Ter eventuele voortzetting van de discussie over Dockstader

Door een eigenaardigheid van blogse worden reacties soms na ruim drie weken niet meer doorgegeven onder "laatste reacties". Gisteren werd de 20e reactie op het blog van 5 mei eerst nog wel en daarna niet meer in de rechter kolom zichtbaar gemaakt. Hoe dat komt weet ik niet, maar irritant is dat wel.

Aangezien er op dat blog, "Akosmisme? Zoals God in Spinoza's Kosmos en in ons zit, verdwijnen de Kosmos en wij juist niet maar lichten zeer helder op", over het artikel van Jason Dockstader, "The Day in Which All Cows Are White: Spinoza’s Acosmism in Another Light," wellicht nog reacties gewenst zijn, open ik met dit nieuwe blog de mogelijkheid de discussie hieronder desgewenst voort te zetten. Ik plaats hieronder mijn laatste reactie ook naar hier.

Reacties

Henk, ik vrees dat Dockstader, hoe boeiend ik z'n stuk ook vind, op het eind toch tuint in de zoals dat heet "mereological fallacy": de fout of verwarring van het deel met het geheel.
Hij mag m.i. terecht spreken van "an absolute infinity of discernible attributes and modes essentially serve as all the self-identical ways an eternally or necessarily existing substance, God or nature, expresses itself." Daar zegt hij iets over het geheel, of beter: het Ene. Hoewel die 'modes' daar al wat merkwaardig tussen zitten.
Daarna gaat hij een betoogje opzetten over die eindige dingen of modi. "But, one must ask, what is weak about being an aspect of an infinite in kind individual and an absolutely infinite attribute?" Je voelt al aankomen dat hij iets gaat laten uitstralen van dat Geheel of Ene. En zo komt hij op: "God is omnipotent, and since God is all things, so too must all things be essentially omnipotent."
Dit begint al zeer riskant te worden, of eigenlijk is het al over de rand, want we weten dat de ondeelbare God niet uit (alle) dingen bestaat. Daarvoor had Spinoza nu juist de oneindige modi als tussenvormen uitgevonden, die wél uit dingen, resp. ideeën bestaan. En ook verder gaat hij allerlei zorgvuldige onderscheidingen die Spinoza maakte (natura naturans en natura naturata) aan zijn laars lappen, bijvoorbeeld waar hij komt op: "all things are as self-causal as God himself because they are all the discernibly identical ways God absolutely infinitely and eternally expresses, or causes, himself to exist."
En zijn conclusie is dan: "Things are not the weak effects of God. Rather, they are his omnipotent self-causation, his absolutely infinite and eternal essential existence, all the discernible ways in and through which he is identical to himself."
Maar je mag niet vergeten dat je daar iets over het Geheel of het Ene zegt; een bewering die je niet mag omdraaien of naar een lager niveau brengen en toepassen op de 'delen'. Je moet oppassen met 'alle dingen' gelijk te stellen met God. En zeker kun je niet besluiten: "elk ding is God." Maar dát zegt hij dan ook nog net niet. Maar wel zegt hij: alle dingen samen zijn God. Want zij zijn de onderscheidbare manieren waarin en door welke God samenvalt met, identiek is aan zichzelf. Hij gaat een brug verder dan Spinoza - mij dunkt een brug te ver.
Die koeien die daar overdag in het licht stralend wit staan te blinken, zijn zelf toch niet dat licht.

Het is inderdaad veelzeggend dat hij geen principieel onderscheid maakt tussen attributen en modi in hun relatie tot God. Jij wijst daar ook al op. Dat lijkt me eigenlijk een onvergeeflijke fout.
Ik denk overigens wel dat hij over individuele dingen zegt dat ze God zijn: 'Things, regarded from the perspective of their existence in God, are just ways God himself exists.' En verder: 'I would like to show that if the essence of all INDIVIDUAL things is, from one perspective, the infinity in kind of immediate modifications and, from another perspective, the absolute infinity of attributes, then they too, along with the attributes and the infinite modes, must be all the discernible ways one absolute and essentially existing substance is identical to itself.' Individuele dingen zijn, net als attributen, de onderscheidbare perspectieven waarin de ene substantie bestaat en zelf-identiek is.

Ik vraag me overigens af of Dockstader er in geslaagd is Hegel af te troeven. Eindige modi zijn ficties voor zover ze eindig zijn. Ze zijn reëel voor zover ze oneindig zijn. Maar: 'If viewed from the perspective of the second and, preferably, the third kind of knowledge, we can see that the formal essence of modes is the infinite in kind and absolutely infinite essence of immediate modes and attributes, respectively.' Als oneindig zijn alle eindige modi de oneindige essentie van onmiddellijke modi en attributen. Waarin verschillen ze dan nog? Waar is dan de pluriformiteit die hij tegenover Hegel verdedigt? Gaan ze zo niet op in de substantie en zijn in het donker alle koeien zwart?

Henk en Stan, ik kwam intussen tot ongeveer dezelfde bedenking. In hun eindigheid zijn de koeien ficties, het zijn niet meer dan inadequate ideeën in de menselijke Geest. Wanneer we het licht van de kennis van tweede en derde soort er op laten schijnen, verdwijnen de ficties en verschijnt de monistische werkelijkheid. In het felle licht verbleken de individuele koeien volledig, alles wordt ėėn stralende witheid.

Met deze conclusie lijkt het probleem van het al dan niet bestaan van eindige modi hetzelfde te blijven als in het begin van het artikel? Dan toch maar terug naar de stelling van Della Rocca en Melamed: eindige modi kennen slechts een zwak bestaan? Nee, want dat lijkt me vooral een zwakke stelling: wat is immers zwak bestaan? Zeker geen begrip dat Spinoza in zijn helder labyrint een plaats zou gunnen. Ik heb mogelijk een ander idee: de eindige dingen bestaan alleen als inadequate ideeën in de menselijke Geest. Een adequaat idee van een eindige modus is onmogelijk, want de volledige kennis van een eindige modus behelst steeds de kennis van de oneindige modi en attributen die tot expressie komen in die eindige modus.

Misschien moeten we overgaan naar de filosofie van de opkomende Duitse filosofiester Markus Gabriel: De wereld bestaat niet, al het andere bestaat wel.