Spinozistische Pinksterboodschap

               

Gisteren bracht de post dit boekje van Jan Knol, Spinoza in 107 vragen en antwoorden (Wereldbibliotheek). Precies op de dag voor Pinksteren. Dat kan geen toeval zijn: Jan Knol stort voor ons de geest van Spinoza uit! Een geest die in de plaats komt van de door christelijke gelovigen ingebeelde H. Geest, die 50 dagen na de – even verbeelde – opstanding van Christus, over Maria en de apostelen vaardig werd (zie afbeelding onderaan).

In zijn voorwoord neemt Knol de typering van Frederick Pollock over: dat het in het spinozisme gaat om een habit of mind. Met die geest van Spinoza, met diens geesteshouding, laat Jan Knol ons in dit vierde boekje, waarin hij Spinoza uitlegt als via een nieuwe gids voor verdoolden, kennis maken.

Naast de drie eerdere boekjes waarin hij Spinoza uitlegde voor de beginnende belangstellenden en nieuwsgierigen onder de ongelovigen, pakt hij in dit boekje de draad weer eens van bij het begin op, maar op een nieuwe manier: via vragen en antwoorden. Het zijn er 107. En daarmee brengt hij a.h.w. – komaan, nóg maar eens een vergelijking met het christendom – een catechismus van het spinozisme! Net als in de christelijke catechismussen zijn de vragen niet gesteld door de weetgierigen, maar door degene die met een antwoord wil komen. En zo krijg je bijvoorbeeld een vraag die alleen uit voorkennis gesteld zou kunnen worden als: “Hoe luidt de gelijkenis van het wormpje in het bloed?”(vraag 13). Die vraag kon alleen maar opgeworpen worden door hem die dat prachtige gedachte-experiment wil navertellen dat Spinoza beschreef in zijn brief aan Oldenburg (Brief 32).

Een vraag als de 49e, “Wat drijft ons van mindere tot betere kennis?” Antwoord: “Dat wat ons van mindere tot betere kennis aanzet, is onze natuurlijke aanleg (etc.).” Typisch catechismusstijl. En die stijl is een voormalig dominee wel toevertrouwd. Een aardige vondst dus van Knol om het nu eens zo aan te pakken.

Het boekje bestaat uit een reeks korte tekstjes, die elk op zichzelf, maar beter nog als een voortgaande reeks, rustig gelezen kunnen worden. Aardig is dat de vorm van het boekje aan die inhoud van de korte tekstjes is aangepast: het heeft een kleiner formaat dan zijn drie eerdere boekjes, zodat het optimaal is aangepast aan de bescheiden lengte van de meeste antwoorden. Elk stukje heeft een heel korte spanningsboog (wat daar eigenlijk geen goede term voor is).

Je kunt dit boekje heel goed aanbevelen aan hen die een eerste kennismaking zoeken met Spinoza’s filosofie. Het is daarin geen systematische inleiding (het is geen schoolboek), maar het laat redelijk goed kennismaken met de geest van Spinoza, met zijn manier van tegen de werkelijkheid, de natuur (God) en ons mensen daarbinnen als onlosmakelijk deel van de natuur, aan te kijken. Maar om het nou, zoals de uitgever op de achterflap zet, “De beste inleiding op de filosofie van Spinoza,” te noemen is nogal overdreven. Ik vermoed ook dat die typering niet van de auteur zelf afkomstig is. Het kan wel als een goede toeleiding tot het nadere kennisnemen van diens filosofie worden gezien.

Ik heb het boekje vooral gelezen met belangstelling voor zijn aanpak, vanuit een zekere bewonderende vraag: hoe dóet Jan Knol dat toch? Je moet ook het lef hebben om op zo’n manier te laten zien hoe en in hoeverre je zelf Spinoza begrepen hebt. Ik zou het zo niet kunnen, maar vooral ook niet durven.

Zo loop ik af en toe tegen dingen aan die in mijn ogen niet kloppen. Daar moet ik het toch ook even over hebben. Maar ja, dat hoort ook een beetje bij het versimpelen van een uiteindelijk toch best ingewikkelde filosofie – dan kunnen niet alle nuances en subtiliteiten aan bod komen.
Maar mij schuren opmerkingen als: “En terwijl God/Natuur intern constant verandert…”(p. 52) en ook het spreken over het “streven van God/natuur.” (p. 75) Of een passage als deze: “zoals de geest de idee is van ons lichaam, zo is ons lichaam de materie van onze geest.” (p. 57) Een enigszins ongelukkige uitdrukking die een verwarring van attributen bevordert. Zo kun je “het lichaam is het object van onze geest” niet weergeven (niet met “materie van onze geest”). Ofwel ‘materie’ wordt van iets fysisch omgezet in iets immaterieels zoals in “de materie van het verhaal’; maar zo zal het niet bedoeld zijn.

Wat ik niet begreep is waarom bij “de steen ‘denkt’” (wat die steen uiteraard niet doet; dus terecht die aanhalingstekens) tussen haakjes de omschrijving “atomaire processen” werd gegeven. Mij verduidelijkte het niets en ook dit deed mij eerder aan attributenverhaspeling denken, waar niemand wat mee opschiet. ‘Wereldziel’ (p. 58, 60) is geen spinozistische term en had dunkt me beter vermeden kunnen worden.

Bij deze paar kritische opmerkingen wilde ik het laten. Want ondanks deze paar discutabele zaken, blijft gelden, wat ik hiervoor schreef: het boekje is duidelijk geschreven in de geest van Spinoza, waarmee de auteur al jaren goed vertrouwd is. Zijn toelichtingen zijn helder en zijn goed te begrijpen. En zo helpt hij de geïnteresseerde beginneling, ook degene die wellicht niet van plan is om zich in de teksten van Spinoza zelf te gaan verdiepen, om aardig wat mee te krijgen van het denken van Spinoza. Wat het nut is van Spinoza’s benadering van de werkelijkheid en van zijn kijk op ons leven, komt goed over. Kortom, je kunt wat met dit boekje. Het kan je op weg helpen om tot iets meer begip van jezelf en je omgeving en zo tot meer rust en geluk te komen.

                                                     * * *


De oudste afbeelding van Pinksteren in de christelijke iconografie:
de verluchting van folio 14v van de evangeliën van Rabulla (circa 586, Florence, Biblioteca Medicea Laurenziana) hier aangetroffen.