de verhoudingen tussen ideeën en attributen. Hij komt met twee vernieuwingen:

[1] Hij ziet i.p.v. een parallellisme zoals het gezien wordt in 2/7 en 2/7c in werkelijkheid twee vormen van parallellisme, n.l.
[a.] een idee-ding-parallellisme in 2/7
[b.] een inter-attributief-parallellisme in 2/7s
en deze twee zijn niet gelijk, maar duidelijk te onderscheiden.

Hij meent ook te kunnen aantonen dat Spinoza deze verschillen duidelijk in zijn achterhoofd had en ze noot met elkaar verwarde. Het zou uiteraard te ver voeren om daar hier nader op in te gaan. Alleen nog dit: het eerste parallellisme (a.] staat voor het representatieve van ideeën van dingen, het tweede parallellisme (b.] staat voor het één en hetzelfde dingzijn (numerical identity).

Wat het eerste betreft (de representativiteit) is het jammer dat hij niet behandelt hoe die representativiteit ontstaat. Hij gaat er hier gewoon vanuit dat – ondanks de causale en conceptuele barrière tussen de attributen – de ideeën de modi van andere attributen representeren. Ik heb de indruk dat hij zich hier onkritisch op zijn leermeester baseert. Hoe hij inzake de representativiteit in een voetnoot simpelweg naar korte het bewijs van 2/7 verwijst, waarin eenvoudig naar 1/ax4 [Effectus cognitio a cognitione causae dependet et eandem involvit] wordt verwezen. Hoe je daar representativiteit, ofwel het overbruggen van de barrière uit kunt afleiden, behandelt hij niet. Dit is onbevredigend en staat in schril contrast tot de uitgebreide en gedetailleerde behandeling elders in het boek.

Eveneens jammer vind ik dat hij de betekenis van de zgn identiteit (het één-ding-zijn van modi van God) niet verder behandelt. Hij neemt een samenvatting van een redenering van Della Rocca die uitloopt op body=mind! Melamed neemt dat voor juist aan, wat me zeer van hem tegenvalt, geien de diepgaande analyses die hij verder geeft. T.a.v. van twee fundamentele kenmerken van die door hem onderkende twee niet tot elkaar te herleiden parallellismen geeft hij niet thuis. Een zeer zwak punt van dit boek.

[2] Een tweede, in hoofdstuk zes gegeven, geheel nieuwe lezing typeert hij als het ‘multifacetted’ zijn van de ideeën. Hij verzet zich tegen een benadering dat elk attribuut vergezeld zou gaan van een eigen attribuut denken, zodat er even oneindig veel denk-attributen zouden zijn als overige attributen. Volgens hem is er één attribuut denken, dat echter een facetten-structuur zou hebben: één idee voor elke godsmodus (een modus onder alle attributen), dat opgebouwd uit telkens een facet per attribuut. Het attribuut denken omvat dus de (representatieve) ideeën van elk attribuut, maar de causale en conceptuele scheiding tussen de attributen zou zich voortzetten in de causale en conceptuele scheiding tussen de idee-facetten. En dat verklaart dan waarom het idee-facet van ons lichaam dat onze geest uitmaakt, geen kennis heeft van de andere attributen.

Het is inderdaad een nieuwe en m.i. veer verklarende uitleg van Spinoza’s theorie over denken. Het is dus niet zo, zoals Charlie Huenemann in zijn NDPR-review brengt: “So the idea that constitutes your mind is an idea of your body; but this idea has infinitely more facets which represent that same thing in infinitely-many other ways -- say, as your shmody in the attribute of Shmextension.” In de technische taal die bij Melamed’s lezing hoort, gaat het om een idee-facet dat bij mijn lichaam hoort. Het idee waarvan dit een facet is het idee van een alle attributen omvattende godsmodus, dat behoort bij mijn lichaam dat slechts een modus van één attribuut is: uitgebreidheid.

Deze aanpak van Melamed maakt van het attribuut denken inderdaad een volstrekt ander attribuut dan alle andere attributen, n.l. het denk-attribuut omvat alle andere. Die facettaenstructuur is dan de ‘prijs’ die je dient te betalen als je niet een oneindig aantal denk-attributen wilt aannemen. Ik wil die prijs best betalen, alleen is de vraag: hoe maak je dan begrijpelijk dat dat denken in zich schotten heeft die de conceptuele barrière moet honoreren? Die schotten verklaren die gescheidenheid niet, maar omgekeerd moet de verscheidenheid de schotten verklaren.
Enfin een veelbelovende interpretatie vind ik het wel – even afgezien van mijn kritiek op hoe Melamed in dit boek de representativiteit en identiteit behandelt (zich ervan afmaakt).

Mijn eindoordeel over het boek schort ik nog even op. Zoals ik al aangekondigde, kom nog apart terug op zijn behandeling van de idea Dei.

_____________

*) Edwin CURLEY gaat op de grote internationale conferentie die in Parijs wordt gehouden [cf. blog] op 3 juni een lezing geven « Spinoza’s Metaphysics Revisited ». Het zou me niets verbazen als hij dan op Melamed’s kritiek ingaat.