Wat behoort tot "het hoogste goed" voor Spinoza in de TIE?

In mijn blog over de eerste lentebijeenkomst van de Ver. Het Spinozahuis over de Verhandeling over de verbetering van het verstand schreef ik aan het slot: "na de pauze gingen we in groepsdiscussie (daarover heb ik hier weinig te rapporteren)."
Dat schreef ik uit vermoeidheid, want eigenlijk was er heel veel te rapporteren. We hadden o.a. een hooglopende discussie over hoe in § 13 het ‘hoogste goed’ begrepen moest worden. Die discussie werd op een terrasje voortgezet.
Het ging om deze twee lezingen: [1] het “hoogste goed” is het bereiken van “een sterkere natuur” zo mogelijk samen met anderen (wat dan een aanvullend, nevengeschikt doel is) versus [2] het samen met anderen bereiken van die sterkere natuur behoort zelf tot dat “hoogste goed.” Klaas Meijer, die deze tweede lezing aanhing, gaf mij daarover vandaag een mailtje, waarin hij liet weten dat hij de spreker die de volgende lezing zal geven, Herman De Dijn, naar zijn mening over de juiste vertaling had gevraagd.

Klaas hecht bijzonder groot belang aan dat ‘samen’ (en dus ook het belang van de TTP en TP voor het ‘hoogste goed’). “Al lezende werd ik weer bevestigd in het cruciale belang van dat ‘samen’ voor het ‘hoogste goed’ (en dus van politiek en maatschappijverandering [toegepaste sociologie]) plus de noodzaak van op eenvoudige wijze uitleggen van Spinoza,” schrijft hij. De opvatting van Klaas is dus dat het “samen met anderen” zelf intrinsiek behoort tot het “hoogste goed”. Spinoza was in zijn ogen niet alleen een wijs filosoof, maar ook een wijs activist. Vandaar het telkens weer hameren op het “samen met anderen”.

Nu ik er naar aanleiding van zijn mailbericht nog eens goed naar kijk, merk ik dat het niet zozeer om een kwestie van juiste vertaling gaat, maar om een zaak van juist verstaan – een kwestie van uitleg en interpreteren (exegese en hermeneukiek).

Eerst wat betreft de vertaling. Ik geef de Latijnse tekst en enige vertalingen vanaf de geel gemarkeerde tekst.

[13] Cum autem humana imbecillitas illum ordi|nem cogitatione sua non assequatur, et interim homo concipiat naturam aliquam humanam sua multo firmiorem, et simul nihil obstare videat, quo minus talem naturam acquirat, incitatur ad media quaerendum, quae ipsum ad talem ducant perfectionem: et omne illud, quod potest esse medium, ut eo perveniat, vocatur verum bonum; summum autem bonum est eo pervenire, ut ille cum aliis individuis, si fieri potest, tali natura fruatur. Quaenam autem illa sit natura, ostendemus suo loco, nimirum esse cognitionem[3] unionis, quam mens cum tota Natura habet.

Vertaling Theo Verbeek:

Het hoogste goed daarentegen is om, samen met anderen, een dergelijke natuur deelachtig te worden. Wat nu die natuur is zullen we later nog wel aantonen, namelijk dat ze het bewustzijn is van de vereniging van de geest met de ganse natuur.

Vertaling Wim Klever:

Het hoogste goed evenwel bestaat in het bereiken van het genot van die natuur, zo mogelijk met andere individuen. Welke nu die (sterkere) natuur is zullen wij te zijner tijd aantonen: zij bestaat namelijk in de kennis van de eenheid van de geest met de gehele Natuur.

Vertaling N. en G. van Suchtelen:

Het hoogste goed echter is, zover te komen dat men, zo mogelijk met andere enkelingen samen zulk een aard verkrijgt. Hoedanig evenwel deze aard is, zullen wij te zijner plaatse uiteen zetten, waar dan zal blijken dat hij bestaat in het bewustzijn van eenheid van de ziel met de hele Natuur.

Vertaling van Curley:

but the highest good is to arrive - together with other individuals if possible - at the enjoyment of such a nature. What that nature is we shall show in its proper place: that it is the knowledge of the union that the mind has with the whole of Nature.

Vertaling R. H. M. Elwes:

The chief good is that he should arrive, together with other individuals if possible, at the possession of the aforesaid character. What that character is we shall show in due time, namely, that it is the knowledge of the union existing being the mind and the whole of nature.

 

Als je alleen naar § 13 kijkt lijkt het eenvoudig en duidelijk: het hoogste goed is het bereiken van die sterkere natuur, en een wenselijke voorwaarde of nevendoel is: dat samen met anderen te bereiken. Je kunt er namelijk niet omheen dat bij dat laatste geschreven is: si fieri potest – letterlijk: "indien het gemaakt kan worden”, d.w.z.: “zo mogelijk” of “’t liefst”.

Maar Klaas stelt voor om ook de volgende tekst, § 14, erbij te betrekken.

[14] Hic est itaque finis, ad quem tendo, talem scilicet naturam acquirere, et, ut multi mecum eam acquirant, conari; hoc est, de mea felicitate etiam est operam dare, ut alii multi idem atque ego intelligant, ut eorum intellectus et cupiditas prorsus cum meo intellectu et cupiditate conveniant; utque hoc fiat, necesse est tantum de Natura intelligere, quantum sufficit ad talem naturam acquirendam; deinde formare talem societatem, qualis est desideranda, ut quamplurimi quam facillime et secure eo perveniant.

Vertaling Theo Verbeek:

§14: “In elk geval is het nu mijn doel om een dergelijke natuur te verwerven en me er voor in te zetten dat velen haar met mij verwerven – tot mijn geluk behoort namelijk ook dat ik mij ervoor inspan om velen hetzelfde te doen begrijpen als ik zodat hun begrip en hun begeerte voortaan met mijn begrip en mijn begeerte overeenkomen. En om dat mogelijk te maken is het noodzakelijk om van de natuur zoveel te begrijpen als nodig is om een betere natuur te verwerven. Vervolgens is het nodig om een zodanige samenleving te vormen als nodig is om zoveel mogelijk mensen in staat te stellen dat doel zonder moeite te bereiken.”

Andere vertalingen lijken mij niet nodig.  

Cruciaal is daar het “utque hoc fiat, necesse est” [en om dat mogelijk te maken is het noodzakelijk...]. “Dat” slaat terug op “dat ik mij ervoor inspan om velen hetzelfde te doen begrijpen.”

En nu blijkt hoe nuttig het is dat er iemand in de groep zit zoals Klaas die wellicht meer dan anderen op dat politieke aspect bij Spinoza wijst. Ook ik was aanhanger van die eerste lezing. Maar bij herlezen en overwegen ben ik geneigd – in het licht van het geheel - Klaas gelijk te geven. Als je alleen naar de geel gemarkeerde zin kijkt, staat het bereiken van die sterkere natuur bovenaan en lijken de anderen een bijkomend of nevendoel te vormen (indien mogelijk - si fieri potest). Maar als je verder leest, waar hij terecht op hamert, zie je dat in §14 de volgorde wordt omgedraaid, want dan wordt het “van de natuur zoveel te begrijpen als nodig is om een betere natuur te verwerven” een voorwaarde om te kunnen bereiken - samen met de aanvullende voorwaarde van een daartoe geschikte samenleving - “dat velen haar [die natuur] met mij verwerven.” En dan blijkt dat laatste – het samen bereiken - ineens bovenaan te staan.

Je moet altijd, maar zeker bij Spinoza, alles in het licht van het geheel zien.

Bedankt Klaas, voor je doordrammen...

Reacties

Stan,
Ik denk dat de keuze die je maakt tussen één van de beide lezingen verstrekkende gevolgen kan hebben. In de TIE gaat het om de 3e kennisvorm, en het streven naar het hoogste goed, maar in de TTP en TP gaat het om de 1e kennisvorm en heeft het hoogste goed zijn equivalent in de staat, de 'mortal God' van Hobbes:
1. de 1e lezing is dan de individualistische lezing van het liberalisme - vorming van de staat heeft als nevendoel: samen met anderen. Maar het individu is primair. Aanwijzingen hiervoor zijn: het natuurrecht is een recht van individuen [TTP.Vw.13], het methodologisch individualisme: de natuur maakt geen naties, alleen individuen [TTP17.26], en het psychologisch egoïsme: de mens verlaat nooit de natuurstaat [Br50.1], de immanente democratie [TTP16.8],
2. de 2e lezing is de communitaristische - streven naar het hoogste doel kan alleen tezamen met anderen. Aanwijzingen hiervoor zijn dat de menigte 'als door één geest gedreven' tot maatschappijvorming komt [meerdere plaatsen, o.a. TP3.2]. Zowel Hegel als Marx kunnen hier hun aanknopingspunten gevonden hebben, Hegel in de zinsnede 'één geest', het attribuut denken, en Marx in 'menigte ... gedreven' het attribuut uitgebreidheid.
Conclusie: ik denk dat in de TIE de beide versies ex aequo eindeigen, en dat er in de TTP en de TP meer aanwijzingen zijn voor de individualistische, dan voor de comminitaristische versie.

Je gaat hard van stapel, Adrie.
Ik vraag me af of je aan de hand van Spinoza (hier in de TIE, maar ook in de beide politieke verhandelingen) wel een scherpe tegenstelling kunt vaststellen tussen individu en gemeenschap en of die er bij hem wel zou bestaan tussen een meer liberalistische dan wel meer communitaristische (of zelf communistische) benadering. Ja, de diverse kampen hebben Spinoza trachten te claimen en naar zich toe te trekken. Dat is wellicht op zich al een aanwijzing voor het op dit punt tamelijk ongedifferentieerde bij Spinoza. Vergeet niet, hij is een nominalist. Alleen echte, dus singuliere mensen bestaan. Die kunnen in de gaten hebben dat ze het allleen niet redden en dus beter met anderen kunnen samenwerken. Groepen kunnen - buiten coalities van mensen gezien - verstarren tot kunstmatige vormen, zeker als het verband met wat mensen willen uit zicht verdween.
Waarop baseer je trouwens je stelling dat het in de TTP om de 1e kenvorm gaat? Heb je gemerkt hoezeer Spinoza erin tegen de verbeelding tekeer gaat? In het voorwoord, over de profetie, tegen het geloof in wonderen, zijn claim dat alleen filosofie op zoek is naar waarheid etc. etc. Hoezo gebaseerd op de 1e kenvorm?

Stan,
A. Ik beweer niet dat het bij Spinoza - noch in de TIE, noch in TTP en TP - om een scherpe tegenstelling gaat. In mijn conclusie spreek ik over 'meer aanwijzingen'. Bovendien zijn de termen liberalisme en communitarisme niet door Sp. geconcipieerde termen. Onder de punten 1 en 2 borduur ik voort op een door jou gecreëerde - maar voor mij wel verhelderende - tegenstelling in de TIE. Om nog wat meer gewicht aan de communitaristische visie te geven: in TP2.15 zegt Sp. dat hij niet het minste bezwaar heeft om de scholastici te volgen met de uitspraak dat de mens een 'maatschappelijk dier' is. Niet voor niets is er lange tijd een grote idealistische hegeliaanse stroming in het spinozisme geweest, en een forse materialistische marxistische stroming. Beide zijn communitaristische stromingen, en beide zijn, voor mij althans, doodlopende stegen in het spinozisme, en slordige lezingen van Sp. Ik gaf echter aan dat liberalistische tendenzen overwegen in de TTP en TP, en gaf daarvoor 4 tekstverwijzingen.
B. In de TTP (en ook in de TP) gaat het wel degelijk om de 1e kennisvorm. Immers Spinoza baseert zich in zijn oordelen op de joodse ervaring = empirie, zoals die neergelegd is in de bijbel, en niet op eeuwige waarheden. Weliswaar legt hij die empirie regelmatig langs de meetlat van de eeuwige waarheden van de wiskunde en van zijn substantie- = godsbegrip, zie bijv. TTP6 over wonderen dat in feite een naturalistisch exposé is. Maar dit laat onverlet dat hij de mensen neemt zoals ze zijn, 'heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees'. Zie ook TP1, waarin Sp. zegt dat hij zich op de praktijk = 1e kennisvorm, wil baseren. In de TTP en TP past bij bovendien een ruimere opvatting van de 2e kennis-vorm = de rede, toe: wie de vrede nastreeft handelt al in overeenstemming met de rede (TP3.6).

Je hebt gelijk, Adrie, dat Spinoza zich in de TTP en TP meer op de praktijk, dus de ervaring baseert. Ja, hij neemt de mensen zoals ze zijn, 'heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees', maar blijft zelf niet op dat niveau steken. Hij vertrekt inderdaad van en blijft dichter bij de eerste kenvorm, maar gaat er met de tweede kenvorm, rede tegenaan.
Ik heb niet de indruk dat we hier een meningsverschil hebben.
Je vleit me dat ik een voor jou wel verhelderende tegenstelling in de TIE gecreëerd heb. De aanleiding was de discussie met Klaas Meijer die er dus aan heeft bijgedragen.