Verplaatste bespreking [4] Steven Nadler, De ketterij van Spinoza

Enige jaren blogte ik op weblog.nl waarbij ik meerdere titels had. De webmasters ervan hebben de zaak ingrijpend gewijzigd - niet alleen gerestyled maar ook heel veel ouds gewist. Ik ben het meeste aldaar nu kwijtgeraakt. De dames en heren worden bedankt. De paar boekbesprekingen die nog overgebleven en te vinden zijn, red ik door ze naar hier te verplaatsten. Het is wel enige jaren oude stuff maar ik wil het niet kwijt. Hopelijk schoffelt blogse.nl niet ooit ook alles onder.

Spinoza’s vrijmakende ketterij
21 June 2008 By diogenes on 22:04

De ketterij waarop een cherem kwam die Spinoza volledig vrij maakte om zich geheel te wijden aan zijn filosofie.

Steven Nadler, De ketterij van Spinoza. Onsterfelijkheid en het joodse denken, Uitg. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2008 [Oorspr. Spinoza's Heresy. Immortality and the Jewish Mind, Oxofd University Press, New York, 2001] ISBN 9789045014050, €19.90

Een boek dat enkel zou gaan over de strijd, binnen het christelijke en/of joodse geloof, over het al dan niet verplichte geloofsartikel over het voortbestaan van de ziel, al dan niet verenigd met het lichaam, zou ik niet zo makkelijk meer openslaan. Maar hier gaat het over Spinoza en die houdt mij nu al bijna een jaar dagelijks intensief bezig. Dus gaf ik mij deze dagen geheel over aan dit boek dat Nadler schreef na zijn veelgeprezen en schitterende biografie van Spinoza.
Wat mijn eigen overtuigingen betreft ben ik al vele, vele jaren voorbij aan deze kwesties. Maar indertijd, toen ik zo'n 19 jaar was, hielden deze vraagstukken mij indringend bezig. Nadler verwijst er in dit boek (op p. 260) naar hoe dit onderwerp – voortbestaan van de ziel – binnen het jodendom in beginsel geen onderwerp van geloof en wet was, maar van 'verhalen' en in het algemeen een 'vrije metafysische kwestie'; anders dan in het katholicisme dat op het vijfde concilie van Lateranen in 1513 van het voortbestaan van de ziel een geloofsartikel maakte. Hij vermeldt dat om aan te geven dat de vanuit het Iberisch schiereiland naar hier gevluchte joden wellicht een tik hadden meegekregen van dit geloof. Ik had, katholiek opgevoed en mij bevindend op een kleinseminarie (priesteropleiding), op mijn 18 tot 20e jaar zware worstelingen met vele leerstukken, maar juist vooral met dit: over het voortbestaan na de dood. Misschien hield het mij wel op dezelfde leeftijd zwaar bezig als waarop Spinoza ermee bezig was. En al worstelend mij losmakend, ging ook voor mij gelden wat broeder Tomàs Solano over dr. Prado en Spinoza getuigde aan de Spaanse inquisitie: "dat zij dus het geloof niet nodig hadden" (p.228). Ik ook niet.

Nadat ik het boek in één ruk uit had, las ik op de laatste bladzijden onder 'Conclusie': "Een verhaal zo rijk aan drama en fascinatie, vooral voor historici van de filosofie en het jodendom, als de verbanning van Baruch de Spinoza is haast niet te verzinnen - en gegeven de schaarste aan bewaard gebleven informatie is verzinnen het enige wat we kunnen doen." Maar daar doet professor Steven Nadler zijn prestatie zwaar tekort. Het zijn bepaald geen verzinsels die hij ons met dit boek voortovert. Dat zou het tot een filosofische roman maken en dat is dit erudiete betoog bepaald niet. Nadler probeert te achterhalen waarom de banvloek voor Spinoza in 1656 zo zwaar was, de zwaarste van de hele 17e eeuw in Holland.

En daar haalt hij alles voor uit de kast: de joodse theologische traditie, historische gegevens over het jodendom in het Amsterdam van de eerste helft van de 17e eeuw, filosofische analyse van Spinoza's teksten en argumentatieve discussie met andere, hedendaagse Spinoza-geleerden, en de theologische preoccupaties van de vier rabbijnen van de Amsterdamse joodse gemeente rond de jaren '50. Dat alles om te onderbouwen dat de extra zwaarte van de cherem gelegen moet zijn geweest in het feit dat Spinoza het voortbestaan van de ziel na de dood ontkende. Nadler brengt dat betoog buitengewoon overtuigend en maakt zijn stelling zo geloofwaardig dat het, wat mij betreft, wel als waar moet worden aangenomen.

Steven Nadler behandelt niet op zichzelf in een aparte beschouwing het ontstaan bij het joodse volk van het geloof in de onsterfelijkheid van de ziel, omdat het die nodig had om aan de behoefte aan rechtvaardigheid te voldoen. Maar verspreid door het boek komen daarvan wel elementen tevoorschijn. Daarvoor was nodig dat ooit in de latere wereld zou worden geoordeeld en recht gedaan aan de deugdzamen die zich aan de wet hadden gehouden, maar in hun leven weinig beloning hadden genoten, terwijl men wel moest meemaken hoe de slechteriken die zich aan god noch gebod hielden het vaak heel goed hadden. Als dat uiteindelijk niet goed zou komen door een belonende en straffende goddelijke rechter, wat had het dan voor zin om je aan Gods wet te houden? Daarvoor, voor de rechtvaardigheid en het probleem van het kwaad, werden dus al deze voorzieningen getroffen van: ziel, voortbestaan na de dood, oordeel, beloning in eeuwige gelukzaligheid en vergeldende eeuwige straf in de hel. Doorheen heel het boek blijkt dit wel de grote bekommernis waar het telkens weer om ging.

De eerste twee hoofdstukken zijn in grote lijnen een samenvatting van zijn Spinoza-biografie, met name het gebeuren rondom de cherem voor zover de informatie nodig is voor het betoog van dit boek. Daarin leest degene die de biografie kent, niets nieuws. Maar het is wel een nuttige recapitulatie.
Daarna krijgen we een hoofdstuk over wat de Tora en de Talmoed en geleerde uitleggers over deze onderwerpen (ziel, voortbestaan, beloning voor deugd etc.) hebben geleerd. Vervolgens wordt bij de belangrijkste filosofen, voornamelijk Mamonides en Gersonides, nagegaan wat die hierover hebben geschreven. Dat alles is voor wie weinig of niets weet van ‘quaestiones Judaicae’ toch wel redelijk goed te volgen.

Hier en ook in de rest van het boek blijkt hoe nuttig het is dat Nadler een heel duidelijk thema voor ogen heeft, zodat hij zich weet te bepreken tot wat daarvoor aan informatie nodig is. Heel wat ingewikkelder te volgen zou het zijn geweest als hij in bredere zin had willen nagaan welke ideexebn Spinoza mogelijk heeft geleerd van of ontleend aan joodse geleerden.

Moeilijker te volgen, grotere inspanning vergt het vijfde hoofdstuk, 'Eeuwigheid en onsterfelijkheid', waar Nadler in discussie gaat met vele andere Spinoza-kenners waarvan sommigen uit de bewering die Spinoza aan het eind van de Ethica doet [nl dat van degenen die zich bezig hebben gehouden met het via de rede en de intuïtie bereiken van adequate (dus eeuwige) kennis 'iets van de geest' eveneens eeuwig blijft] proberen een plaats in Spinoza's filosofie voor persoonlijke onsterfelijkheid te destilleren of construeren. Maar zij zijn daarvoor bij Nadler duidelijk aan het verkeerde adres. Hier debatteert hij op het scherpst van de snede met deskundigen en zullen vele 'leken' er wat meer moeite mee hebben om alles precies te volgen, maar met enige inspanning komt men een eind.

In het volgende hoofdstuk keert hij weer terug naar Spinoza en zijn leer over het leven naar de rede. Daarmee probeert hij de context aan te geven waartegen men pas de opmerking dat 'iets van de geest eeuwig blijft' kan begrijpen. Het is een buitengewoon sterk filosofisch hoofdstuk waarmee hij aantoont dat het toedichten van een persoonlijke onsterfelijkheid volstrekt niet past in Spinoza's filosofie. Hij is -  en terecht naar mijn mening – heel stellig door zelfs te beweren dat wie dat van die persoonlijke onsterfelijk bij Spinoza wil volhouden, helemaal niets van Spinoza's filosofie begrepen heeft.

Even sterk is het volgende, het 7e, weer meer historische hoofdstuk, 'Onsterfelijkheid aan de Amstel', waarin hij geloofwaardig maakt hoe als twee golven op elkaar inwerkten: enerzijds de rabbi's wat betreft hetgeen zij belangrijk vonden om theologisch te benadrukken in de Joodse leer (alle vier de rabbi's hadden in de jaren voorafgaande aan de cherem van 1656 geschreven over de onsterfelijkheid van de ziel en de rechtvaardige oordelen en beloning en straf in de latere wereld, waaruit wel bleek hoe belangrijk het onderwerp werd gevonden), anderzijds wat de leiders van de joodse gemeenschap politiek belangrijk vonden om aan de Amsterdamse autoriteit te laten merken: namelijk dat zijzelf bestuurlijk goed op hun gemeente konden passen en zorgen dat uit hun gelederen niemand dingen kon beweren die ook een gevaar vormden voor het christelijke geloof. Zo'n onderwerp was de ontkenning van het persoonlijk voortbestaan na de dood. Die twee golven versterkten de zwaarte van de cherem.

Een boek dat leest als een trein, dat even in het middendeel wat extra inspanning vergt, maar waarmee we een buitengewoon leerzaam en waardevol boek in handen kregen. Heerlijk om een betogend verhaal te lezen van iemand die weet wat hij te vertellen heeft en die de touwtjes van z'n betoog goed in handen houdt. Het is heel afwisselend gecomponeerd. Biografische, historische, theologische en filosofische teksten wisselen elkaar af. We krijgen zelfs een routebeschrijving naar de joodse begraafplaats in Ouderkerk. Een schilderij van Jacob van Ruisdael van deze begraafplaats dat ongeveer een jaar voor de cherem is geschilderd, prijkt op de omslag. Voor Nadler heerst er op dat schilderij 'een sfeer van verlatenheid en spirituele kracht'.

Een foutje?
Als taak voor mezelf heb ik opgepakt om nog eens na te gaan of de term 'persoon' (waarvan Nadler vanaf p. 184 gebruik maakt) eigenlijk wel bij Spinoza voorkomt.
Voor Nadler (of voor de vertaler) heb ik ook een taakje. Volgens mij moet er nog eens naar het volgende gekeken worden. Op blz 94, in het hoofdstuk waarin materiaal uit de joodse traditie wordt aangereikt, staat dat volgens sommige opvattingen de ziel drieledig is: ze bestaat uit nefesj, ruach en nesjama. Nefesj (de ziel die groei en voeding beheerst) is verantwoordelijk voor de eetlust en de elementaire lichamelijke en zintuiglijke functies. Ruach is de dierlijke ziel en is verbonden met dierlijke emotie en menselijke passie. Nesjama is het intellect, de drager van onze hogere kenvermogens.
Vanaf p. 113 echter (bij de Aristotelische Maimonides en ook op p. 126) is de betekenis van de termen precies omgekeerd. Hier is nesjama als bezieling van de lichaamsfuncties met het lichaam verbonden en is nefesj het rationele deel van de ziel. Deze omkering wordt niet toegelicht. Er wordt zelfs helemaal niets over gezegd, zodat ik de indruk heb dat er misschien ergens een fout is gemaakt. Dit vraagt om een oplossing.

Ik vind het in zijn geheel een schitterend boek en ben blij dat de uitgever het na zeven jaren toch heeft laten vertalen.

Zie hier een bespreking van Spinoza's Heresy door Joseph Chuman