Volgens Jacques Basnage liet Spinoza niet na "te heigen naa de onstervelykheid"

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie # 7

 

Vandaag meldde google.alert dat het Rijksmuseum een nieuwe pagina bracht met de prent die Noach van der Meer (1741 – 1822) maakte van de aanslag die op Spinoza gepleegd werd. Hij deed dat - naar een tekening van Jacobus Buys – als illustratie voor de vertaling van het boek van Jacques Basnage de Beauval, De historie der Jooden, van den tyd van Jesus Christus tot op den tegenwoordigen tyd: Om te dienen tot een vervolg of derde deel, op de werken van Flavius Josephus. by J. van Gulik, 1784.

Die informatie staat er niet bij. Voor mij mooi aanleiding om te melden dat het exemplaar uit de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam van dat boek [nr: O 61-1312] op Early Books Online gedigitaliseerd staat. Daar is te zien dat deze gravure (waarvan hierboven slechts een uitsnede) tussen de bladzijden 652 en 653 (in de digitale telling op blz. 683) in dat boek voorkomt.

Over wat er aan dat plaatje niet klopte had ik al eerder een blog.

Tevens zie ik er een aanleiding in om het boek – hoewel het daar eigenlijk niet in thuis hoort - in de serie Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie op te nemen. Ik had al eerder in een blog gewezen op dit boek van deze naar Rotterdam gevluchte en aldaar werkzame Franse Hugenoot. Dit boek stond lange tijd model voor historiografie van het jodendom.


Ik haal hier naar binnen wat Basnage over Spinoza schreef.

[665] Wy moetenSpinoza niet vergeeten, die zich zoo berucht gemaakt heeft door eene nieuwe Godverloochening. Hy was te Amsterdam gebooren in 1632. (*). Zyne Ouders waren Portugeeschen en Jooden. Hy was afkomstig uit eene eerlyke Familie; maar hy kreeg niet dan een bed van zyn Vaders erfgoed, en leefde altoos in armoede. Het was niet om de Wet en het voorbeeld der Rabbynen te volgen, dat hy leerde glazen slypen en brillen maaken; want hy verachtte ze reeds; maar om voor zyn bestaan te zorgen. Hy vergeleek zich zelven by eene slang, die haaren staart byt, om dat hem aan 't einde van 't jaar niets overig was, hoewel hy van melk en gort leefde. Hy was zoo belanglos, dat hy eene groote somme gelds afsloeg, die een zyner vrienden hem aanbood, om zyne behoeften te verligten, en zich vergenoegde met een klein jaargeld, dat zyn vriend hem deed betaalen. Hy hadt het Latyn geleerd onder van den Enden, die toen te Amsterdam onderwees, en die naderhand naa Pikpus (†) gewecken zynde, in de saamenzweering van den Ridder Rokan overging en werd opgehangen. Men geeft voor, dat deeze pedant de eerste zaden van Godverlochening in 't gemoed van Spinoza gestrooid heeft, om dat hy 'er belydenis van deed, en ze aan zyne Schoolieren leerde. Maar het was voornaamelyk de Philo-

    (*) Op den 24 November 
   (†) Digte by Parys.

[666] sophie van Descartes, die hem verveemd maakte van de beginselen en de weetenschap der Rabbynen. Hy vondt in hunne schriften die klaarblykelyke waarheden, en op zulke betoogingen gebouwd, niet, als Descartes aan zyne Leelingen aanbeval. Toen men bemerkte, dat hy den Sabbath en de Synagoge verzuimde, wilde men hem te vergeefsch daar aan houden, door een jaargeld van duizend Livres. De haat die deze weigering hem berokkende, was zoo geweldig, dat men besloot hem te doorsteeken. Hy zag in 't uitgaan van de Synagoge der Portugeeschen te Amsterdam een man, die een moordpriem in de hand hadt; hy zocht hem te ontwyken, en inderdaad de steek trof alleen zyn kleed, welk hy bewaarde ter gedachtenis van deeze gebeurtenis. Zich niet langer veilig achtende in de plaats zyner geboorte, waar de Jooden talryk en magtig zyn, zocht hy eene schuilplaats te Leiden, en vervolgens in den Haag. Hy werd in den grooten ban gedaan; maar hy protesteerde tegen dat vonnis, in zyne afweezigheid gegeeven , en gaf zyn protest door een Spaansch opschrift aan de Rabbynen der Synagoge te kennen. Eerst gaf hy een Meetkundig Betoog uit (*) volgens de beginselen van Descartes, en vervolgens zyne Overdenkingen (†); maar eindelyk bragt hy die gedrochtelyke Verhandoling voort

    (*) ‘t Jaar 1664. 
    (†) Meditationes.

[667] (*), waarin hy een nieuw stelsel van Godverloochening vormde, en het welk hem veel deed achten by die geenen, die de nieuwigheid verkiezen boven de oude waarheden, en de duisterheid boven de allerklaarste dingen. De Prins van Condé, die de buitengewoone vernuften beminde, was zeer begeerig om hem te zien. Spinoza, die met zyne oude Japon niet naliet zeer gevoelig in 't stuk van eere te zyn, en te heigen naa de onstervelykheid, deed eene reize naa Utrecht in een zeer hachelyke omstandigheid. Deeze reize verwekte het gemor des Volks tegen hem, en was niet alleen onvoorzichtig maar ook onnut; want hy kon den Prins niet zien, die eenige dagen te voren reeds van Utrecht vertrokken was. De Palsgraaf deed hem een Philosophischen Leesstoel te Heidelberg aanbieden: maar hy weigerde dien aan te neemen, om dat de vryheid van Philofosopheeren, die men hem toestond, nog te naauw beperkt voor hem was, nademaal men hem niet toeliet, den heerschenden Godsdienst aan te tasten. Eenige geleerde Persoonen trachtten hem ook naa Vrankryk te lokken; maar het is valsch, dat hy daar heen gegaan zy, en dat de vreeze, van in de Bastielje opgeslooten te worden, hem deed vlugten in 't gewaad van een Cordelier, gelyk men hem by Menage doet zeggen. Hy heeft Holland niet verlaaten, waar hy storf in 't jaar 1677. in den ouderdom van

    (*) Tractatus Theologico-Politicus.

[668] vierenveertig jaaren. Men heeft uitgegeeven, dat hy, gevoelende naby zyn einde te zyn,verbood iemand in zyne kamer te laaten koomen, ten einde niet verpligt te zyn, tegenspraak uit te staan, en gerustelyk te sterven. Men voegt 'er by, dat hy altoos sap van Mandragora by zich hadt, om zyn einde te verhaasten, en het niet te voelen naderen. Eindelyk, men legt hem deeze woorden in den mond; o God; ontferm u over my, arme zondaar. Maar hy kende de Godheid niet beter in de uure des doods, dan hy geduurende zyn leeven gedaan hadt. Alhoewel hy een Geneesmeester hadt doen koomen, zoo is het nogthans zeker, dat de dood hem verraste; en na dat hy lang gekwynt hadt, gelyk de geenen die een borstkwaal hebben, zoo werdt hy verstikt, toen hy geloofde nog verscheiden dagen te zullen leeven. En hy hadt inderdaad reden om zich met die hope te vleijen, om dat hy dien zelfden dag, op welken hy storf, nog van zyne kamer naa beneden gegaan was. Hy heeft eenen Aanhang nagelaaten, die zyne beginselen hadt aangenoomen; doch men kan niet zeggen of dezelve talryk is, om dat het verspreide persoonen zyn, op verscheiden plaatsen, die geen lichaam, noch maatschappy uitmaaken.

   Spinoza vond zyne tegenstreevers in zyne Natie. Orobio stelde zich tegen den voortgang van die Secte. Deeze was een Medicynmeester, die in Spanje, waar hy gebooren was, Dom Balthasar Orobio genaamd was; maar hy veranderde van [669] naam toen hy de besnydenis aannam. Het veinzen moede in zyn Vaderland, waar hy verdacht geworden was, en veel deswegens geleeden hadt, vertrok hy naa Amsterdam, waar hy besneeden werdt. Hy schreef tegen Spinoza en tegen Bredenburg, als een Philosöoph, die de Overnatuurkunde wel bestudeerd hadt.

    Orobio ondernam ook zynen Godsdienst te verdeedigen tegen Ph. van Limburg, Professor by de Remonstranten te Amsterdam; maar werd door den zelven bondig wederlegd. Deèze Doctor storf te Amsterdam in 't jaar 1687, korten tyd na dat hy met den Heer van Limburg een gesprek gehouden hadt, en dat gesprek gedrukt was.

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie #1, #2, #3, #4, #5, #6,