Tillich's 'principe van de onmiddellijkheid of identiteit' & Spinoza

In het vorige blog liet ik zien dat Paul Tillich, anders dan vele moderne theologen, iets met Spinoza deed, maar toch tamelijk weinig en dat hij wát hij uit Spinoza opdiepte, vervormde zodat het in zijn eigen systeemstraatje paste. Je zou kunnen veronderstellen dat zijn beroemde uitspraak ‘religion is the soul of culture and culture the form of religion,’ iets reflecteert van de lichaam-ziel-eenheid/identiteit van Spinoza, maar zulke veronderstellingen bevinden zich op drijfhout – Tillich had, zoals hierna duidelijk zal worden, een ‘identiteits-interesse’ die breder was.

Ik wil wat ik aanzette in het vorige blog in dit blog afronden door die – bescheiden - Spinoza-interesse in een wat breder kader te plaatsen.

Volgens Nels Ferré1) zou Tillich hem hebben gezegd: "that his spiritual father was Schleiermacher, his intellectual father was Schelling and his grandfather on both sides was Jacob Boehme." Spinoza wordt daar niet genoemd, maar Schleiermacher en Schelling hadden iets met Spinoza; en door sommigen is Spinoza – al dan niet terecht - wel in verband gebracht met de Duitse protestantse mysticus Jacob Boehme. Je kunt dus zeggen dat Spinoza als schaduw in die uitspraak meefungeert.

Paul Tillich (re) en Einstein (achter meisje) tijdens conferentie in Davos op 28 maart 1928

In zijn proefschrift gaf John P. Dourley2)  een analyse van de hoofdbekommernis van Tillich. Tillich zou twee benaderingsrichtingen zien in het denken over God en het kennen van God: die welke werd gekarakteriseerd door het denken van Plato, Augustinus en de Franciscaanse Bonaventura (The mystical point of view) en die welke te vinden was in het denken van Aristoteles en de Domicaanse Thomas van Aquino (the more rational, empirical point of view). De strijd tussen die twee benaderingen of richtingen bepaalde dé trend van de Middeleeuwen, vooral in de dertiende eeuw, maar is – hoewel de Aristotelische richting dominant werd in het Westen - sindsdien blijven bestaan. Tillich koos positie binnen de eerste stroming en had zich tot taak gesteld om weer aandacht te krijgen voor die meer Augustiniaanse/Bonaventuriaanse kijk.  

Waar het hem voornamelijk om ging: onmiddellijkheid
In Tillichs schets van deze richtingenstrijd benadrukte hij de kwestie van het onmiddellijke en ervaringsgerichte bewustzijn van God. In zijn ogen verwaarloosde de Aristotelische richting deze onmiddellijke en bevindelijke kennis van God. In plaats daarvan voorzag deze richting de autonome geest van de macht om discursief te redeneren over God als een realiteit buiten de geest. Hij zag dus twee verschillende soorten godskennis zoals ze in hun epistemologie door beide richtingen werden uitgedragen. Maar elke epistemologie baseert zich op een ontologie. Tillich kijkt dan voornamelijk naar hoe participatie, het deelhebben aan, begrepen wordt in de respectieve ontologieën.

In de Franciscaanse school zou het om participatie gaan waardoor hun begrijpen berust op de ervaren onmiddellijkheid van God in het bewustzijn van de mens. De Aristotelische richting zou dit ontkend hebben en daardoor het zintuig kwijt zijn geraakt om de aanwezigheid van God door de geest rechtstreeks waar te nemen en wel door een ontologie te accepteren die zowel aan de schepping als aan de mens een grotere autonomie toekende en aldus een grotere afstand tot God zag.

Eenmaal dat de Franciscaanse manier van God via participatie ervaren achterwege werd gelaten zorgde ervoor dat God alleen tot de mens in betrekking kon komen en tot zijn bewustzijn ervan van buitenaf - heteronoom. Na die breuk kunnen mens en God alleen nog moeilijk geïntegreerd raken.

Paul TillichTillichs programma bestond, zoals gezegd, uit een poging om terug te komen bij de Augustiniaanse manier van begrijpen van de religieuze mens. Dit begrijpen zou de ontstane distantie tussen God en mens kunnen overbruggen. Dat zou dienen te gebeuren door een herleving te bewerken van het onmiddellijke zintuig waarmee God in het bewustzijn kan worden ervaren, anders dan de ‘deïstische’ theologieën waren gaan leren.

Dit geschiedde in eerste instantie door de categorieën essentie en existentie binnen zijn systeem. Bij essentie ging het hem om het principe van de eenheid van de mens met God die tevens de basis vormde voor de intelligibiliteit van het goede in mens en schepping. Tillichs begrip van essentie impliceert dus een sterke participatie aan het intelligibele en goede in God.  Existentie verstaat Tillich als het principe van distantie tussen mens en God dat direct samenhangt met vervreemding, schuld en zonde. Het gaat hem dan om de vervulling van "essenstialisering". Hij tracht te komen tot participatie van de rede in God en van het menselijk leven in de dynamiek van het goddelijk leven.

Het gaat hem om de onmiddellijkheid van waarheid in de mens. soms duidt hij dit aan als "the principle of immediacy," soms als "the principle of identity," met name als hij de benadering van Spinoza en Descartes tegenover Kant's "principle of distance" bespreekt. En als hij de Romantiek bespreekt omschrijft hij dit principe als "the principle of the infinite within the finite, the principle of mutual within-each-otherness," terwijl hij hetzelfde waarneemt in Schleiermacher's "feeling." Hij relateert het nauw aan mysticisme en de mogelijkheid van onmiddellijke relatie met God.

Hij leest de geschiedenis van de filosofie en theologie af aan de hand van of dit principe van de onmiddellijkheid wordt bevestigd of afgewezen.

Als het eindige en het oneindige niet wederzijds elkaar penetreren dan wordt religie volgens Tillich moeilijk te begrijpen. Die dertiende eeuwse discussie heeft wat hem betreft een zekere tijdloze kwaliteit; daarmee staat of valt de mogelijkheid van het ervaren van en deelhebben aan Gods aanwezigheid voor de mens. Deze twee opties, deze tradities wat de kennis van God aangaat bepalen voor Tillich hét grote probleem van filosofie en religie. Hij vreest dat de aangebrachte scheiding niet meer ongedaan gemaakt kan worden, maar hij probeert het door het principe van participatie te propageren.

In zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van filosofie en theologie
Tillich’s A History of Christian Thought & Perspectives on 19th and 20th Century Protestant Theology gelezen vanuit het hier beschreven principe, leverde dit schematische overzicht op:

Luthers gebruik van het identiteitsprincipe leidde tot de leer van het 'innerlijk licht' dat door de piëtisten  religieus en door de Verlichters rationeel werd geïnterpreteerd met in beide gevallen een sterk individualisme als resultaat. De Verlichting met z'n verheerlijking van de autonome rede produceerde een deïsme dat enerzijds een erkenning van God was en tegelijk een ontkenning van zijn aanwezigheid in het leven. Kant verwijderde deze God met zijn kritieken, waarna de pogingen kwamen om Kant te begrijpen door hem te overstijgen. In deze context werd het principe van identiteit bevestigd in samenhang met Kants principe van afstand door Lessing en Schelling die beide een en ander verschuldigd waren aan Spinoza. Schleiermacher bevestigde het principe van identiteit in zijn denken over gevoel van absolute afhankelijkheid. Hegel gebruikte het principe in alle hevigheid en lokte daarmee de verwerping ervan in het religieuze domein door Kierkegaard uit en later door Barth en in het sociale domein door Marx. Ritschl verliet de poging om het principe van identiteit en afstand samen te brengen, keerde terug naar Kant en accepteerde een moraal zonder een metafysica. Tillich weigerde dit te doen en zijn eigen theologische werk tracht weer de religieuze en metafysische dimensies van de realiteit te verenigen door een gepast gebruik van het principe van identiteit.

Hiermee, met deze globale samenvatting uit Dourley, heb ik denk ik redelijk recht gedaan aan Tillich. En dit zal tevens duidelijk maken hoe zijn positie t.o.v. Spinoza was. Naarmate hij Spinoza kon plaatsen in zijn schema, kon hij hem gebruiken en waar nodig vervormde hij iets, zodat het paste in zijn programma.  

Bronnen  

1) Nels S.F. Ferré, Tillich and the Nature of Transcendence. In: Paul Tillich: Retrospect and Future. Abingdom Press, Nashville and New York, 1966, p. 11, geciteerd door Dourley (zie volgende noot)

2) John P. Dourley: Paul Tillich and Bonaventure: an evaluation of Tillich's claim to stand in the Augustinian-Franciscan tradition. Brill Archive, 1975 [books.google]

Paul Tillich: "The Idea of the Personal God" [hier]

Wessel Stoker: God, Master of Arts. On the Relation between Art and Religion. In: Ars Disputandi. Volume 7 (2007), [PDF]

Wessel Stoker: Introduction: Enlightenment in Discussion, in: Faith in the Enlightenment? The Critique of the Enlightenment Revisited, L. Boeve e.a , Amsterdam/New York: Rodopi, 1-19 [PDF]