Tractatus de Intellectus Emendatione doordesemd van parallellisme

Vanwege het feit dat we nog steeds geen goed alternatief hebben om hetgeen Spinoza in Ethica 2/7 betoogt kort aan te duiden:

Ordo et connexio idearum idem est ac ordo et connexio rerum.

De orde en het verband tussen de ideeën zijn dezelfde als de orde en het verband tussen de dingen. (vertalingen Henri Krop]

blijf ook ik de term parallellisme maar gebruiken, bij gebrek aan een betere. Velen vinden het de meest centrale stelling van de Ethica (voor anderen is dat propositie 3/7 over de conatus). Waar het me hier om gaat is dat er in de secundaire Spinoza-literatuur veel gezegd (geklaagd) is over het feit dat Spinoza in het bewijs hiervan zo kort is: hij verwijst slechts naar het vierde axioma van het eerste deel en volstaat daarmee:

Patet ex axiomate 4 partis I. Nam cujuscunque causati idea a cognitione causae cujus est effectus, dependet.

Dit volgt uit axioma 4 van deel I, want de idee van een gevolg hangt af van de kennis van de oorzaak, waarvan het een gevolg is.

Dat axioma luidt:
Effectus cognitio a cognitione causae dependet et eandem involvit.

De kennis van een gevolg hangt af van de kennis van de oorzaak en sluit die in.

Ik heb zelfs wel ergens gelezen dat Spinoza het eenvoudig stelt, a.h.w. zomaar uit de lucht laat vallen, zonder het gedegen te onderbouwen. Dan zou de belangrijkste stelling van de Ethica een ‘bruut feit’ zijn? Dat is toch wel heel ongeloofwaardig.

Ik kan hier niet ontkennen dát Spinoza hierover heel kortaf is. Maar ik denk dat dat komt doordat het voor hem zó vanzelfsprekend is, dat hij er wellicht vanuit gaat dat het voor iedereen vanzelfsprekend is. En dat hij het misschien daarom als zelf eigenlijk een axioma behandelt.

Dat het voor hem (intussen) zo vanzelfsprekend is geworden, leid ik af aan hoe hij hiermee omgaat in zijn eerste werk, zijn jeugdwerk Tractatus de Intellectus Emendatione. Dat staat bol van dit beginsel, hetgeen ik in dit blog wil laten zien.

Ten tijde van het schrijven van de TIE en de KV was hij nog niet doordrongen van de volstrekte causale en conceptuele gescheidenheid der attributen, zoals die in de Ethica blijkt. Zo was in het tweede Aanhangzel van de Korte Verhandeling dat handelt “Van de menschelijke ziel”, te lezen:

Om nu te verstaan hoedanig deze wijzing zij die wij ziel noemen en hoe hij zijn oorsprong van het lichaam heeft en ook hoe zijne verandering (alleen) afhangt van het lichaam ('t welk bij mij is de vereeniginge van ziel en lichaam), zo moet aangemerkt worden: [etc. onderstreping door mij en iets verderop:]

Nu dan aangezien de Idea voortkomt vande wezentlijkheid [bestaan] des voorwerps, zoo moet dan ook het voorwerp veranderende of vernietigende, de zelve Idea na graden veranderen of vernietigen. En dit zo zijnde, zo is zij dat geen 't welk vereenigt is met het voorwerp.

Zo schrijft hij in de TIE §71

“Veronderstel dat het verstand iets nieuws waarneemt dat nooit bestaan heeft, zoals sommigen menen dat Gods verstand deed voor hij de dingen schiep (welke voorstelling dan toch in geen enkel object haar oorsprong gehad kan hebben), en dat uit een dergelijke perceptie andere percepties op correcte wijze afgeleid worden; dan zouden al die gedachten waar zijn, hoewel ze door geen enkel uitwendig object bepaald zijn maar uitsluitend van de kracht en de natuur van het verstand afhangen. En dat is de reden waarom de vorm van een ware gedachte in het denken zelf moet worden gezocht en uit de aard van het verstand moet worden afgeleid.”[cursief van mij]

Kortom, nog geen 100% causale en conceptuele gescheidenheid, maar wél parallellisme.

Van de overtuiging van het gelijk opgaan in de natuur van (het ontstaan der) dingen en de ideeën erover, dat is: de kennis ervan, kortom van het parallellisme, staat de TIE bol.

In § 38, waarin hij betoogt dat de methode niets anders is dan reflexieve kennis, d.w.z. een idee van een idee hebben, gaat hij als volgt verder:

“Voorts, aangezien de verhouding die er tussen twee ideeën bestaat dezelfde is als die tussen de formele essenties van diezelfde ideeën, zal de reflexieve kennis van het idee van het meest volmaakte zijnde, voortreffelijker zijn dan de reflexieve kennis van alle andere ideeën. Met andere woorden: die methode zal het meest volmaakt zijn die met het gegeven idee van het meest volmaakte zijnde als norm laat zien hoe men de geest moet sturen.”

Het gaat mij niet om de hoofdlijn van zijn betoog, maar om de tussenstelling waarop hij zijn redenering baseert: n.l. dat “de verhouding die er tussen twee ideeën bestaat dezelfde is als die tussen de formele essenties [objecten/dingen] van diezelfde ideeën.” Dit is je reinste ‘parallellisme’. We komen het voortdurend tegen, bijvoorbeeld in

§41 Voeg daar aan toe dat een idee objectief al datgene is wat het object van dat idee in werkelijkheid is. Als er derhalve in de natuur iets zou zijn dat in geen enkele wisselwerking staat met andere dingen, dan zou ook - gegeven het feit dat de objectieve essentie overeenkomt met de formele essentie - zijn objectieve essentie in geen enkele wisselwerkingp staan met enig ander idee, dat wil zeggen, we zouden daaruit niets kunnen concluderen. Als we daarentegen dingen begrijpen die wel in wisselwerking staan met andere dingen zoals het geval is met alle dingen die in de natuur bestaan dan zullen hun objectieve essenties ook met elkaar in verbinding staan. En zo zal men daaruit dus ook andere ideeën kunnen afleiden, die op hun beurt relaties hebben met weer andere ideeën en allengs zullen de instrumenten die we nodig hebben om verder te gaan steeds toenemen.' En dat was wat wij wilden demonstreren.

Ook hier gaat het me weer niet om de hoofdlijn van het betoog maar om de expliciete veronderstelling waarop ’t betoog gebaseerd is. Ook hier weer het uitdrukkelijke parallellisme van de dingen zoals ze zich in de natuur ontwikkelen en de ideeën (objectieve essenties) ervan. Het “in wisselwerking staan” wordt in noot p nog eens nader uitgelegd: “In wisselwerking staan met andere dingen betekent voortgebracht worden door andere dingen dan wel andere dingen voortbrengen.”

42 “Uit dit laatste namelijk, dat een idee volledig overeen moet komen met de formele essentie waarop het betrekking heeft blijkt voorts opnieuw dat als onze geest het patroon van de natuur wil volgen, alle ideeën gevormd moeten worden met als uitgangspunt het idee dat betrekking heeft op de eerste oorsprong van de natuur, aangezien dat dan tevens de eerste oorsprong is van alle overige ideeën.” [cursief van mij]

Dit is waar Spinoza op hamert: onze geest moet bij het ontwikkelen van ideeën “het patroon van de natuur volgen.” Ook hier is het parallellisme tussen natuur en ideeën het vanzelfsprekende uitgangspunt. Als het niet zo was, zou de natuur volkomen on-intelligibel zijn, maar intelligibiliteit is waar Spinoza van uitgaat. Zoals Spinoza ook aan het eind van §46 nog eens benadrukt: “als men bereid is de orde te overwegen die we bij het bewijzen aanhouden [en dat is dus: de orde van de natuur aanhouden], men zich ervan kan verzekeren dat wij de waarheid op het spoor zijn gekomen. “

Ik zou nog meer passages kunnen aanhalen, maar ga tenslotte over naar de passage waarin naar mijn indruk het parallellisme het sterkst wordt uitgedrukt, te weten de §§ 91 en 92 waarin hij overgaat naar het tweede deel van zijn methode [het maken van goede definities].

91 Om dan eindelijk aan het tweede deel van de methode toe te komen, geef ik eerst aan wat ons doel is met deze methode, en vervolgens welke wegen er zijn om dit doel te bereiken.e Het doel dan is om heldere en welonderscheiden ideeën te hebben, en wel zulke als uit de zuivere geest voortkomen en niet uit de toevallige bewegingen van het lichaam [waaruit de imaginatio voortkomt]. Vervolgens trachten we, teneinde alle ideeën tot één te herleiden, deze zodanig met elkaar te verbinden dat onze geest, voor zover dat mogelijk is, de natuur zoals die is objectief weergeeft, zowel in haar geheel als in haar afzonderlijke delen.

Zie hoe hier weer op het parallellisme wordt gehamerd: onze geest moet voorzover mogelijk de natuur zoals hij is objectief weergeven. De laatste zin van deze paragraaf geef ik ook even in Spinoza’s Latijn, daar we hier de termen concatenare et ordinare tegenkomen, zoals we ze terug zien komen als ordo et connexio in Ethica 2/7 :

Deinde, omnes ideae ad unam ut redigantur, conabimur eas tali modo concatenare et ordinare, ut mens nostra, quoad ejus fieri potest, referat objective formalitatem Naturae, quoad totam et quoad ejus partes.

92 Wat het eerste betreft is het, zoals we al aangegeven hebben, voor ons uiteindelijke doel nodig om de dingen, ofwel alleen door hun essentie ofwel door hun naaste oorzaak te denken. Als namelijk een ding op zichzelf bestaat, of, zoals men gewoonlijk zegt, oorzaak van zichzelf is, dan moet het enkel door zijn essentie begrepen worden; maar als een ding niet op zichzelf bestaat maar een oorzaak nodig heeft om te bestaan, dan moet het door zijn naaste oorzaak begrepen worden. Immers, de kennis van een gevolg is in werkelijkheid niets anders dan het verwerven van een meer volmaakte kennis van zijn oorzaak!

Ook deze paragraaf nam ik nog even mee, daar we hier aan het slot weer – in iets andere bewoording – het axioma tegenkomen [1/ax4] waaruit in de Ethica 2/7 bewezen wordt geacht. Ook hier speelt dit axioma, zoals ik eerder al liet zien, eenzelfde rol.

Waar het mij om ging is, als je er goed op let kom je door een groot deel van het betoog in de TIE het beginsel tegen dat in de Ethica zo’n centraal beginsel is. Goed beschouwd wordt er in de TIE meer uitleg over gegeven. Misschien is dat de reden, waarom het voor Spinoza zo’n bijna vanzelfsprekend uitgangspunt is geworden, dat hij er in de Ethica a.h.w. achteloos naar kan verwijzen.

De hele TIE gaat er goed beschouwd over hoe we noodzakelijk dienen te bereiken dat als het gaat om het begrijpen van de dingen zoals ze werkelijk in de natuur bestaan [circa entia physica et realia] we hun essentie of naaste oorzaak moeten kennen:

De reden is dat we de eigenschappen van de dingen niet begrijpen zolang we hun essenties niet kennen. Kennen we deze niet dan zette we dus de orde van de gedachten van het verstand, die de orde van de natuur moet weergeven op zijn kop, en zullen we nog verder van ons doel afdwalen.

nimirum, quia proprietates rerum non intelliguntur, quamdiu earum essentiae ignorantur; si autem has praetermittimus, necessario concatenationem intellectus, quae Naturae concatenationem referre debet, pervertemus et a nostro scopo prorsus aberrabimus. [slot §95]

___________

Voor de Ethica maakte ik gebruik van de vertaling van Henri Krop.

Voor de TIE van de vertaling van Theo Verbeek.  

Reacties

Weer gedegen speurwerk en een mooie rol als initiator van discussies over interpretaties van Spinoza.

Ik ben bang dat de ideeën en het parallellisme van de TIE niet dezelfde zijn als de ideeën en et parallellisme van de KV en de Ethica.
In de TIE gaat het om ideeën die de menselijke geest vormt van 'de natuur'. Deze ideeën moeten 'het patroon van de natuur' volgen, als een ideaal. Het is iets waar de menselijke geest naar zou moeten streven, het is niet iets dat zonder meer geldt voor ideeën van de menselijke geest.
In de Ethica (2/7, 2/7c, 2/7s) gaat het om andere ideeën, om ideeën die verbonden zijn met de dingen (de 'geest' van de dingen). Alleen van die ideeën kan Spinoza met stelligheid zeggen dat ze dezelfde orde en hetzelfde verband hebben als de dingen (waarmee ze zijn verbonden).
We vinden beide vormen aan het slot van 2/7c:

"zodat, zolang we de dingen beschouwen als wijzen van denken, we de hele orde van de natuur, ofwel de aaneenschakeling van oorzaken, moeten verklaren door het attribuut van het Denken, en, voor zover men ze beschouwt als wijzen van Uitgebreidheid, de hele orde van de natuur eveneens verklaard moet worden door alleen het attribuut Uitgebreidheid.'

Enerzijds is er de orde van de natuur, die bezien kan worden als een ordening van ideeën of als een ordening van dingen. Dat maakt niet uit, de ordening van de ideeën is dezelfde als de ordening van de dingen waar ze mee zijn verbonden. Dat is het parallellisme van de Ethica.
Daarnaast is er de beschouwende geest die de orde van de natuur beschouwt, ofwel onder het opzicht van denken, ofwel onder het opzicht van uitgebreidheid. Beide geven dezelfde ordening en hetzelfde verband (parallellisme Ethica). De beschouwende geest wil zich een waar beeld vormen van deze ordening in de natuur, hij wil 'het patroon van de natuur volgen'. Dat is het parallellisme van de TIE.

Helemaal eens met je hele beschouwing, Henk. Het verschil zoals jij beschrijft ís er en komt ook binnen de Ethica terug, als Spinoza overgaat tot het bespreken van onze manieren van kennen. Ook daar is zijn 'uitkomst' of 'aanbeveling' dat we ons kennen in overeenstemming brengen met hoe het kenbare in werkelijkheid - in de werkelijke orde der natuur - is ontstaan. Wat ik heb proberen te betogen, dat ín het betoog van de TIE op de achtergrond (en niet eens zo erg verstopt) dezelfde overtuiging meespeelt die zijn verwoording vindt in 2/7 e.v. Dit heb ik uit het TIE-betoog willen opdiepen. Ook daar al is (uiteraard) de ordening van de ideeën dezelfde als de ordening van de dingen waar ze mee zijn verbonden. Vandaar de aanbeveling dat we die "orde van de natuur" trachten te achterhalen.
We hoeven het, denk ik, Henk, hierover niet oneens te zijn.

Misschien toch wel een klein beetje, Stan. In de TIE komt het parallellisme van E2/7, E2/7c en E2/7s in het geheel niet aan bod, voor zover ik weet ook niet op de achtergrond.

Ik ga niet proberen je te overtuigen, Henk. Als je het niet ziet, moet ik dat accepteren. Maar hoezo: de orde van de natuur aanhouden? Als dit de orde van 2/7 niet is? En het staat er nauwelijks op de achtergrond, maar uitdrukkelijk geformuleerd: dat “de verhouding die er tussen twee ideeën bestaat dezelfde is als die tussen de formele essenties [objecten/dingen] van diezelfde ideeën.” [In § 38] Zie je ook 1/ax4 niet al aanwezig?

Het parallellisme in de TIE is een ander parallellisme dan dat in de Ethica (2/7, 2/7c, 2/7s). Dat is het belangrijkste punt en daarover zijn we het eens. Dat is een correctie of zo je wilt aanvulling op je blog. We zijn het er waarschijnlijk ook over eens dat er geen directe relatie is tussen de twee. Jij meent dat de TIE op een of twee punten preludeert op het parallellisme in de Ethica. Daar denk ik anders over. Daar kunnen we toch mee leven? Discussie over deze twee ondergeschikte punten zou het hoofdpunt uit het zicht doen raken: dat het parallellisme in de TIE een ander parallellisme is dan dat in de Ethica.

PS: inderdaad is de orde van de natuur (TIE) de orde van E2/7, maar daarbij blijft het parallel zijn van ideeën en dingen binnen de natuur volledig buiten beeld.

Henk,
Dingen en onze voorstellingen ervan zijn verbonden. Voor Spinoza is dat evident. Parallellisme is geen goed woord daarvoor. Wisselwerking is veel beter. Hoe dat verband het emotioneel aangedaan zijn via onze gevoelens wisselwerkt wordt uitgelegd in Ethica 3 en 4. Maar het gaat erom dat verband eerst objectief natuurkundig te begrijpen. In Ethica 1 en 2 geeft hij daar een verstandelijke handleiding, een methodische kennisleer, voor hoe dat natuurwetmatig lichamelijk geordend zit en door ons in onderscheiden denkwijzen uitgedrukt wordt.
In Ethica 5 geeft hij aan hoe we naar ons lichamelijke vermogen en naar ons geestelijk vermogen, ons verenigd verstandelijk leven, toch adequaat kunnen handelen. De kennis van de werking van de natuur moet dan ons mentale richtsnoer zijn en niet de ‘toevallige’ emotionele aandoeningen die we nooit echt in de hand hebben. Redelijke of wetenschappelijke kennis is in zijn begrip dan objectieve kennis naar ons begrip van natuurwetten, die telt voor elk ding en voor ons mensen hetzelfde, gelijk, gelijkwaardig.
Grofweg kun je zeggen de TIE is het reflexieve programma dat in de KV, in God is de Natuur, zijn wisselwerking krijgt. Deze natuurwetmatige werkende factor naar de kenmerkende eigenschappen van de dingen, waar hij in de TIE al van spreekt en ter verbetering van het verstand naar op zoek is, wordt in de Ethica daarom in wiskundige trant uiteengezet. Het is onderricht aan en in samenspraak met zijn Spinozakring.

Leerzaam, die dialoog van jullie. Het gaat mijn interesse te buiten. Ik reageer 'spontaan' (terwijl ik helemaal niet zo spontaneus ben) Waarom zou een 'bruut feit' van minder allooi zijn dan een fijnzinnige gedachte ? Metafysica is een hopeloze 'activiteit'; ik neig tot het verheerlijken van het activisme, terwijl ik een echte dromer ben...(Wat nut ons...etc.) Toch houdt mij dat godsbeeld van de Spinozas en hun opvolgers een beetje bezig omdat het (de vraag) blijft kietelen. Maar het gaat toch om de vruchten...Aan de vruchten kent men de boom.

Dank Aris en Bas voor jullie reacties binnen deze discussie. Sympathiek. Bas kan ik als gewoonlijk moeilijk volgen en Aris geeft aan dat het onderwerp eigenlijk buiten zijn interessegebied ligt. (Een 'bruut feit' is een feit waarvoor geen verklaring wordt gegeven). Maar toch, het helpt om het gevoel van de eenzame fietser te verdrijven.

Jammer Henk voor de discussie dat je niet zegt waarin je me niet kan volgen. Mijn woordgebruik is niet zo moeilijk. De afgelopen tijd konden wij jullie meningsverschillen niet meer volgen, juist omdat ze zo omstandig werden verwoord. Nu dreigt hetzelfde te gebeuren ondanks dat de toon wat vriendelijker lijkt. Jullie blijven zo eenzame fietsers op een verschillend fietspad die in herhaling vervallen.

Bas, het zit niet in het woordgebruik, maar in de aansluiting op dat wat in discussie is. Het lijkt vaak of je met een algemeen verhaal komt dat niet echt aan de orde is (en dat ik bovendien moeilijk kan volgen).

Henk die algemene natuurlijke context die ik naar Spinoza's geschriften weergeef, waarbinnen Spinoza zelf het causale (oorzakelijk) wisselwerkend verband tussen de concrete dingen en de voorstellingen die we ons er van vormen voortdurend legt, ontgaat je?

Bas, één vindplaats voor dat "causale wisselwerkend verband tussen de concrete dingen en de voorstellingen die we ons er van vormen" dat volgens jou Spinoza "voortdurend legt" - één tekstje maar - niet van jou, maar van Spinoza.

Akkoord dat het parallellisme van de attributen in de TIE nog niet aan bod komt, maar de TIE gaat er wel van uit dat de Natuur door de mens kan gekend worden zoals de Natuur in werkelijkheid is. Dat is niet vanzelfsprekend. Het is een axioma, een niet te bewijzen stelling. Na kennisname van de volledige metafysica zoals uitgewerkt in de Ethica lijkt het misschien een bewezen stelling, maar het bewijs steunt op andere axioma's die op hun beurt niet te bewijzen zijn.

Prima, Mark, je slaat de spijker op z'n kop: de TIE gaat er van uit dat de Natuur door de mens gekend kan worden zoals de Natuur in werkelijkheid is. Als een achtergrondvooronderstelling zit de intelligibiliteitsthese duidelijk in de TIE. Dat bedoelde ik met dat de TIE doordesemd is van parallellisme: de natuur der dingen en de ideeën ervan (de erin geïnvesteerde kennis) gaan samen op.

Stan, Spinoza gaat uit van oorzakelijk gepaarde (causaal naar oorzaak en gevolg werkende) verbanden die wij als natuurlijk geopenbaard in de dingen zelf intuïtief herkennen en wiskundig als natuurwetmatig gedrag willen leren formuleren. Neem stelling 15 van de Ethica deel 1.
"Waar nu evenwel de Natuur geen ledig kan bestaan (waarover elders), waar alle delen zodanig moeten samenwerken dat er geen ledig worde gevormd, volgt hieruit ook dat deze delen niet werkelijk kunnen worden gescheiden, d.w.z. dat de lichamelijke substantie voor zover zij substantie is niet kan worden verdeeld."
Berg en dal kunnen zonder elkaar niet bestaan en zijn alleen met elkaar adequaat denkbaar, geeft hij ook ergens in een brief als voorbeeld, wil het geen onzin of verzinsel worden. Het wisselwerkende natuurkundige weerbericht veroorzaakt door de natuurnoodwendig opstijgende en vallende deeltjes waterstof in berg en dal kan je zelf wel verzinnen Stan. Het heet bij Spinoza dan de voorstelling van zaken, naar de wisselwerkende natuurverschijnselen, oorzaak en gevolg naar ons redelijke verstand weergeven. Vandaar dat Spinoza de wonderen in de Bijbel niet serieus neemt en dat boek al een niet wetenschappelijk boek beschouwd. De schrijvers trekken onjuiste correlaties die in natuurkundig causaal verband niet mogelijk zijn.
Spinoza volgt een andere methode de bewijstrant die in de wiskunde gebruikelijk was (en is), die van betere wiskundigen uit zijn tijd. Wat wil je nog meer Mark. Natuurlijk de wetenschappelijke kennis van de (wissel)werkende natuur en ons stofwisselende hersenwerk is nu veel uitgebreider maar berust nog steeds op die causaal werkende principes. Voor het overige wil ik verwijzen naar het aanhangsel bij E1: wat sommige mensen beweren uit onwetendheid over degenen, die de ware oorzaken van de natuurverschijnselen naspeurt en als een denkend wezen wil begrijpen in plaats ze als een dwaas aan te gapen – tot eind (vrij naar Spinoza) en de belangrijke st. 13 van E2 .

Stan, ik wil de zaak toch even op scherp zetten omdat ik het gevoel heb dat het me door de vingers glipt (gezien je laatste reactie). De stelling die ik inbreng is dat wat jij het 'parallellisme' noemt in de TIE heel wat anders is dan het parallellisme van E2/7 en daar niets mee te maken heeft, zoiets als een blaffende hond en het sterrenbeeld hond. De dubbelzijdigheid van de natuur is in de TIE volledig buiten beeld, misschien had Spinoza die toen nog niet eens bedacht. Ik zeg dus in feite ook dat de titel van je blog misplaatst en misleidend is. Ik neem aan dat je je in de stelling in deze extreme vorm niet kunt vinden, maar dat is wat ik feitelijk inbreng. Ieder doet daar maar mee wat hij wil.

Ik denk ook dat Spinoza het parallellisme tussen de attributen nog niet bedacht had in de TIE, maar de kenbaarheid van de wereld door de mens (die wel al in de TIE aanwezig was) is een eerste stap naar het parallellisme van de Ethica. De mens denkt, dus er bestaan ideeën. Die ideeën kunnen waar zijn, dwz ze komen overeen met de dingen. Aangezien er echter maar één substantie bestaat, moeten dingen en ideeën beide bestaansvormen zijn van diezelfde substantie.

Dat "de dubbelzijdigheid van de natuur" in de TIE volledig IN beeld is, heb ik in dit blog willen laten zien. Waarom zou anders "het patroon of de orde van de natuur volgen” zo belangrijk zijn als die 'koppeling' van dingen en ideeën niet (minstens impliciet) meegedacht is? Ik laat ook zien dat het zo impliciet niet is. Ik blijf volledig achter de titel van mijn blog staan - die is verre van "misplaatst en misleidend". Wie het niet wil zien, kan ik niet over de streep halen. Volgens mij is Spinoza van dit zgn. "parallellisme" altijd al uitgegaan en van de waarheid ervan overtuigd geweest en is alleen de volledige causale en conceptuele gescheidenheid en onafhankelijkheid van de attributen iets dat later bij hem opkwam, waardoor ook de noodzaak ontstond 2/7 nu uitdrukkelijk te FORMULEREN (waar hij er eerder altijd impliciet van uitging). Dát betrof voor hem geen nieuwe gedachte, maar iets waar hij altijd al van uit was gegaan: anders zou er immers helemaal geen ware kennis en wetenschap kunnen zijn. Zo uitdrukkelijk als in de Ethica had hij het in de TIE nog niet geformuleerd. Het hóórde daar ook niet (het hoorde in de filosofie), maar dat wil niet zeggen dat hij er nog niet al van uitging. Voor mij druipt die visie er langs alle kanten vanaf en daar ging dit blog over.

Ik wilde met dit blog inspelen op de afscheidslezing die Piet Steenbakkers vanmiddag gaat geven: "Spinoza, de legenden voorbij". Ik wil de legende dat in de TIE het parallellisme nog niet aan de orde zou zijn onderuit halen. Wat mij betreft geldt alleen dat in de TIE (en de KV) de volledige gescheidenheid der attributen nog niet bedacht was, maar het parallellisme altijd al wel meespeelde. Wie dat ontkent, doet aan legendevorming.

Stan, dan staan we nu weer lijnrecht tegenover elkaar. Ik ga daar niet meer over argumenteren. Denk eens na over: het parallellisme bestond al impliciet, maar de gescheidenheid van de attributen moest nog bedacht worden. Jij begrijpt dat waarschijnlijk wel.

Vraag trouwens Piet Steenbakkers maar eens om zijn oordeel hierover.

Ha, ha, ha (over dat laatste @ 14:48). En ja, dat van @ 14:32 vind ik volkomen te begrijpen. Lees alles desnoods rustig nog eens terug. Maar ik heb er geen enkele moeite met de constatering dat we weer lijnrecht tegenover elkaar. Daarom kunnen we er beter weer mee stoppen.

Waarom 'ha, ha, ha'? Misschien wil hij je bij gelegenheid van zijn afscheid dat plezier wel doen. Maar ik zou ook niet gerust zijn op zijn oordeel (of van wie dan ook).
Ik vind dat je in zo'n laatste jaar grote ketsers maakt.

Jullie hebben het slechts over een parallel verband en begrijpen niet dat Spinoza een wiskundige terminologie al in de KV naar evenredigheid en omgekeerde evenredigheid gebruikt om natuurkundig hitte en kou uit bewegingswetten te verklaren bijvoorbeeld en hoe we dat verschil in werking voelen (KV over de menselijke geest).
Het is lesstof, die hij In de Ethica in strengere wiskundige trant hier en daar verbeterd herhaald. We kunnen die causale schommelingen(graden van beweging) als we het juiste evenredige verband tussen oorzaak en gevolgen als veranderingen in het natuurlijk evenwicht opvatten. We kunnen er dan natuurverschijnselen mee naar de wisselwerkende causale natuurlijke oorzaak verklaren. De natuurwetten werken ook in ons via materiële stofwisseling. Wij drukken dat met onze dekwijzen uit. Rationeel naar de rede (oorzakelijk) benaderen dan het beste de werkelijkheid. In de Ethica heet dat geen waar geloof meer, maar evenals in de TIE ware kennis naar wetenschappelijk bewijs begrepen.
Hier hoeft niet zo'n treurig meningsverschil over te ontstaan.

God is de natuur ofwel werkt natuurwetmatig is de constant terugkerende factor in Spinoza's betoog. We herkennen dat natuurlijk gedrag soms intuïtief bij ons zelf, omdat we er ons bewust van zijn van die constante wisselwerking en dus als natuurlijke werking in ons lichaam, voor ons gevoel kloppend werkt. Maar meestal worden we ons daar pas achteraf van bewust, omdat het sluimerende gedachten zijn die nog geen voorstelling van zaken geven waarmee we ons taalkundig goed mee kunnen uitdrukken, of laat staan dat we die wiskundig kunnen formuleren. Pas dan klopt het echt voor ons, maar de natuur zelf heeft geen oordeel over over goed en slecht. Ze werkt altijd goddelijk naar haar eigen natuurwetten. Spinoza werd in die zin als radicaal en als atheïst beschouwd. We zien hem nog te weinig als wetenschapsfilosoof die als eerste een moderne kennisleer formuleerde.