Waarom deze wereld? Geen Spinozistische vraag!

Dit blog schrijf ik naar aanleiding van het blog over mijn ontdekking begin deze maand van de Braziliaanse schrijfster en de titel van de biografie over haar: Why this World? [Benjamin Moser, Why This World: A Biography of Clarice Lispector. Oxford University Press, 2009 – zie dit blog].

En ook naar aanleiding van het boek van Jim Holt, Why does the World exist? dat ik al in een eerder blog signaleerde. Deze en andere brengen mij ertoe om eens over deze even beroemde als onmogelijke vraag te schrijven.

De vraag Waarom deze wereld? of: Why Is There Anything? gaat uiteindelijk terug op deze: Waarom is er iets en niet veeleer niets? Dit is typisch zo’n vraag die alleen maar gesteld kan worden door iemand die als (in een persoonlijke God) gelovige het antwoord al ‘weet’. Vragen naar ‘waarom’ is vragen naar een reden, naar een motief, naar een wil, naar waarom deze wereld er een uit vele ‘mogelijke andere werelden’ is. 

   

 

 

De vraag is uitgevonden door Leibniz en is door velen vele malen behandeld en aldus beroemd geworden – bijvoorbeeld via Leszek Kolakowski [zie blog]. Aan die vraag lag Leibniz ‘principe van de voldoende reden’ ten grondslag: reden of rechtvaardiging. Ook God moest zich van Leibniz aan de noodzakelijke wetmatigheden houden (ook voor God gold 2x2=4); maar God had wilsruimte en als er uit alternatieven gekozen moest worden, diende God uiteindelijk de beste mogelijkheid te kiezen – en daar had hij dan zijn redenen voor.

Voor wie geen vrije wil in het Universum ziet, voor een Spinoza, bestond deze vraag uiteraard ook niet. Bij hem zou hooguit de vraag in een meer mechanistische vorm gesteld kunnen worden: waardoor is deze wereld er?

Velen hebben erop gewezen dat Spinoza geen onderscheid maakt tussen reden (ratio) en causa (oorzaak) en dat hij ze door elkaar lijkt te gebruiken. Sommigen construeren een kunstmatig onderscheid: ratio (en logisch) zou dan naar Denken verwijzen en oorzaak naar Uitgebreidheid. Maar Spinoza zelf houdt zich hier volstrekt niet aan: ook ideeën hebben oorzaken, gelegen namelijk in andere ideeën.

Kortom, de vraag past niet, hoort niet thuis in de Spinozistische wereld, waarin God of de natuur geen redenen, motieven, wensen of doelen heeft. Die vraag is derhalve onstelbaar - hem toch stellen is een uiting van superstitie.

Er is nog een praktisch-psychologische en filosofische reden waarom de vraag een onmogelijke vraag is. De vraag veronderstelt het al bestaan van de vraagsteller en dus van iets, maar doet alsof daarvan kan worden afgezien. Het niets kent geen vraagsteller, laat staan enig filosofisch probleem. Wie stelt – zonder vraagsteller – die vraag? Zo ziet de vraag er uit als een zgn. onmogelijke figuur die in werkelijkheid niet kan bestaan, alleen maar in de illusoire verbeelding.

En vanuit de verbeelding en z’n illusies valt kennelijk eeuwig zgn. te filosoferen. Dat is dan die beroemde eeuwige filosofie, philosophia perennis, waarin niet echt hoeft te worden nagedacht. Want een God zoals hij niet bestaat, kan ook niet ‘mogelijke werelden’ die niet (kunnen) bestaan tegen elkaar afwegen en eruit kiezen. Dus die onmogelijke figuur-achtige vraag laten wij waar hij thuishoort: bij de Leibniz’en van deze wereld.

                                                ***

Waarmee overigens niets gezegd wil zijn over de wanhopige vertwijfeling over een zwaar lot en ellende die iemand kan ervaren op grond waarvan er zulke vragen opkomen. Maar dat het precies zulke vragen zijn, komt voort uit de context van het illusoire geloof. Het kan wellicht troostrijk lijken als je je kwaad kunt maken op een onverantwoordelijk kwaad toelatende God. Maar waarschijnlijk leidt dat tot nóg meer ondragelijke emotie en pijn.

Reacties

Wat kun jij toch snel schakelen. Je zegt dat de vragen niet thuis horen in een spinozistische gedachtenwereld. Hoewel ik denk dat 'Waarom deze wereld' en 'Waarom is er iets en niet veeleer niets' verschillende vragen zijn (ik denk dat Spinoza wel een antwoord geeft op de eerste vraag, op een bepaald manier geïnterpreteerd) kun je op beide Leibniz' 'principe van voldoende reden' toepassen. Daar heb je geen stelling over, maar ik wil er graag iets over zeggen in relatie tot Spinoza. Er moet een voldoende reden zijn dat deze wereld is zoals ze is, anders zou ze zo niet zijn. Er moet een voldoende reden zijn dat er iets is, anders zou dat iets er niet zijn. Zo heb ik tenminste altijd dat 'principe van voldoende reden' opgevat. Volgens mij zegt het niet dat alles een oorzaak heeft (dat zegt Spinoza!!) of dat alles verklaard moet kunnen worden. Ook geeft het geen antwoord op de vraag naar zin of doel. Er moet gewoon een voldoende reden zijn dat iets is zoals het is, anders zou het zo niet zijn. Daarmee heb je natuurlijk geen antwoord op de vraag wat die reden is. Die reden kan van alles zijn, bijvoorbeeld dat er een God met een vrije wil is die er voor heeft gekozen de wereld te maken zoals die is. Of welke andere verklaring dan ook. Daarom hoort dit principe helemaal niet thuis bij Spinoza. Het is volgens mij ook grote onzin dat Della Rocca dit principe (de PSR) tot het leidende beginsel van Spinoza maakt (een dubbele nog wel). Spinoza zegt dat er voor alles een oorzaak is. Hij geeft ook een antwoord op de eerste vraag: de wereld is zoals ze is omdat ze niet anders kan zijn. Dat is heel wat anders dan dat er een voldoende reden moet zijn dat de wereld is zoals ze is. Daarom is dat plakken van de PSR aan Spinoza behoorlijk irritant.
Ik doe direct het boetekleed aan als iemand mij kan duidelijk maken dat ik het principe van voldoende reden anders moet begrijpen.

Ik denk dat we het eens zijn, Henk. Het ging mij er hier - simpeler - om dat de 'waarom'-vraag (zowel in 'Waarom deze wereld' als in 'Waarom is er iets en niet veeleer niets', waarvan de eerste een variant is) veelal een vraag naar 'reden', in de zin van 'zin' en 'doel' is (en dan al gauw is omgedacht in 'waartoe' het bevraagde; waartoe zijn wij op deze wereld?). Binnen Spinoza's filosofie past enkel de vraag: Waardoor? De wereld is zoals ze is door de natuurwetten, waaruit ze volgt en die zijn zoals ze zijn en niet anders kunnen zijn.

@henk. Ook ik heb mij mateloos geergerd aan Della Rocca's misplaatste toepassing van Leibnitz' nepbeginsel (PSR) op Spinoza.

En daar wordt dan de hele interpretatie van Spinoza aan opgehangen!!
Lees in het Voorwoord van zijn "Spinoza" (2008):

"I believe that I have found a key - in the shape of the Principle of Sufficient Reason - that will go a very long way toward making Spinoza's thought more accessible and exciting."

En zijn ontdekking heeft een nog veel wijdere betekenis:

"Rethinking Spinoza in the light of the Principle of Sufficient Reason promises to be important not only for our understanding of Spinoza, but also for our understanding of the philosophical issues Spinoza deals with and that continue to trouble philosophers today. The contemporary debates suffer, in my opinion, from a lack of systematic attention to the power of The Principle of Sufficient Reason."

Henk, Stan en Wim, 3 opmerkingen:
1. Dat 'nepbeginsel' van de PSR moet dan wel van een nepfilosoof afkomstig zijn. Epicurus en Lucretius formuleerden het al in de Oudheid, ook nepfilosofen. Nepfilosoof Kant maakt het tot grondslag van zijn systeem, en nepfilosoof Schopenhauer promoveerde op de PSR.
2. L e i b n i z schrijft in Vernunftprinzipien 7 dat hij zich van een belangrijk doch weinig toegepast beginsel wil bedienen, namelijk 'dat niets zonder voldoende reden geschiedt, d.w.z. dat er niets gebeurt zonder dat diegene die de dingen voldoende kent een reden aan kan geven waarom het zo is en niet anders'.
S p i n o z a schrijft in E1p11d: Men moet van elk ding een oorzaak of reden kunnen aanwijzen waarom het wel of niet bestaat. Als er bijvoorbeeld een driehoek bestaat, dan moet er een reden of oorzaak zijn van het bestaan; indien hij niet bestaat moet er een reden of oorzaak zijn die het bestaan verhindert of teniet doet.
3. Als ik deze twee uitspraken vergelijk, dan is de overeenkomst treffend, dus nepfilosoof Leibniz moet welhaast gewinkeld hebben hebben bij Spinoza. Maar de uitspraak van Spinoza lijkt weer treffend op die van nepfilosofen Epicurus en Lucretius. Dus, Spinoza moet welhaast ook een nepfilosoof zijn.
3. Voor mij was het boek van Della Rocca verhelderend, zowel m.b.t. tot Spinoza als voor het begrijpen van het rationalisme.

Adrie, bedankt dat je de letterlijke (vertaalde) tekst van Leibniz geeft. Dan kan er geen misverstand zijn over wat dit principe bij hem betekent en hoe wij het moeten begrijpen.
Het moge zo zijn dat wat Spinoza in 2/11d zegt een treffende overeenkomst heeft met de uitspraak van Leibniz, hoewel die het helemaal niet over oorzaken heeft, wat bij Spinoza essentieel is, dat wil nog niet zeggen dat dit het leidende beginsel is voor zijn leer (je houdt niet van het woord, maar ik weet zo gauw geen ander) en dat Spinoza vanuit dit beginsel begrepen zou moeten worden. Het leidende beginsel voor Spinoza kunnen we, volgens mij, beter vinden in 1/29:

"In de natuur der dingen is niets contingents, maar alles wordt door de noodzaak van de goddelijke natuur bepaald om op een bepaalde wijze te bestaan en te opereren."

Bij Spinoza zijn 'noodzaak' en 'noodzakelijk' de kernbegrippen zonder welke zijn leer niet begrepen kan worden. Er is niets contingents, alles wat gebeurt, gebeurt natuurnoodzakelijk vanuit Gods kracht volgens de eeuwige wetten van zijn natuur. Dat is toch wel iets anders dan dat een alwetend iemand voor alles een reden aan kan geven (ik kan me er wel iets bij voorstellen dat Wim Klever dit een nepbeginsel noemt). Dat hele idee van 'noodzaak' zit niet in de PSR, zelfs niet dat er voor alles een oorzaak is.

Ik blijf er daarom bij dat het onzin is om de PSR het leidende beginsel te noemen van waaruit Spinoza het best begrepen kan worden.

Henk, kijk naar de axioma's van Deel 1 van de Ethica. Ze lezen als het credo van het rationalsme, en zijn het gereedschap van de PSR. Primair is de PSR, pas het toe op de definities d.m.v. de axioma's en het gevolg is determinisme en natuurnoodzakelijkheid.

Adrie, ik doe mijn best, maar heb moeite:
1) De axioma's van deel I zijn het gereedschap van de PSR.
2) Pas de PSR toe op de definities d.m.v. de axioma's.
Ik weet niet of jouw citaat de enige tekst is van Leibniz hierover (ik mis het element en het woord 'voldoende'), maar ik denk dat je het, goedwillend, als volgt kunt vertalen: voor elke gebeurtenis is een verklaring en iemand met voldoende kennis kan die verklaring geven.
Dat is denk ik wat jij het credo van het rationalisme noemt en Spinoza is zeker ook deze mening toegedaan. Ik denk dan ook dat je misschien kunt zeggen dat de axioma’s A3 en A4 van deel I de PSR vooronderstellen (van de andere zie ik het niet zo), maar zij gaan verder dan wat op zich in de PSR besloten ligt (de noodzaak bijvoorbeeld zit niet in de PSR maar in het axioma dat de PSR wel vooronderstelt, maar verder gaat dan de PSR). En vervolgens wordt alles afgeleid uit de axioma’s en de definities OP GROND VAN LOGISCHE REDENERINGEN waarbij de PSR geen enkele rol speelt. ALS de PSR een rol speelt, moet het zijn in de definities en axioma’s. Niet in de definities, en dan kom ik niet verder dan eventuele vooronderstellingen bij de axioma’s 3 en 4. Dat is veel te weinig om de PSR het grote verklarende beginsel te noemen voor Spinoza's leer.

Ook bij het belangrijke 'axioma', toegevoegd in 1/16d, dat uit het wezen van een zaak noodzakelijk dingen volgen, dus uit God's wezen oneindig veel dingen (1/16), is de PSR hooguit een vooronderstelling, die inhoudelijk geen enkele rol speelt.

De discussie geeft me de sterke indruk dat er voor een stuk naast mekaar gepraat wordt omdat het begrip 'PSR' onvoldoende gedefinieerd is. Leibniz gebruikte reden en oorzaak door elkaar, dus dat zijn al twee mogelijke betekenissen. Schopenhauer zag zelfs vier verschillende vormen van het principe. Zolang we het hier dus niet definieren over welke exacte definitie van het principe we het hebben, kan de dscussie nog lang doorgaan...

De omschrijving die Della Rocca geeft is 'dat ieder feit, elk ding dat bestaat, een verklaring heeft' (p. 4). Ik gebruik die omschrijving ook, vertaald van Leibniz' omschrijving die Adrie geeft. Dus de spraakverwarring valt nogal mee.

Spinoza heeft zonder enige twijfel de opvatting dat er voor elk verschijnsel een verklaring is. Maar de benaming PSR is bij hem niet op zijn plaats. De opvatting is bij Spinoza een UITVLOEISEL en niet een UITGANGSPUNT (wat het is in de formulering van Leibniz). Spinoza's opvatting dat er voor elk verschijnsel een verklaring is vloeit voort uit zijn opvatting dat alles bepaald wordt door de eeuwige wetten van Gods natuur en dat er binnen dit kader voor elk effect een oorzaak is. Het is niet omgekeerd. Spinoza komt niet tot de specifieke uitwerking van zijn leer omdat hij vindt dat er voor elk verschijnsel een verklaring moet zijn. Dat maakt Della Rocca er van. Het is voor Spinoza geen PRINCIPE en het verklaart dus niks. Daarom is het plakken van het etiket PSR op Spinoza volkomen misplaatst.

Ik poneer het boven wat stellig, maar als ik een principe bij Spinoza zou moeten noemen, zou ik eerder denken aan: dat hij ten diepste doordrongen is van de eenheid in de natuur en van het besef dat daarom alles onderworpen moet zijn aan dezelfde eeuwige wetten.

Henk,
Als ik je goed begrijp ben je van mening dat de PSR bij Spinoza niet fundamenteel is omdat, citaat 'alles bepaald wordt door de eeuwige wetten van Gods natuur en dat binnen dit kader voor elk effect een oorzaak is'. M.a.w. je gaat ervan uit dat Gods natuur zelf niet onder de PSR valt. Dit is een misverstand, want zelfs de substantie valt er onder, omdat zij oorzaak van zichzelf is (E1p7d). Zij wordt dus door Sp. expliciet onder het causaliteitsmechanisme gebracht. Sterker nog, het is de reden dat Sp. geen genoegen neemt met de Eerste Beweger van Aristoteles, maar de Ethica begint met de definitie van causa sui.

Adrie, je hebt me even aan het twijfelen gebracht. De wereld is voor Spinoza inderdaad (in principe) verklaarbaar. Maar is die verklaarbaarheid zijn UITGANGSPUNT? Ik meen van niet. De wereld is verklaarbaar OMDAT alles onderworpen is aan dezelfde eeuwige wetten. De verklaarbaarheid is een afgeleide. Daarom zeg ik dat Spinoza niet GELEID wordt door het PRINCIPE dat alles verklaarbaar moet zijn (zoals dat in de door jou geciteerde uitspraak van Leibniz het geval is).
De substantie wordt door Spinoza expliciet onder het causaliteitsmechanisme gebracht, zeg je. Dat is waar. Maar doet hij dat omdat hij vindt dat er voor al wat er is een oorzaak moet zijn (zeg maar een ontologische reden), of kent hij aan de substantie een oorzaak toe OMDAT hij vindt dat die verklaarbaar moet zijn. Jij vindt, met Della Rocca, kennelijk het laatste, als je zegt dat zelfs de substantie onder de PSR valt. Daarmee zeg je dat Spinoza de substantie onder het causaliteitsbeginsel brengt OMDAT hij vindt dat ze verklaard moet kunnen worden. Ik houd het op het eerste. Spinoza kiest voor het causaliteitsbeginsel omdat hij vindt dat de wereld zo in elkaar zit en niet omdat ze anders niet verklaard kan worden. Dat ze verklaard kan worden is een gevolg van het causaliteitsbeginsel. (Het 'nieuwe' van Della Rocca is dat hij het omdraait)

En dat, zoals Henk het hier beschrijft, is wat ik indertijd in mijn bespreking van Della Rocca's Spinozaboekje diens 'idealisme' (of neiging tot -) noemde. Niet zozeer het uitgaan op zich van intelligibiliteit is een probleem (want zijn en cognitie gaan integraal samen, zie 2/7, noem het Spinoza's parallellisme), maar het beweren dat dát (het intelligibel zijn) het belangrijkste is, dat dát voorop zou staan is een onspinozistische claim (zoals de Hegeliaanse Geest voorop staat). De PSR is niet een soort beginsel dat aan het causa sui van de substantie vooraf gaat. Niets gaat aan de causa sui vooraf (het zijn en de kennis ervan ontstaan daar; inderdaad, de verklaarbaarheid is een afgeleide).

En dat laatste op aanwijsbaar onjuiste gronden. Die argumentatie kan ik je toesturen (als ik via Stan je e-mailadres kan krijgen)

Henk, ik mail je Adrie's e-mail-adres.

Ik heb Della Rocca niet gelezen en mogelijk heb ik het dus verkeerd voor, maar uit zijn definitie van de PSR (door Henk geciteerd hierboven) kan ik niet opmaken wat hij precies bedoelt. Della Rocca schrijft: PSR = dat ieder feit, elk ding dat bestaat, een verklaring heeft. Maar verklaring van wat? Zoals Schopenhauer schrijft kan bedoeld worden de "ratio fiendi", de verklaring van het worden, of de causaliteit. In deze zin lijkt mi iedereen op dit blog het eens dat de PSR bij Spinoza een belangrijk principe is. Als bedoeld wordt de "ratio essendi", de verklaring waarom bv. de logische wetten zijn zoals ze zijn, dan is dit bij Spinoza niet aan de orde, "geen Spinozistische vraag". Idem met de "ratio cognoscendi". En tenslotte de vierde wortel die Schopenhauer in de PSR ziet, de "ratio agendi", of de reden van het motief van het  (menselijk) handelen, die lijkt bij Spinoza beantwoord door de conatus.
Dat het een nepbeginsel is om een filosofie op te baseren vond mi Schopenhauer ook: de wereld is mijn voorstelling, dus de causaliteit die ik ervaar bestaat mogelijk in de werkelijke wereld niet.