Wie leest de Ethica?
Vroeg de schrijver Herman Franke zich af in een stuk dat op 5 november 1994 in dagblad Trouw verscheen onder de titel: WETEN WIJ MEER DAN SPINOZA?
Ik las het in zijn boek De tuinman en de dood van Diana [Podium, Amsterdam, 1999) dat ik uit de bibliotheek leende, toen ik van de week over de dichter P.N. van Eyck en zijn Spinoza-gedichten schreef. Franke had achterhaald dat Van Eyck het beroemde gedicht De tuinman en de dood, had gemaakt aan de hand van een verhaal van Cocteau – soms had hij bijna woordelijk overgeschreven. Het blijft uiteraard wel een schitterend gedicht dat terecht veel is gebloemleesd.
In dat boek dus ook een enigszins satirisch stuk over Spinoza’s Ethica. “Wie leest de Ethica?”vroeg hij zich af en zei onder andere: “Ik was sceptisch toen ik aan de ontleding van het bewijs begon, dat moet ik toegeven.”
De koppeling van goed en kwaad aan Blijheid of Droefheid (hij las de vertaling van Van Suchtelen) vond hij als voormalig criminoloog maar vreemd. Als modern sociaal wetenschapper wist hij dat mensen en samenleving ontzettend ingewikkeld in elkaar zitten en voortdurend veranderen, mede door kennis die erover wordt verspreid. Kennis van mensen en samenlevingen is daarom moeilijk, zo niet principieel onmogelijk in wetmatige uitspraken te vatten zonder in trivialiteiten te vervallen. Uitspraken van vroegere geleerden over het psychische en sociale leven werken dan ook vaak op de lachspieren, zo wist hij. Zo gaat hij dan kijken naar de Ethica - “een prachtig, wijs boek”. Maar Spinoza wilde geen wijsheidsleer brengen, maar waarheid “in absolute zin, voor eens en voor altijd, voor alles en iedereen. Spinoza meende dat er geen speld meer tussen te krijgen was. De Ethica bestaat uit gewapend beton.”
Franke wijst dan op de geometrische structuur en het quod erat demonstrandum, en dat Spinoza via God en 'de aard en de oorsprong van de geest' stug doorbewijzend belandde bij de 'aard en oorsprong van de aandoeningen' en 'de menselijke knechtschap of de macht van aandoeningen' en hij stelt dan: “Daar werd hij menselijk, al te menselijk. Hij krijgt iets weg van een doe-het-zelver die met zijn waterpomptang verbeten houvast blijft zoeken op de al lang rond gedraaide moeren.”
Het is duidelijk: de cynicus Franke ligt in volle vaart op koers. Hij bespreekt vervolgens stelling III, 35. Als in de toelichting de jaloerse man “gedwongen is het beeld van het geliefde wezen in verband te brengen met de schaamdelen en zaadafscheidingen van een ander,” ontlokt dat hem: “Naarmate het proza van Spinoza mooier wordt, gaat het met de kracht van zijn bewijzen bergafwaarts. Zij worden te cultureel bepaald. De koele wiskundige wordt steeds meer een warme man die het leven en de mensen om zich heen scherp observeerde en hun emoties en praatjes doorprikte.”
Franke “begon ik bloed te ruiken” en “wilde bewijzen dat de hele bewijsvoering in de Ethica ook op strikt wiskundige gronden niet klopt.” Hij gaat dan puzzelen en ‘een stamboom van argumenten’ opzetten en ging alle verwijzingen en vertakkingen na, zoals je hier en daar op internet een voorbeeld vindt en hij meent te kunnen vaststellen: “Het hele bouwwerk klopte niet.” Hij nam daarvoor stelling IV/8 “De kennis van goed en kwaad is niets anders dan een aandoening van Blijheid of Droefheid voorzover wij ons daarvan bewust zijn”.
Aan de manier waarop hij schrijft: “'Goed' definieert Spinoza als 'dat, waarvan wij zeker weten dat het nuttig voor ons is'. In het bewijs wordt dat nuttig opeens in verband gebracht met 'het handhaven van ons bestaan',” daaraan merk je dat hij een onwelwillende lezer is die niet de moeite heeft genomen om echt te proberen te begrijpen wat Spinoza bedoelde.
Hij somt een reeks verwijzingen naar definities, axioma’s en andere stellingen op en constateert dan dat hij zo eindeloos door kan gaan: “Eigenlijk voert Spinoza bij elke stelling zijn hele boek als bewijs op.” Hij heeft dus niet gezien dat Spinoza op zeker twee plaatsen zelf vraagt om geduldig eerst alles na te gaan, zoals in het scholium bij II/11: “Ik vraag hun [de lezers] daarom mij langzaam verder te volgen en pas na het lezen van het geheel een oordeel te vellen.” Maar Franke maakt zijn punt: “De bewijsvoering in de Ethica is een repeterende breuk, lijdt aan een complexe variant van het Droste-effect, is circulair, tautologisch en nog heel veel meer, behalve onomstotelijk waar.” Volgens hem wist Spinoza ook niets van ‘goed en kwaad’ en heeft hij “ons zand in de ogen [..] gestrooid met wiskundig geformuleerde schijnzekerheden.”
“De hamvraag blijft waar die gevoelens [schuld, berouw, spijt, vergeldingsdrang, wraakzucht] op berusten. Op bovennatuurlijke geboden (sic!), op de overlevingsdrang van groepen of samenlevingen, op angst voor onszelf, op de belangen van de machtigen? Ik weet het niet.” Wat hád Herman Franke, die kennelijk nog in de mogelijkheid van ‘bovennatuurlijke geboden’ gelooft, veel van Spinoza kunnen leren, als hij hem minder bevooroordeeld tegemoet was getreden.
Het artikel (hier in Trouw) riep diverse reacties op, zoals van J. E. Fesevur, universitair hoofddocent privaatrecht. En een mooie in een interview met kunstenares Leonie Greefkens: “Wie wil doorgronden wat de mens bezielt doet er goed aan de Ethica aandachtig te lezen en Franke over te slaan.”
Leonie Greefkens (1946) maakte ooit een kunstwerk met de titel: De tuinman en de Dood.

Reacties
Beste Stan, geweldig initiatief; na vele hovo-cursussen steeds meer waardering en bewondering voor Spinoza; wat een scherpe geest; en
we zijn zeker niet alleen getuige het julinummer 2009 (hors-serie) van le
nouvel Observateur "Spinoza. Le maitre de liberte" geillustreerd met
schilderijen uit zijn tijd naast een 28-tal artikelen.www.nouvelobs.com
Ruurt
ruurt uno bos 15-02-2010 @ 19:29
Reageren