Tobsha Learner’s 'De vlucht' – vol van Spinoza!

Tobsha Learner: De vlucht. Liefde en spiritualiteit in het zeventiende-eeuwse Amsterdam. Arena, Amsterdam, 2008 [ISBN 9789069749815 - € 19,95 -oorspr. The Witch of Cologne, 2003] Over een joodse vroedvrouw uit Keulen, dochter van een rabbijn, die in 1665 wordt aangeklaagd wegens hekserij en… die vol van Spinoza is!

Dat ik ooit nog eens zo’n boek zou lezen had ik niet gedacht. Zo’n spannend boek dat je niet kunt wegleggen en dat je snel doorleest omdat je wilt weten hoe het de hoofdpersonen verder zal gaan. Een echte pageturner, kortom, dit boek over een wereld en een verhaal waar je helemaal ingezogen wordt. Zo’n boek, nogmaals, dat ik sinds mijn jeugd niet meer oppakte, daar ik spannende fictie eigenlijk als ‘zonde van mijn tijd’ beschouw – een gevoel dat groeit met het ouder worden, waardoor ik mij, terwijl ik altijd veel gelezen heb, nauwelijks nog aan literatuur zet.

Maar dit werd de uitzondering. Ik ging ernaar op zoek, toen ik ontdekte via een bericht over weer een recenter boek van Tobsha Learner, dat Spinoza en zijn vrienden een rol zouden spelen in The Witch of Cologne (2003). Dat maakte mij uiteraard nieuwsgierig naar dat boek. Het bleek in 2008 bij Arena als De vlucht te zijn vertaald. Ik kon er een exemplaar van op de kop tikken. En daar begon een spannende historische roman met echte en verzonnen personages die speelt in de zeventiende eeuw; tussen ca 1656 en 1683. Die eerste datum krijgen we niet maar is af te leiden uit het gegeven dat toen ze Dirk Kerckrinck ontmoete deze 18 jaar was (als je dan kunt vinden dat die geboren is in 1638…). Ja, inderdaad we ontmoeten Spinoza, Dirk Kerckrink, Franciscus van den Enden en horen over Johan de Witt.

Het verhaal van ruim 500 bladzijden is nauwelijks in het kort na te vertellen. De belangrijkste hoofdpersoon is Ruth Bas Elazar Saul, dochter van een Duitse rabbijn die getrouwd is met een Sefardische dochter van de rijke familie Navarra die uit Spanje is moeten vluchten en in Amsterdam terecht kwam. De rabbijn en zijn vrouw vinden een bestaan in het joodse getto bij Keulen. Hun dochter Ruth is van kleinsafaan door haar moeder met kabbalistische gebruiken opgevoed, waarin met name bij geboorten de angst speelt voor Lilith, de moeder van de duivel, die met amuletten en kabbalistische spreuken moet worden afgeweerd. Haar moeder die bij een geboorte mét haar baby overlijdt, wat een gigantische indruk op het jonge meisje maakt, laat haar een fraaie Sefardische uitgave van de Zohar na die haar kindermeisje haar overhandigt nadat ze gemenstrueerd heeft en huwbaar is geworden. Ze begint aan een geheime zelfstudie uit dat boek dat wel gezien wordt als de ‘bijbel’ van de kabbala. Om aan een gearrangeerd huwelijk te ontkomen vlucht ze naar Amsterdam, waar ze, vermomd als jongen in contact komt met Dirk Kerckrinck en via hem belandt ze op de Latijnse school van Franciscus van den Enden, waar ze ook Benedictus de Spinoza leert kennen. Ze leert er medicijnen, vooral via de studieboeken van Kerkckrinck en gaat helemaal op in de scientia nova. Later (ze trekt zich terug om Kerckrinck die verliefd op haar werd haar niet te laten overweldigen) terug in het getto bij Keulen, wordt ze een goede vroedvrouw. Maar voor de zekerheid – van oude angsten ben je niet zomaar af – blijft ze ook de kabbalistische gebruiken inzetten, waardoor ze wordt aangeklaagd als heks.
Een mooi Spinozistisch thema is wel op meerdere plaatsen in het boek: ook al sta je open voor nieuwe ideeën en methoden, je oude overtuigingen en gewoonten kun je niet zomaar naast je neerleggen.  

Ze wordt fanatiek vervolgd door de inquisiteur, wiens haat naar haar vooral persoonlijk is daar hij eertijds in Spanje is afgewezen door de moeder van Ruth toen die nog een mooi jong meisje was, waaraan hij als frater viola da Gamba-les gaf en die hij in bezit had willen nemen. Hij was het die daarna de familie Navarra aanklaagde dat ze als converso’s joods waren gebleven, waardoor de familie Spanje moest ontvluchten. Maar nog steeds wil hij wraak nemen op die afwijzing door nu - met de legitimatie van de inquisiteur - als in een persoonlijke vendetta achter de dochter aan te zitten. Het boek zit vol illustraties van de samenhang tussen wraakzuchtig fanatisme en diepe haat. Het boek zit verder vol gettoleven, pogroms, hofleven, veel seks, foltering… een veelheid aan gebeurtenissen, die alle cirkelen rondom Ruth.

          

De tweede hoofdpersoon is de jonge katholieke edelman Detlef von Tennen, kanunnik, neef van de aartsbisschop van Keulen, die als tweede zoon in zijn adellijke familie dan maar moest ‘kiezen’ voor een kerkelijke carrière. Hij wordt gefascineerd door en uiteindelijk uiteraard verliefd op de als heks beschuldigde vroedvrouw. Via intriges m.b.v. de keizerlijke ‘hofjood’ weet hij haar uit de handen van de inquisiteur te krijgen, terwijl die haar al flink met onderdompeltuig aan het folteren was. Hij wil haar vrij krijgen omdat ook hij al zelfstandig door het nieuwe denken was aangestoken. Op die basis vinden ze elkaar en ontstaat er een diepe liefde. Met hun liefdesbaby weten ze te vluchten naar Amsterdam, waar ze een bestaan weten op te bouwen, zij als vroedvrouw, hij als remonstrants dominee tot welke religie hij zich heeft bekeerd. Spinoza ontmoeten ze tijdens een halfjaarlijkse bijeenkomst van de collegianten in Rijnsburg.

Haar man overlijdt wanneer hun zoontje zes jaar is. Later wanneer zij zelf ziek is, komt Spinoza bij haar langs en regelt dat haar kind zal worden opgevoed en opgeleid door zijn drukker Jan Rieuwertsz. Twee jaar later woont ze met haar kind in Den Haag en overlijdt op dezelfde dag waarop de gebroeders de Witt worden vermoord. Het volksrumoer krijgen we uitgebreid via de waarnemingen van het kind beschreven. Als jongeman probeert hij een leven als dichter op te bouwen en vernemen we in een terugblik iets over zijn wederwaardigheden bij Rieuwertsz.

Het boek zit vol vaart, beschrijft soms tot in detail vreselijke folterscènes en zit ook vol seks die vaak uitgesponnen wordt beschreven, maar op een natuurlijke manier laat ervaren hoe die in het verhaal net als in de werkelijkheid past en duidelijk toont hoe het leven er vol van is.

De tien hoofdstukken dragen titels van de tien kabbalistische Sefirot: Kether (het oneindige), Chochma (Onthulling), Binah (Rede), Chesed (Genade), Gevoerah (Gerechtigheid), Tipharet (Evenwicht), Netzach (Overwinning), Hod (Glorie), Yesod (De waarheid) en Malchoet (Het koninkrijk).

Vooraan bevindt zich een lijst personages, de historische en fictieve, een schema van de Keulse machtsstructuur van die tijd; achteraan krijgt de lezen korte samenvattingen van de historische achtergrond, een Hebreeuwse/Kabbalistische woordenlijst, en: een bibliografie van de boeken waarin de schrijfster zich verdiept heeft: Lewis Feuer, Spinoza and the Rise of Liberalism (1997), Jonathan Israel, European Jewry in the Age of Mercantillism (1997) en The Dutch Republic (1998), Henry Kamen, The Spanish Inquisition (1998), Steven Nadler, Spinoza: A Life (2001), Simon Schama, The Embarrassment of Riches (1997), Gershom Scholem, Kabbalah (1978) en Desmond Seward, Monks and Wine (1979).

In een volgend blog zal ik een en ander citeren van de Spinozistische thema’s.

Tobsha Learner - Tobsha, is Jiddisch voor ‘duifje’ - werd geboren in Engeland, volgde een opleiding tot beeldhouwer, woonde zestien jaar in Australië, waar ze veel succes met haar boeken had en verhuisde enkele jaren geleden naar de Verenigde Staten.

Hier enige van de boeken die ze schreef. Zie verder haar website.