Ter afronding misschien Don Garrett

Na twee lange discussies die in elkaars verlengde lagen, over “De eeuwigheid van de menselijke geest” [cf. blog] en over “Het lezen en begrijpen van Ethica 2/8 e.v.” [cf. blog] zocht ik naar teksten die handelden over ongeveer dezelfde plaatsen bij Spinoza. Eerst kwam ik op het spoor van Richard Mason, Spinoza: Logic, Knowledge and Religion [Ashgate Publishing, Ltd., 2007 – books.google] die nuttige zienswijzen lijkt te bieden.

Daarna ontdekte ik een in mijn ogen nog belangrijker stuk, n.l.  van Don Garrett, "Spinoza on the essence of the human body and the part of the mind that is eternal". In: Olli Koistinen (ed.), The Cambridge Companion to Spinoza's Ethics [Cambridge University Press (2009)] dat ik NB in mijn Spinozaboekenkast bezit, maar niet eerder in dit verband nog eens had geopend. Ik las het hoofdstuk dat – toepasselijk – het laatste van dat boek is en kreeg sterk de indruk dat  verschillende zienswijzen en posities die in de diverse reacties op deze blogs ingenomen werden, op een of andere manier hier bij elkaar werden gebracht – een zekere verzoening vonden.

In zoverre is het een mooie afronding van deze discussie. Het is niet mijn opzet deze discussie hier voort te zetten of te heropenen, maar slechts om op deze ingenieuze tekst te wijzen die vele punten die aangeroerd werden beter op hun plaats zet.
Alles komt aan bod wat in onze discussies ook de revue passeerde: 5/21en 5/22 -  2/8, 2/8cen 2/8s – de definitie van essentie 2/def2 (met name in de uitvoerige voetnoot 4). De begrippen formele en actuele essentie, welke laatste bij ons meer indirect aan de orde kwam.

Openbaar toegankelijk
Het stuk is van Don Garrett die in 1996
 de editor was van The Cambridge Companion to Spinoza. Hij schreef meer werk over Spinoza. En het mooie is: diverse van zijn teksten, w.o. ook het hoofdstuk dat ik hier op het oog heb, biedt hij aan op zijn
website bij de New York University waar hij filosofieprofessor is. Hier het PDF van "Spinoza on the essence of the human body and the part of the mind that is eternal."

Centraal staat bij hem de interpretatie van wat Spinoza bedoelt met ‘formele essentie’ van het lichaam, van elk waarvan in God een idee bestaat (volgens hem betreft het een oneindige modus). Waar ik het accent legde op het eeuwige, legt Garrett dat op het oneindige van die essenties, maar ook hij baseert zich op 5/23s (waarin we trouwens over het eeuwige lezen). Informatief en sterk vind ik dat hij wijst op de consistentie met de KV en de CM. Hij verwerpt met argumenten uiteraard de opvatting dat de formele essenties van niet bestaande dingen verwijzen naar de mogelijkheid van hun actualisering, hetgeen niet strookt met Spinoza’s noodzakelijkheidsleer (necessitarisme).

Interessant is hoe hij in de 'formele essenties' (als oneindige modi) de fundering van de actualiseerbaarheid ziet dat een eigen rol speelt bij het samenkomen van alle oorzaken die leiden tot het tot bestaan komen van singuliere dingen. Die 'horizontale oorzaken' zijn noodzakelijk, maar niet voldoende. Als die formele essentie er niet is, komt er geen ding tot stand.

Het klinkt wat cryptisch allemaal voor hen die deze discussies niet gevolgd hebben, maar dit blog is dan ook bedoeld ter afronding van een lang volgehouden discussie. Ik ben benieuwd of Henk Keizer en Mark Behets het net als ik als een soort verzoening van diverse van onze leeswijzen ervaren.

Ik beveel lezing van dit artikel over een niet zo eenvoudige, maar wel heel belangrijk onderdeel van Spinoza’s filosofie, zeer aan.

Reacties

Stan, dit artikel heb ik enkele weken geleden ook gevonden en met Henk Keizer gedeeld. Het geeft een ingenieuze oplossing aan drie schijnbaar (?) logische problemen met het bewijs van 5/23 en volgende, maar de vraag is m.i. of het allemaal niet wat ver gezocht is, of de auteur niet te veel moeite doet om de eeuwigheid van de geest toch compatibel te houden met de rest van Spinoza's filosofie. Het artikel bestaat uit drie delen, warvan het eerste gaat over de eeuwigheid van essenties. Henk heeft in vorige reacties reeds expliciet gesteld wat hij van dit deel vindt. Aan de discussie over de volgende twee delen -resp. over de inhoud van het deel van de geest dat eeuwig is en over de mogelijke groei van dit deel- hebben we het nog niet gehad, noch bilateraal, noch op dit blog. Er is dus nog veel voer voor discussie...

Wat ik nog vergat: ook bedankt voor de verwijzing naar voetnoot 4, die had ik nog niet opgemerkt.

De formele essenties van de singuliere dingen (lichamen) uit het verleden, heden en toekomst als oneindige, onbegrensde, eeuwige modi in het attribuut uitgebreidheid. Triljarden en triljarden oneindige modi. Wat een drukte. Die had Spinoza wel eens mogen noemen toen hem om voorbeelden van onmiddellijke en middellijke oneindige modi werd gevraagd. Dit krijg je ervan als je 'formele essenties' tegenover 'actuele essenties' stelt in plaats van tegenover 'objectieve essenties' (Ik denk dat Stan mij zal wijzen op de laatste regel van noot 4 van het artikel van Don Garrett, maar dat zegt me niks. In de hele Ethica staan 'formeel' en 'objectief' tegenover elkaar)
Terecht heeft voortschrijdend inzicht Spinoza er toe bewogen de idee van eeuwige essenties in de Ethica te verlaten. Hij zou het anders echt wel net zo duidelijk gezegd hebben als in CM en KV.

Hierbij in twee reacties de mailwisseling tussen Mark Behets en mij over dit onderwerp (uiteraard geplaatst met zijn toestemming). Eerst de mail van Mark.

Henk,

Hierbij een poging om mijn standpunt te verduidelijken. Let wel, ik wil niet bewijzen dat je ongelijk hebt, want ik twijfel zelf. Ik wil alleen maar aantonen dat er redenen zijn voor twijfel, zowel vanuit het ene standpunt als vanuit het andere.

1. Het argument vanuit 2d2

Ik ga akkoord met je synthese dat 2d2 stelt dat de essentie zonder het ding niet kan zijn (en omgekeerd).

Het ding heeft een duur, en is dus onderworpen aan de tijd. Vanuit een tijdelijk perspectief begrepen kan je inderdaad zeggen dat 2d2 het bestaan van de essentie uitsluit voor en na het bestaan van het ding, dus als het ding er niet is.

Neem nu echter aan dat de essentie eeuwig zou zijn (als hypothese). dan heeft een essentie geen duur (ook geen oneindige), wat impliceert dat deze niet onderworpen is aan de tijd. Iets wat niet onderworpen is aan de tijd, stel ik me voor als iets dat er buiten staat. Ik denk dan aan volgende vergelijking: de dingen die wel onderworpen zijn aan de tijd, bevinden zich als het ware in een film, zijn onderworpen aan de volgorde van de filmbeelden. Iets wat buiten de tijd staat, staat buiten de film, kan elk beeld van de film bekijken, kan vooruit spoelen, achteruit spoelen, wat dan ook. Vanuit dit "eeuwig perspectief" bekeken, bv. vanuit de situatie waarin de essentie van de cirkel zich zou bevinden, bestaat een cirkel als die zich ergens op de filmrol bevindt, als hij in een beeld ontstaat, een aantal beelden blijft, en daarna weer verdwijnt. Dat vanuit de tijdelijkheid bekeken de cirkel voor en na deze beelden niet meer voorkomt en dus niet meer bestaat, is niet relevant vanuit het perspectief van de eeuwigheid. Dus die eeuwige essentie zal zeggen dat 2d2 voldaan is als de cirkel tijdelijk bestaat en de essentie in de eeuwigheid.

M.i. kan men dus besluiten: 2d2 geeft geen uitsluitsel over het al of niet eeuwig bestaan van essenties, want in beide gevallen gaat de definitie op, in het ene geval vanuit het perspectief van de eeuwigheid, in het andere geval vanuit het perspectief van de tijdelijkheid.

2. Argumentatie vanuit 2/8

2/8 stelt dat het wezen van dingen die niet bestaan, besloten ligt in de attributen. Vraag is wat met "besloten in de attributen" bedoeld wordt: een loutere mogelijkheid (iets ononderscheidbaar) of iets met een eigen bestaan. Als het iets is met een eigen bestaan, bestaat het wezen ook als het ding niet bestaat, en is het dus m.i. eeuwig.

Ik had je al gezegd dat ik geen secundaire auteur kende (niet dat ik er zoveel ken) die aannam dat een essentie niet eeuwig zou zijn, maar nu heb ik er een gevonden die dit voorwaardelijk aanneemt: in het door Stan aanbevolen boek "Richard Mason, Spinoza: Logic, Knowledge and Religion. Ashgate Publishing, Ltd., 2007
http://books.google.nl/books?id=vtuw42BeFSgC"
lees ik dat Mason vanuit 2/8 de voorkeur geeft om "besloten in de attributen" als loutere mogelijkheid te zien, maar dan problemen ziet in 5/22 en 5/23 omdat deze volgens hem steunen op de eeuwigheid van de idee van de essentie van het lichaam.

Zelf vind ik dat Don Garrett een punt heeft door te stellen dat in Spinoza's metafysica geen plaats is voor het bestaan van "mogelijkheden": er zijn alleen de substantie en de modi.

Anderzijds vind ik jouw argument erg sterk, -mooi verwoord in je reactie op Stan - dat Spinoza het bestaan van triljarden eeuwige (en oneindige?) essenties toch wel expliciet zou vermeld hebben als dit zijn overtuiging was.

3. Argumentatie vanuit 5/23

Zelf vind ik dat -hoewel jij dat ontkent- dat de eeuwigheid van de essenties in het bewijs van 5/23 voorondersteld wordt. Maar dit maakt voor mij niet zoveel uit, omdat ik het bewijs om een andere reden niet geldig vind. Maar daar kom ik nog op terug.


Ik hoop Henk dat ik hiermee mijn standpunt voldoende duidelijk gemaakt heb, en dat we hiermee een stapje verder komen, waarschijnlijk niet tot een consensus, maar toch naar een beter begrip van mekaars zienswijze.

Beste groeten


Mark

Dag Mark,

Dank voor je uitvoerige reactie. Ik zal jouw punten volgen.

ad 2/def 2. Dit is de 'ja maar' reactie die ik voorspelde. Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik je redenering niet helemaal kan volgen.
1) Je zegt dat de definitie ook opgaat voor een eeuwige essentie. Waar is dan het eeuwige 'ding' zonder welke die eeuwige essentie niet kan zijn of gedacht kan worden? Leg het graag nog een keer uit als je het anders ziet. Je zou een punt hebben als de definitie zowel voor eeuwige als voor tijdelijke essenties zou opgaan.
2) In feite zeg je volgens mij: de definitie sluit niet uit dat er ook essenties zijn die niet aan de definitie voldoen. Ja, dat denk ik toch wel. Waarom is het anders een definitie? Stel iemand geeft een definitie van een cirkel. Een ander leest dit en zegt: ja, maar dat sluit niet uit dat er in de visie van degene die de definitie geeft, ook cirkels zijn die niet aan de definitie voldoen. Dat is absurd, zou Spinoza zeggen.
3) Waarom zou je überhaupt met de hypothese komen dat er eeuwige essenties zijn? Uit de definitie concludeer je gewoon: als dingen niet eeuwig zijn, zijn ook essenties van dingen niet eeuwig.

ad 2/8 Bij het lezen van 2/8 heb ik nooit een moment gedacht dat Spinoza wilde aangeven dat ideeën (eigenlijk essenties van ideeën/'geest van dingen') en essenties van dingen (lichamen) binnen resp. de oneindige idee van God en het oneindige attribuut een 'eigen' bestaan hebben ofwel onderscheidbaar en identificeerbaar zijn. Dat Spinoza juist 'begrepen zijn in' en 'besloten liggen in' gebruikte om aan te geven dat dat niet het geval was. Ook al omdat hij aan het eind van 2/8s en aan het begin van 2/9d het onderscheiden zijn heel duidelijk (!) verbindt aan het actuele bestaan van dingen. Ik werd daarin bevestigd door 1/35 (op het spoor gekomen door jou) waar Spinoza aangeeft wat hij bedoelt met 'begrepen zijn in': "Alles wat in Gods vermogen ligt moet begrepen zijn in zijn wezen, zodanig dat het er noodzakelijk uit volgt en dus noodzakelijk is". Je zult misschien zeggen: het is noodzakelijk, maar het is noodzakelijk omdat het er noodzakelijk uit volgt. Dat is ook wat 2/8 zegt. Het woord 'mogelijkheid' geeft allergische reacties, dus beter niet te gebruiken, maar 'Gods vermogen' moet kunnen. Wat in Gods vermogen is, wordt gerealiseerd. 2/8 zegt: het ligt in Gods vermogen om ideeën en essenties van dingen te realiseren (die dus noodzakelijk uit zijn oneindige idee/ attribuut zullen volgen.

ad 5/23
Ik ben het met je eens dat Spinoza in 5/23 de eeuwigheid van de menselijke geest vooronderstelt. De menselijke geest heeft alleen duur zolang hij het actuele bestaan van het lichaam uitdrukt (hiervoor de verwijzing naar 2/8c), maar de zin geeft aan dat daarmee niet alles gezegd is over de menselijke geest. De menselijke geest heeft kennelijk een soort status aparte, in feite zegt Spinoza al in 2/11c dat de menselijke geest eeuwig is. Maar ik vind niet dat in 5/23 voorondersteld wordt dat essenties van dingen eeuwig zijn, dat kan ik nergens uit aflezen.

De hele discussie kwam op gang omdat Spinoza in 5/23s zegt dat deze idee, die behoort tot het wezen van de geest, en die 'noodzakelijk eeuwig is' een 'welomschreven modus van denken' is. Ik las daarin dat de menselijke geest als een 'welomschreven idee' zou zijn opgenomen in de oneindige idee van God en dat leek mij in strijd met wat ik altijd in 2/8 had gelezen.

Groet, Henk

PS: Ik zit nog een week in Frankrijk en heb geen secundaire literatuur bij de hand. Geven de 'algemene' boeken van Della Rocca en Nadler ook aan dat essenties van dingen eeuwig zijn?