Was Spinoza pantheïst?

Tijdens de eerste bijeenkomst kwam de aanduiding “Spinoza’s pantheïsme” voorbij. Was Spinoza pantheïst?

In heel strikte zin kon hij het niet zijn, daar de term in zijn tijd nog niet bestond. Hij heeft zichzelf dus nooit met deze term kunnen aanduiden. En ik vermoed dat, als die term wél zou hebben bestaan en door tegenstanders (net zoals het met de term ‘atheïst’ geschiedde) op hem in peoratieve zin zou zijn toegepast, hij die etikettering ver van zich geworpen zou hebben.

Maar toch, John Leland duidt de filosofie van Spinoza die 'geen andere God erkent dan het universum,' aan als 'pantheïstische filosofie'. [1] En velen doen dat mét hem (zie onder).

Letterlijk staat pantheïsme voor de leer: God is alles en alles is God. Het was (mogelijk) John Toland (1670–1722), Iers-Brits filosoof en theoloog, die in 1705 in zijn boek “Socianianism truly stated, by a pantheist” de term 'pantheïst' voor het eerst gebruikte, maar haar daar nog niet definieerde. De term 'pantheisme' werd het eerst gebruikt door Jacques de la Faye in diens kritiek op Toland "Defensio Religionis" (Utrecht, 1709). In zijn in 1709 anoniem gepubliceerde 'Origines Judicae' zou Toland volgens Jonathan Israel zijn filosofie voor het eerst in het openbaar 'pantheïstisch' noemen. In dat boek noemt hij Mozes een pantheïst en zelfs een soort antieke spinozist. Toland zou de gewoonte gehad hebben 'pantheïst' en 'spinozist' onderling te verwisselen. [1] 
In een brief aan Leibniz [14 febr. 1710] omschreef Toland pantheïsten als “those who believe in no other eternal being but the universe.” In zijn Pantheisticon (1720) ging hij dieper in op zijn leer en gaf hij ook een soort geheime liturgie. Hij benadrukte dat het universum alleen bestaat uit materie die op zichzelf bestaat en beweging in zich heeft. Het universum is oneindig, heeft geen centrum of periferie, en bestaat uit een oneindig aantal sterren en planeten zoals de onze. Alles is in voortdurende staat van verandering, zodat in geval van oneindige tijd alle combinaties terugkeren. De menselijke geest is een eigenschap van de hersenen dat een stoffelijk orgaan is. [2] Hoeveel Spinoza is hierin te ontwaren? Volgens de Stanford Encyclopedia of Phylosophy in een uitvoerig en gedegen artikel over filosofisch pantheïsme heeft Tolands werk weinig met pantheïsme van doen. 

Toch kom je tegen dat Toland de term muntte óm de filosofie van Spinoza aan te duiden (Wikipedia). Dat, zoals Moreau schrijft, Toland de term uitvond “om een leer aan te duiden, waarin God gelijk wordt gesteld aan het geheel van de natuur.”[3] Bertrand Russell schrijft in zijn “Geschiedenis van de Westerse filosofie”, “Het pantheïsme beweert dat God en de wereld niet onderscheiden zijn en dat alles in deze wereld deel is van God. Deze opvatting wordt het meest volledig ontwikkeld door Spinoza, maar vrijwel alle mystici voelden er zich door aangetrokken.” [4] Ook de genoemde Stanford encyclopedie noemt de Ethica "the most complete attempt at explaining and defending pantheism from a philosophical perspective."

Van Dale (9e druk, 1970) omschrijft pantheïsme als: “Wijsgerig stelsel dat in de dingen van de natuur slechts onzelfstandige openbaringen of uitvloeisels ziet van een enkele zelfstandigheid, waaraan men dan goddelijke eigenschappen toekent, vereenzelviging van God en wereld.” En in het onlinewoordenboek van Van Dale samengevat tot: “wijsgerig stelsel dat in de dingen van de natuur slechts onzelf-standige openbaringen of uitvloeisels ziet van een enkele goddelijke zelfstandigheid”.  

Hier zou men Spinoza in kúnnen lezen als men de term ‘slechts’ wegdenkt, als men ‘de dingen van de natuur’ leest als ‘natura naturata’ én de modificaties/modi niet uitsluitend vanuit het aspect (het attribuut) stoffelijkheid en uitgebreidheid ziet, maar er ook het aspect (het attribuut) denken en geest in mee begrijpt. Maar dát gebeurt niet altijd. Zo kwam ik op internet een vervorming van deze definitie van Van Dale tegen: “Pantheïsme: wijsgerige leer dat de wereld (de stof) en God identiek zijn, dat God het leven van het heelal zelf is.” [5]

De term werd gretig overgenomen, gebruikt en ‘verder met betekenis ingevuld’. Moreau schrijft dat de term door tegenstanders van Spinoza werd en wordt omarmd “als een hypocriete uitdrukking van een verhuld atheïsme dat God overal localiseert, zodat hij nergens meer is.” (p. 129) 

Belangrijk is te vermelden de zogenaamde Pantheismusstreit, de publieke controverse die na de dood van Lessing in 1785 ontstond over diens spinozisme toen Jacobi in “Über die Lehre des Spinoza, in Briefen an den Herrn Mendelssohn” onthulde dat Lessing hem had toevertrouwd heimelijk spinozist te zijn. Mendelssohn repliceerde verontwaardigd, waarna ook anderen zich ermee bemoeiden en velen er Spinoza op gingen nalezen. Goethe afficheerde zich in datzelfde jaar als toegewijd spinozist. Hij richtte zijn aandacht vooral op het thema van de verbondenheid van alle dingen in God, wat Spinoza “in het populaire bewustzijn tot pantheïst maakte”, zoals Gullan-Whur het typeert (p. 344) 

Pierre-François Moreau stelt dan ook: “Spiritualist, mysticus, pantheïst: Spinoza is dit alles zeker niet.” [6] En Israel wijst erop dat Spinoza’s aanhangsel bij deel I van de Ethica (waar God de vrije oorzaak is van alle dingen en de enige vrije oorzaak, alle dingen bepaald zijn door God, niet door de vrijheid van zijn wil, maar door Gods absolute natuur, of zijn onbegrensde macht) anders dan wel zou gebeuren “in geen enkele zinvolle betekenis ‘pantheïsme’ genoemd kan worden”. [7] 

Hoe het ontkennen van Spinoza's filosofie als pantheïsme soms op oneigenlijke grond geschiedt, blijkt waar Leon Kuunders, de webmaster van despinoza.nl, stelt: "Pantheïsme gaat samen met een personificatie van het Godsbeeld die absoluut niet bij Spinoza past." Bij zo'n godsbeeld (met kleine letter) gaat het echter om een vorm van theïsme; pantheïsme moet nu juist niets hebben van een persoonlijke God, een ten opzichte van de natuurlijke werkelijkheid (alles) apart soort individu, of welke personifiëring dan ook. 

Gezien het enigszins hybride karakter van het woord (net als theïsme) en het verschillend gebruik van de term pantheïsme, lijkt het mij beter die niet te gebruiken en toe te passen op Spinoza, tenzij de term direct een scherpe definitie meekrijgt. Als we een korte samenvatting van Spinoza’s godsbegrip zoeken, kunnen we het beste zijn eigen termen gebruiken: ‘Deus sive Natura’. Een term als pantheïsme hebben we bij Spinoza niet nodig. 

 

Nadat ik het vorige had geschreven kwam ik dit hier tegen. 

Geloofde Spinoza in veel goden of in geen enkele?

Donderdag 7 juni 2007 gaf prof. dr. Steven Nadler (Madison, WI) in het kader van het Research Seminar van het Erasmus Center for Early Modern Studies een lezing met als titel: "Whatever is, is in God : Spinoza's Alleged Pantheism." Centraal in deze lezing een raadselachtige uitspraak uit Spinoza's Ethica : "Alles wat is, is in God". Steven Nadler besprak deze uitspraak aan de hand van twee gebruikelijke interpretaties; ook de gevolgen van deze interpretaties voor de bredere vraag hoe we Spinoza's identificatie van God met de Natuur (Deus sive Natura) moeten begrijpen. Aan de hand hiervan ging Nadler in op de vraag of Spinoza moet worden beschouwd als een pantheïst - zoals lang is aangenomen en beweerd - of als een atheïst.
Nadler beschouwt Spinoza als een atheïst.

 

--------------------------------------------------------------------------------

[1] Jonathan I. Israel, Radicale verlichting’, p. 655 en 656.  

[2] Van hier, http://members.aol.com/pantheism0/toland.htm, een site die van pantheïsme een religie maakt

[3]  Pierre-François Moreau, Spinoza en het spinozisme, Damon, Budel, 2004, p. 129
 

[4] p. 184

[5] http://www.verhoevenmarc.be/_Glossarium-MV.doc en dit kom je vervolgens op meerdere sites tegen.

[6] O.c. p.139
 

[7]  Jonathan I. Israel, Radicale verlichting’, p. 255. Hij verwijst daarbij naar Mason’s “God of Spinoza”, waarbij mij niet duidelijk is of dit als ondersteunende bewijsplaats of als kritiek op Mason wordt bedoeld.

Zie verder nog van Paul Harrison: Spinoza - pantheist