Was Spinoza geen naturalist?

Voor dat boek dat al ruim vijf jaar in voorbereiding is en almaar niet verschijnt, Michael Della Rocca (Ed.), The Oxford Handbook of Spinoza [Oxford: Oxford University Press - cf. dit blog] schreef Eric Schliesser een bijdrage: "Spinoza and the Philosophy of Science: Mathematics, Motion, and Being." Intussen zijn enige hoofdstukken al op internet geplaatst, waaronder dit van Schliesser, en met toestemming van alle partijen mocht Karel D'huyvetters het vertalen en op de website Spinoza in Vlaanderen opnemen. Daar is sinds enige dagen te lezen: "Spinoza en de wetenschapsfilosofie: wiskunde, beweging en het zijn." [Cf.]

Het is een deels interessant en deels irritant stuk. Schliesser wil erin aantonen dat Spinoza nogal kritisch, zelfs sceptisch, tegenover natuurwetenschap stond en dat voor hem wiskunde helemaal zo belangrijk niet was. Vooral gaat hij in tegen de overheersende opvatting dat Spinoza een mechanistische natuurkunde aanhing. Dat is tamelijk tegendraads. Maar hij levert er deels interessante argumenten voor aan. Maar het stuk laat zich niet makkelijk consumeren; een echt ordelijke en systematische auteur is Schliesser niet. Op een of andere manier doet hij zich zekerder voor dan hij m.i. is (als ik ook de vele dankbetuigingen in de voetnoten zie...)

Ik denk dat hij een punt heeft als het gaat om natuurkunde in engere zin. Daarvoor had Spinoza uiteindelijk niet zo'n interesse. Maar Schliesser overdrijft wanneer hij natuurwetenschap alleen opvat als fysica. Voor Spinoza viel wat we nu als menswetenschappen of cultuurwetenschappen en zelfs geesteswetenschappen omschrijven ook tot de natuurwetenschap. Schliesser gaat er volkomen aan voorbij dat Spinoza op die laatste gebieden wel degelijk wetenschap heeft verricht in de hoofdstukken 3 en 4 van de Ethica.

Dat Schliesser alleen de fysica voor ogen heeft blijkt ook uit het - overigens uiteraard niet zo'n sterk bijdragend argument - dat Spinoza niet voorkomt in de wetenschapsgeschiedenis (Dijksterhuis). Hij gaat dan eraan voorbij dat bij de ontwikkeling van de psychologie Spinoza zeker werd erkend en gebruikt en dat in de onlangs verschenen geschiedenis van de humaniora, Rens Bod's De vergeten wetenschappen [2010], Spinoza wel degelijk voorkomt.

Schliesser beweert wel dat hij Spinoza niet confronteert met of toetst aan de natuurwetenschappen van na hem, maar ik vrees dat hij (die zich intussen zoveel met Newton en Clarke heeft beziggehouden), niet eens meer in de gaten heeft hoezeer dat zijn criteria gevormd heeft. Dat hij niet doet wat hij zegt te doen, blijkt eruit dat hij stelt dat "een deel van hun [= Newtonianen] kritiek ons op de tekortkomingen in Spinoza’s opvattingen, meer bepaald met betrekking tot beweging [wijst]". Schliesser heeft zich erg laten leiden door de 18e eeuwse bestrijding van Spinoza door gelovige wetenschappers. Dat lijkt hem op sporen te hebben gezet die hij nu wil nalopen?

Dat blijkt bijvoorbeeld als hij de voorstelling van Spinoza als naturalist onderuit wil halen. Schliesser maakt niet duidelijk wat hij onder naturalisme verstaat. Maar als ermee bedoeld wordt de overtuiging dat er alleen maar natuur is (en geen transcendente bovennatuur), dan was niemand meer naturalist dan Spinoza; hij was het zeker meer dan mensen als Boyle, Newton, Clarke e.a. En voor de idee dat er één natuur is, die overal en altijd dezelfde is, moet je ook op de eerste plaats bij Spinoza zijn.

Ik denk dat het mis gaat, waar het lijkt dat er vanuit wordt gegaan dat dit een of-of-kwestie is. Alsof Spinoza niet - afhankelijk van doelstelling of project, afhankelijk van of hij met 'eeuwige' zaken bezig was (ethiek en waar geluk) of met zaken van plaats en tijd (politiek en tijdelijk geluk) - wel of niet met wetenschap in striktere zin bezig was - dat hij zowel kritisch was over de beperkte mogelijkheden tot echte kennis bij het bestuderen van plaatselijke en tijdelijke dingen (waarmee hij zich ook bezighield) en dat hij op het belang van een heel andere kenmogelijkheid wees (de scientia intuitiva die zich richt op het eeuwige). Waarom zou hij niet tegelijk scepticus t.a.v. het doorgronden van de natuur via empirisch onderzoek kunnen zijn en tevens een methode hebben voor het overkomen van de beperkingen ervan? Nu gooit in dit artikel Schliesser alles op één hoop alsof het een kwestie is van of-of.

Tot slot plaats ik nog één opmerking. Zoveel is er over Spinoza en zijn ideeën over beweging en inertia (hier als 'traagheidsbeweging' aangeduid) niet geschreven. Als zeer opmerkelijk beschouw ik het dan ook dat Schliesser Klevers beschouwingen (in The Sphinx, 2000, maar al eerder in Studia Spinozana, 1988 en 1993) niet in zijn argumenten betrekt. Het kan niet zijn dat hij er niet van op de hoogte is en dus negeert hij het gewoon.
[Ik beweer daarmee niet dat Klever volkomen gelijk heeft. Daarvoor doet hij teveel wat Schliesser juist zegt te vermijden, namelijk Spinoza lezen en uitleggen in de geest van (zoals hij ze beschouwt) navolgers van Spinoza: zoals Cuffeler, De Volder e.a. Spinoza begrepen, zo was het.]