Spinozisme is: omgekeerde apperceptie

[Vooraf: dit blog had hier al uren geleden gestaan, als mij dit thuis niet door een irritant soort virusprogramma onmogelijk werd gemaakt. En het dichtsbijzijnde internetcafé was ook al wegens vakantie gesloten. Nu zit ik in de veel verder weg liggende bibliotheek die gelukkig goede internetservice biedt. Je moet wat voor je blog over hebben, maar het wordt wel telkens weer lastig gemaakt. Het worden de komende dagen dus wat minder blogs, want die storing is niet zomaar verholpen en ik ga niet elke dag naar de bibliotheek. Dan weet u dat vast. Dan nu over naar het eigenlijke blog.]

                     Spinozisme is: omgekeerde apperceptie

Net zoals subjectivisme via Descartes (cogito, ergo sum) diep doorgedrongen is in onze cutuur, is dat ook met het begrip apperceptie het geval, hoewel dat door minder mensen wordt gebruikt en geweten (Wundt b.v. gebruikte het in zijn psychologie). De term 'apperceptie' is gemunt door Leibniz, maar groot geworden door Kant, die niet naliet vele malen te benadrukken wat met apperceptie bedoeld wordt: dat we bij het waarnemen altijd meteen weten, anders gezegd dat elke waarneming altijd begeleid wordt door het besef dat ik het ben die ziet, hoort, voelt, kortom, waarneemt. [Leibniz muntte de term door aan ‘perceptie’ het voorvoegsel “ap” (wat erbij komt) toe te voegen en gaf zo met ‘apperceptie' aan dat er aan de waarneming iets wordt toegevoegd: aandacht, bewustwording, weten dat ik het ben die percipieert. Overigens, in het voorstellen tegelijk ook zichzelf mee voorstellen kan volgens Leibniz alleen de mens - maar niet iedere mens en zeker ook niet altijd.]

Spinoza heeft op diverse plaatsen laten weten dat wat hem betrof Descartes op de verkeerde manier begon te filosoferen, namelijk door van zichzelf uit te gaan en vervolgens van de dingen die je waarneemt, maar zo begin je bij de wereld van de verbeelding en kom je nooit goed bij God uit.

Spinoza vond: je moet van God uit filosoferen, alleen zó, van de oorzaak uit, kun je de effecten, de orde van de natuur op de juiste wijze ontdekken, nagaan hoe de orde van de natuur (en daarbinnen jijzelf) tot stand komt. En zo begon hij zijn Ethica vol overtuiging bij De Deo. [Dat hij in deze overtuiging geïnspireerd kan zijn door zijn joodse opvoeding is mogelijk, maar doet hier niet ter zake]. Hoe je dat doet, hoe je zo filosofeert, is de grote klus van de Ethica.

“Ik zag nooit iets zonder God te zien”
Vandaag ontving ik het programma-magazine van het komende
Musica Sacra Maastricht, dat dit jaar als thema heeft: ontzagwekkend. Daarin lees ik op blz. 45 het stukje over The Beautiful Names van John Tavener dat op donderdag 18 september zal worden uitgevoerd en door MAX op Radio4 rechtstreeks zal worden uitggezonden. Dit stuk uit 2004, dat gebaseerd is op de 99 namen van Allah waarover in de Koran wordt gesproken, beschouwde Tavener als een van zijn voornaamste composities. In de toelichting komt dit zinnetje voor: Een metgezel van de profeet Mohammed zei: “Ik zag nooit iets zonder God te zien.”

En ineens besef ik hoe dit zinnetje fraai op Spinoza slaat. Uiteraard ging het bij hem om een andere, een filosofische God, dan de antropomorf verbeelde Allah. Maar dat zinnetje drukt a.h.w. een omgekeerde apperceptie uit: namelijk niet van de waarneming die begeleid wordt door het besef “ik ben het die kijkt”, maar door het besef “het is God die mij doet kijken én die ik zie in alles wat ik waarneem.”

Dit zinnetje, als omgekeerde apperceptie, drukt volgens mij, precies uit wat Spinozisme is of bedoeld te zijn: nooit iets zien – ook jezelf niet – zonder God te zien.

Die andere, oorspronkelijk bedoelde apperceptie, is veel makkelijker, sluit direct aan op hoe we gewoon zijn te denken, waarbij we van onszelf uitgaan (vanuit de verbeelding, waar Spinoza op wijst). We gaan in het dominante westerse filoseren van ons bewustzijn uit, zoals het leibniziaans-wolffianisme en het kantianisme deden, en de fenomenologie, en het existentialisme.
De omgekeerde, Spinozistische apperceptie is veel moeilijker, want lijkt in eerste instantie en tot we het door hebben, contra-intuïtief.

                                                                            Stan Verdult

Reacties

Dank voor de 'eye-opener' Stan. Ik probeer het tot me door te laten dringen...Moet ik misschien niet doen (proberen/inspannen) Laten gebeuren dan ? Kom ik in de buurt van genade. Stop maar even tot ik 'het door heb'.

Stan,
Ik denk dat je je hier toch even vergist.
Je laatste paragraaf: De fenomenologie 'probeert' toch net NIET uit te gaan van de -oorspronkelijk bedoelde- apperceptie.
Met hun 'intentionaliteit'. Het bewustzijn is altijd betrokken op iets.
Dat iets is toch net de wereld, waarbuiten je niet kan! (Of noem het Substantie, God of natuur als je wil.)

Al te vaak hebben filosofen uitgegaan van het 'für mich': Ik, de waarnemer is hier, en de wereld is daarbuiten...
Denk oa.aan Schopenhauer, Kant en alle Kantianen na hem..

Eén van de geweldige dingen aan Spinoza is inderdaad dat hij zich daar nu net niet schuldig aan maakt..

Ja, niet enkel Schopenhauer en Kant, Hegel en Marx maar dus ook fenomenologen als Merleau-Ponty en zeker ook Heidegger- met zijn wazige gezwets over het 'Zijn'- halen met hun inspiratie bij de omgekeerde apperceptie van Spinoza! Al zullen ze het niet met zoveel woorden toegeven.
Dat is althans mijn mening.

Sven,
Ook de fenomenologie gaat uit van het bewustzijn (zij het dan dat de intentionaliteit ervan op de wereld wordt benadrukt). Husserl mag dan flinke kritiek op Descartes' cogito gehad hebben, ook zijn vertrekpunt in z'n filosoferen is het bewustzijn en dat is het grote verschil met Spinoza die juist niet vanuit het bewustzijn vertrekt. Daar ging het me hier om.
Jammer genoeg is mij je passage "[...] halen met hun inspiratie bij de omgekeerde apperceptie van Spinoza" niet duidelijk.

Stan,
1. De uitspraak "Ik zag nooit iets zonder God te zien.” lijkt mij van toepassing op de 3e kensoort, de intuïtieve kennis. want dan breng je de dingen in verband met God (E5p25 e.v.)
2. Volgens Leibniz is Perceptie: 'de innerlijke toestand van de monade die externe dingen representeert' - dit lijkt mij Sp's 1e kensoort.
3. Apperceptie is 'het zelfbewustzijn of de reflexieve kennis van deze innerlijke toestand'. (Principes de la Nature et de la Grace, par 5). Dit lijkt mij Sp's 2e kensoort.

Het is waar, Adrie, die "omgekeerde apperceptie" (dingen vanuit God of sub specie aeternitatis zien, resp dingen met God in verband brengen) is eerder een streven en zal pas lukken aan wie aan de 3e kensoort toe is.

Stan,
Ik vraag me af of je ooit, zoals jij het uitdrukt, aan de 3e kensoort toe kunt zijn. Het suggereert het bereiken van een permanente toestand. Ik denk dat het een situatie is die je toevalt, of die de bereide geest toevalt, bijvoorbeeld door als levenshouding aan te nemen nooit iets zonder God te zien. 'Alles wat voortreffelijk is is even moeilijk als zeldzaam', zo beëindigt Sp. de Ethica. Blijkbaar ook voor hem een zeldzame zaak. Neoplatonist Plotinus (204-270) bereikte haar viermaal, zijn biograaf Porphyrius eenmaal. Het is het contemplatieve leven, waarin volgens Aristoteles de goden permanent verkeren en de mens op zeldzame momenten: 'Maar zo'n leven gaat een mens eigenlijk te boven: niet in zoverre hij mens is zal hij zo leven, maar in zoverre hij iets goddelijks in zich heeft.' (Eth.Nic.X.1177b25) Toch motiveerde die zelden voorkomende toestand Plotinus om de Enneaden te schrijven, en Sp. om de Ethica schrijven, tijdloze boeken die over 1000 jaar nog steeds bestudeerd zullen worden.

Onder voorstelling verstaat Spinoza een waarneming (conceptie) van de Geest, die de Geest vormt doordat hij een denkend iets is. Hij licht dit toe door te zeggen dat hij dat liever zegt, omdat het woord gewaarwording schijnt aan te duiden dat de Geest iets door een voorwerp ondergaat, terwijl het woord waarneming een eigen handeling van de Geest schijnt uit te drukken E2 def. III
Daar beperkt Spinoza zich toe om tot kennis van de menselijke Geest te komen.
Wij kunnen generlei bijzondere dingen waarnemen noch gewaarworden, dan lichamen (voorwerpen) en vormen van denken (grondwaarheden V). De orde van de Natuur sluit niet noodwendig in dat een mens bestaat noodzakelijk of is afhankelijk van die oorzakelijke relatie. De mens denkt. (Grw I,II)
In 2 st. 13 gaat hij in op het lichamelijke: Het bestaande lichaam, ofwel een uitgebreidere vorm ervan is het voorwerp dat de voorstelling van de menselijke geest uitmaakt, en niets anders. Hieruit volgt dat de menselijke Geest is verbonden met het lichaam. He verschil van complexiteit van het voorgestelde voorwerp en de voorstelling in een mens of dierlijke Geest stipt hij aan en ook nog dat ze in zijn tijd verwarde kennis van het eigen lichaam bezitten. Hij gaat daar wiskundig op in (commutatieve relaties) en m.b.t. de voortgang ervan stelt hij dat we de Natuur een enkel individu is, waarvan de delen, d.w.z. alle lichamen, op oneindig veel wijzen wisselen, zonder dat het geheel verandert. Hij gaat verder met beeldverwerking van de dingen in de menselijke Geest en dat de voorstelling van de Geest in de mens op dezelfde wijze is verenigd als de Geest zelf verenigd is met de Lichamelijke Natuur (st. 21) Hij kan niet alles m.b.t. het lichaam grondig kan behandelen, want hij beoogt vooral een handleiding te beschrijven die tot kennis van de menselijke Geest leidt en tot zijn streven naar meer adequate kennis. Hij legt eigenlijk uit dat het bij dat streven noodzakelijk moet blijven, dat is aan alle dingen gemeen en bij de mens in de aard van de Rede gemeen. Een zaak zo goed mogelijk kennen of begrijpen, is naar het eigen voorstellingsvermogen begrepen.
Tot slot geeft aan dat bijzondere willingen en verstandelijke voorstellingen hetzelfde zijn. Ter nadere verklaring geeft hij in E2 aan dat de Wil aanduidt wat aan alle verstandelijke (voorstellingen) gemeen is. Van God kunnen we ons geen voorstelling maken. We moeten daarom God als de onbegrensde Natuur opvatten, ofwel een verstandelijke voorstelling van zaken die alle afzonderlijke willingen, d.w.z. datgene wat aan hen allen gemeen is omvat. Een algemeen vermogen dat zowel op een ding, als op verscheidene en zelfs oneindig veel dingen toepasselijk is. Newton en Einstein maakten er daadwerkelijk natuurwetten van. Daarna volgt een vooruitblik wat je praktisch aan zijn kennisleer hebt en je niet moet dromen van of blind staren op die zeldzame momenten dat ik dingen die niet uit onze aard voortvloeien schijnbaar zeker weet. Nee je moet vooral evenwicht in je (gevoels)leven en gedrag nastreven en daar naar handelen. Een uitspraak "ik zag nooit iets zonder God te zien" zegt niets of Ik ben kennelijk niet aan die onmogelijke verbinding toe.

Bas,
1. Het gaat om de 3e kensoort. Dit is adequate kennis van de essenties van de dingen die we in relatie met God brengen (E2p40s2). Zoals ik zei gaat Sp. er in E5p25 e.v. er verder op in.
2. Van God kunnen we wel degelijk een idee, of voorstelling (vert. Suchtelen) hebben, zie E2p47 en scholium. Het unieke van de 3e kensoort is dat je kennis van de essentie van de individuele dingen in verband brengt met de kennis van God, de combinatie dus. Kennis van God en kennis van de dingen vallen a.h.w. samen.
3. De 3e kensoort behoort wel degelijk tot onze natuur. Wat ik probeer duidelijk te maken is dat Sp's 3e kensoort een zelden voorkomend fenomeen is. Dat heeft ze gemeen met het doen van grote ontdekkingen, zoals Einstein en Newton die deden, de creatieve momenten in de mens. Bovendien is de 3e kensoort niet iets waar Sp. als eerst mee komt, ze stoelt op een lange traditie in de filosofie, waar de vita contemplativa van Aristoteles er een van is, het leven van de bereide geest dat zich instelt op die zeldzame momenten. In die betekenis lees ik de zinsnede "ik zag nooit iets zonder God te zien".

Adrie,
Daar was ik in een eerdere bijdrage al op ingegaan, maar Stan vond hem te lang en niet op het onder werp slaan en heeft hem gewist. Ik probeer die reactie nu korter te herformuleren.
In Brief 37 aan Bouwmeester verwoord Spinoza het probleem zeer duidelijk. Daarnaast is in dit verband brief 40 aan Jelles over het lezen van een boek verhelderend. De dingen in de juiste verhoudingen beschouwen (voorstellen) is naar algemene kenmerken (conceptueel) begrijpen (3e kennissoort) of omgekeerd samengesteld uit delen die een juiste verhouding geheel weergeven. Dat laatste is de 2e kennissoort waardoor je het eerste machtig kan worden (V28). De natuurwetmatigheden bevestigen (begrijpen) daar gaat het over met de vergezellende gedachte aan God als oorzaak V32. Het ervaren van eenheid kan het actuele uitgangspunt zijn maar is eigenlijk een wezenlijk kenmerk van Natuurwetmatigheid van Spinoza's waarnemingsconcept ofwel een tijdloos juiste voorstellingen van zaken.
Een noodwendig onbegrensd ordeningsprincipe naar natuurlijke oorzaken. Het levert noodzakelijk op dat de begrensde delen een geheel vormen. Spinoza zegt dat iedereen dat denkt maar er geen juiste voorstelling, niet bedoelt als valse, van kan hebben als je niet begrepen hebt, hoe het verstand of de wil noodzakelijk binnen zijn oneindige concept naar begrensde verhoudingen en de juiste zienswijze streeft en begrijpt. Bij dit streven kom je tot begrip van de eigenschappelijke werkende wetmatigheid in dingen tot concrete mededelingen. In Spinoza's tijd ging dat vergezeld met de gedachte aan God omdat ze de natuurwetmatigheid ervan toen niet kunnen uitdrukken in gewone taal; dat is nu nog een probleem. M.a.w. de werking van de natuur is voortdurend in onderzoek.
Spinoza deed een fantastische poging met behulp van mathematica en inhoudelijk m.b.t. de werking van ons zelfbewustzijn de macht van het verstand om met betrouwbare informatie naar de juiste kennis en m.b.t. de aandoeningen naar evenwichtig gedrag te streven. Het blijkt duidelijk uit zijn geschriften dat hij de God in een natuurlijk passend jasje stak.
Het wegdenken van God uit de tekst en daarvoor in de plaats steeds de Natuur of de werking (wetmatige) er bij voorstellen heldert veel op. Het wissen kan natuurlijk niet in zo'n belangrijk document. Ook al niet omdat God i.v.m de Natuur i.p.v. met het bovennatuurlijke van de theologie in die tijd speelde en Spinoza een moderne filosofie of beter wijsbegeerte wilde grondvesten.