Spinozisme in de negentiende eeuw

Na enige recente blogs met aandacht voor Spinoza in de negentiende eeuw in Duitsland is het tijd weer iets aan Spinoza in de negentiende eeuw in Nederland te doen. Daarover kunnen we uiteraard uitgebreid lezen in Henri Krops Spinoza - een paradoxale icoon van Nederland, maar in een blog moet het korter. Nu trof ik een aardige recensie aan die een samenvatting gaf van een artikel waarin Ferd. Sassen in kort bestek veel informatie over Spinozisme in het negentiende eeuwse Nederland gaf.

 

Die recensie werd gepubliceerd in het 60e jaarverslag van de Ver. Het Spinozahuis, 1957, en was geschreven door ene J. J. Boasson. Boasson? Wie? Dat wordt aanleiding om over deze onbekende kenner van Spinoza een keer een blog te schrijven. [Dat werd dit blog]. Nu eerst deze recensie.

   

[Foto Spinozabeeld in Den Haag gemaakt 23 aug 2008 door © Stan Verdult] 

Prof. Dr. Ferd. Sassen: De herleving van het Spinozisme in Nederland in de negentiende eeuw. Bl. 36-46 van „Studia Catholica", [jg. 33, voortzetting van De Katholiek] afl. 1; maart 1958.

Dit artikel van 11 bl., waarin ongeveer vijftig geschriften zijn verwerkt, verantwoord in 43 noten, en waarin 23 namen worden genoemd, laat zich vlot lezen. Het toont duidelijk, dat de belangstelling voor Spinoza in de twintigste eeuw niet plotseling is opgekomen, maar zijn wortels heeft tot in het eerste deel der negentiende eeuw. Prof. Sassen weet de intellectuele werkzaamheid der negentiende eeuw wat Spinoza betreft helder voor ons te doen leven. In het centrum staat de felle activiteit van de gewezen theoloog Johannes van Vloten (1818-1883), met prof. Land uitgever van de bekende verzamelde werken van Spinoza (Ie druk 1882-1883), in 1923 door Gebhardt's Heidelbergse uitgave op zijde gestreefd. Over Van Vloten weet prof. Sassen aan de hand van het over hem in 1928 verschenen proefschrift van zijn kleindochter, mevrouw M. Mees-Verwey, veel interessants mede te delen. Minder uitvoerig bespreekt hij voor- en tegenstanders: Nieuhoff, Van Limburg Brouwer, Burger, Bellaar Spruyt, J. H. Gunning, Land, Lotsy, Betz en du Marchie van Voorthuysen.

Hoogtepunten in de Spinozaverering der negentiende eeuw in ons land waren de herdenking van Spinoza's overlijden, 21 febr. 1877, waarbij Ernest Renan de hoofdrede hield, en de onthulling van het standbeeld van Spinoza in 1880, waarbij Van Vloten de feestrede uitsprak, onder de titel „Spinoza, de blijde boodschapper der mondige menschheid". De belangstelling daarvoor schijnt zo groot te zijn geweest, dat door de van het standbeeldfonds overgebleven gelden de uitgave van Spinoza's verzamelde werken mogelijk is geworden.

Op de drempel der negentiende eeuw staat een in 1799 verschenen artikel van de Harderwijkse professor B. Nieuhof. Tegen het einde der eeuw begint Dr. W. Meyer zijn zeer invloedrijke werkzaamheid met een vertaling van Spinoza's werken in het Nederlands (1895-1901). In 1895 was Gorters vertaling van de Ethica verschenen.

De belangstelling voor Spinoza, was volgens prof. Sassen niet alleen maar historisch, maar zij kwam voort uit het streven „om het stelsel van Spinoza naar zijn blijvende waarde aan de tijdgenoten voor te stellen". (bl. 36) Er zijn hier twee fasen te onderscheiden. In de eerste fase wordt Spinoza begroet „als welkome bondgenoot in de strijd tegen het kerkgeloof" of ter ondersteuning van „eigen empiristische of materialistische denkbeelden". In de tweede fase, die met Meyer aanvangt, ligt het accent op het verheffen van het Spinozisme „tot wereldbeschouwing voor den modernen mens". De beslissende stoot voor hernieuwde beschouwing van Spinoza ging uit van J. van Vloten met zijn geschrift „Baruch d'Espinoza, zijn leven en schriften in verband met onzen tijd" (1862) en daarna begint een felle polemiek van Van Vloten met tegenstanders, zoals prof. Bellaar Spruyt. Een andere tegenstander was de theoloog J. H. Gunning, die protesteerde tegen de oprichting van het standbeeld, maar overigens veel waardering voor Spinoza had getoond in zijn „Spinoza en de Idee der persoonlijkheid" (1876). Van Vloten legt volgens Sassen aan Spinoza „zijn eigen naturalistische wereldbeschouwing in den mond" en heeft geen kijk op de ontwikkelingsgang van Sp. In 1932 zal Von Dunin Borkowski schrijven, dat ondanks waardevolle opmerkingen Van Vlotens boek het inzicht in Spinoza meer geschaad dan gebaat heeft! Gunning, die wijst op het onpersoonlijke in Spinoza's Godsbeschouwing, wil hem niet, zoals Van Vloten doet, een atheïst noemen, omdat Gunning Spinoza een „door en door religieuse natuur" acht. Wat het epistemologische betreft, meent Bellaar Spruyt, dat voor Spinoza de eenheid van God en wereld reeds vaststond, voordat hij met de methode van de Ethica aanving; B. Spruyt acht die eenheid, zoals ook de yeenheid van lichaam en geest, bij Spinoza een geloofsovertuiging, „die niet door bewijzen gestaafd wordt en geen wetenschap mag heten". Sassen oordeelt daarmede „een eerste aanwijzing tot een mystische interpretatie van Spinoza's stelsel gegeven" (d.w.z. in Nederland; in Duitsland treft men m.i. zulk een beschouwing van Spinoza reeds bij Jacobi, Goethe, Schleiermacher, Schelling aan). Volgens Lotsy is Spinoza's Godsbegrip een hypothese, welker waarschijnlijkheid de Ethica verder moet aantonen, en hij meent, dat het Spinozisme op een gevoel berust nl. op de onmiddellijke uitspraak van het bewustzijn: „ik besta in en door iets zelfstandigs en dat doet alles, wat ik in de buitenwereld waarneem"; Lotsy noemt God de gemeenschappelijke grond van al wat wij waarnemen; als kern van het Spinozisme zag hij het determinisme, heenleidend naar het monisme. Van Vloten bestreed Lotsy. Ziehier slechts enkele grepen uit het zo inhoudrijke artikel. Het betreft alles de door Sassen zo genoemde eerste fase. Op de twede fase wil hij, behoudens enkele opmerkingen, niet ingaan.               J. J. Boasson