Sub specie aeternitatis

Van de uitdrukking de dingen “sub specie aeternitatis considerare”, vanuit het gezichtspunt van de eeuwigheid beschouwen, of, iets korter door de bocht, de dingen als eeuwig begrijpen, is velen bekend dat die van Spinoza afkomstig is. Type die drie woorden maar eens in Google in en zie daarbij veelvuldig de naam van Spinoza voorbij komen. De uitdrukking deed het goed bij de Duitse Romantici en ook bij Wittgenstein; en hij lijkt het nog altijd goed te doen, soms zelfs een soort pasmunt geworden te zijn, hoewel hij blijkbaar niet altijd goed wordt begrepen.

Deels op dit weblog, deels via de e-mail, heeft een discussie plaats gevonden tussen Wim Klever en mij over de beste vertaling van de stelling aan het hoofd van dit weblog. En onlangs bracht Klever via de website bij dit weblog een tekst uit over: De eeuwigheid der dingen, waarin hij laat zien hoe Flavius Josephus, Uriel da Costa en Spinoza alledrie de “eeuwigheid van het tijdelijke [erkennen] overeenkomstig het inzicht van onze eenheid met de hele natuur.” Zoals Spinoza het ziet: wij en de dingen zijn als modi van het Oneindige, het Oneindige/zus of het Oneindige/zo, onveranderlijk en onvergankelijk. Ik noteer daarbij: in onze existentie vergankelijk, in onze essentie onvergankelijk.

Liet Klever in zijn Spinoza Classicus uitgebreid zien hoe Spinoza in sommige - belangrijke - dingen afstand neemt van Plato, en in andere dingen accenten anders legt of nuanceert, nu ontdekte hij tot zijn verrassing, zo liet hij me onlangs weten, dat Spinoza de termen speciem aeternitatis in Cicero’s Timaeus (1/6) heeft gelezen. Dat is Cicero’s vertaling van Plato’s Timaios.

Hij schrijft mij verder: Spinoza ontleent aan dit geschrift nog meer. In de TP 2/7 heeft Spinoza het over "de hele natuur, waarvan de mens een deeltje is” ( cujus homo particula est). Bij Cicero lezen wij "waarvan elk dier als het ware een deeltje is" (cuius ... omne animal quasi particula quaedam est).

Klever las het bovenstaande in het hem recentelijk toegezonden boek van O. Proietti, Agnostos theos. Il carteggio Spinoza-Oldenburgh (1675-1676) (Edizioni quodlibet, 2006). [zie daarover dit blog]. Op bladzijde 63 heeft Proietti een uitgebreide verwijzing naar P. Di Vona, La conoscenza 'sub specie aeternitatis' nell' opera di Spinoza (Napoli, Loffreda, 1995).

"Proietti citeert Di Vona's conclusie (ik [Klever] vertaal): "Aanschouwen sub specie aeternitatis betekent middels de noodzakelijkheid der dingen de noodzakelijkheid zelve van de natuur van God aanschouwen. Het betekent dus de dingen als eeuwig aanschouwen of de eeuwigheid (ontijdelijkheid) Gods in de dingen zien". Zo had ik het syntagma ook geïnterpreteerd. Maar wat nieuw voor mij was, is dat de uitdrukking ontleend is aan Cicero's Timaeus 1/6.”"

Later, bij verdere navraag door mij, schreef hij nog:

“Het artikel van Di Vona heb ik niet (bij de hand), maar ik kan mij voorstellen dat hij zinspeelt op Timaios 37D, waar Plato stelt dat de Demiurg de natuur en al haar onderdelen vormt "als een beweeglijk beeld (eikoon) van het eeuwige". In het Grieks staat voor 'eeuwig' afwisselend 'aidios' en 'aioon'. (Spinoza zinspeelt in de verte op deze plaats van Plato in de Praefatio van Ethica 4).

Wel, het leek mij wel aardig om deze ontdekking in dit blog door te geven. Naast de dingen die Spinoza afwijst is sub specie aeternitatis een philosophoumenon waarin Spinoza toch een beetje Platonist is.

Reacties

Tja, zo kom je van het een op het ander: wat is de verhouding van Spinoza tot Plato? In hoofdstuk 6 van mijn SPINOZA CLASSICUS (2005), nl. "Spinoza contra Plato, Aristoteles, Socrates en Zeno; ofwel verwerping van speculatieve wijsbegeerte" heb ik vooral de tegenstelling geprofileerd aan de hand van Spinoza's eigen uitlatingen. Maar ik besef meer dan wie ook dat er ook veel te zeggen valt voor andere accenten. Spinoza keert zich in de KORTE VERHANDELING vooral tegen de ideeenleer van Plato, maar men kan zich voorstellen dat hij in een later stadium van zijn filosofische ontwikkeling, had hij tijd en aandacht gehad voor dit punt, wellicht een ander oordeel zou hebben geveld. Zelf ben ik de mening toegedaan dat de PHAEDO en DE STAAT (6e boek) zijn eigen positie dicht naderen, vooral betreffende de onderscheiding in 3/4 kennissoorten. In de bibliografie/en kan men nogal wat literatuur vinden van onderzoekers die een continuiteit tussen Plato en Spinoza zien. Zelf heb ik in mijn boekenkast een boek van een Amerikaanse collega (ook al weer een vriend), namelijk Alan Hart, met als titel SPINOZA'S ETHICS. A PLATONIC COMMENTARY (Brill 1983). Met het bijvoeglijknaamwoord 'platonic' bedoelt hij een interpretatie in de richting van Plato. Dus, Stan, je raakt een gevoelige snaar aan, te meer daar ik mijn eigen filosofische carriere begonnen ben als bewonderaar van Plato. De titel van mijn proefschrift aan de RU Utrecht was: ANAMNESIS EN ANAGOGE. GESPREK MET PLATO EN ARISTOTELES OVER HET MENSELIJK KENNEN (Assen 1962).

In de ongeveer automatische relatie tussen werkelijk kennen en goed handelen komt Spinoza ook met Plato (en Socrates) overeen. Dat de weg naar een moreel leven is verbonden met kennis, vinden ze alledrie. Zoals Russell in The History of Western Philosophy schrijft: Spinoza, like Socrates and Plato, believes that all wrong action is due to intellectual error: the man who adequately understands his own circumstances will act wisely, and will even be happy in the face of what to another would be misfortune.
En zo zijn er meer raaklvlakken