Spinoza's zonnesteek op de via perardua

Hoe kan een God van Spinoza zichzelf in 's hemelsnaam met een oneindige verstandelijke liefde liefhebben...

Spinoza ging er kennelijk vanuit dat de natuur in het verleden altijd - ad infinitum - mensen had voortgebracht en dat in de toekomst eveneens ad infinitum zou blijven doen, waardoor er aan de amor Dei intellectualis geen einde zou komen. Wensdenken. Antropocentrisme.

 

Aanvulling 16:00 uur

 

Daar niemand reageert (maar het is dan ook wel erg warm) kom ik nog even met een aanvulling op het vorige, bedoeld als nadere toelichting.

 

Spinoza kent drie soorten godsliefde, elk gerelateerd aan een van de drie kensoorten die hij onderscheidt: verbeelding, rede, intuïtie.

 

Die liefde op het niveau van de verbeelding is gekarakteriseerd door passiviteit en passionaliteit: aangedaan worden door externe zaken en gebeurtenissen. Zo wordt God gezien (=verbeeld)  als "rechter”, “bestuurder van de natuur” en in staat direct in te grijpen in die natuur met het oog op menselijke doelen (als er maar goed gebeden en gesmeekt wordt). Dit soort godsliefde kan niet zonder een opdeling in een natuur en een bovennatuur, vanuit welke wonderen kunnen geschieden.

 

Rationele godsliefde is a.h.w. 'zelf-bepaald', komt tot notiones communes op basis waarvan geredeneerd en beargumenteerd kan worden, hetgeen tenslotte leidt tot sterkte van geest (fortitudo) en generositas. Wie deze godsliefde kent, begrijpt dat er van wederkerige liefde geen sprake kan zijn en vraagt daar dus ook niet om, want dat zou van een fout godsbegrip getuigen (a.h.w. willen dat God de ware God niet was). Wel zoekt deze godsliefde naar eenheid met God.

 

De intuïtieve of intellectuele godsliefde doet kennen en liefhebben van God samenvallen. Het menselijke kennen en liefhebben van God wordt verstaan als één en dezelfde goddelijke activiteit - als de uitdrukking van de immanentie van God in de mens én tevens uitgedrukt in het besef ervan door de mens. Mensenliefde en godsliefde zijn dan één. En het is daar waar Spinoza teruggrijpt op het aloude Hebreeuwse inzicht van de immanentie van God – en verwijst naar de kabood JHWH [cf blog].

 

Waar het mij met dit blog om gaat is dat Spinoza de stelling

 

               Deus se ipsum Amore intellectuali infinito amat (5/35)

 

formuleert, alsof zich daar iets afspeelt buiten de intuïtieve godskennis en –liefde van mensen om. En dat komt mij voor teveel een formulering te zijn die te dicht aanligt tegen de imaginaire godskennis en –liefde. Een formulering vanuit een zonnesteek.

 

Stan Verdult

Reacties

Blog aangevuld met nadere toelichting

Bijna gelijktijdig (exacte gelijktijdigheid beataat volgens Spinoza/Einstein immers niet) teageren wij (jij, Stan en ik) op jouw blog, maar naar mijn indruk op een ander onderdeel. Ik stoorde mij vooral aan de laatste alinea, zoals je na een pittige discussie eerder op deze blog zult begrijpen. Op de via perardua verdwijnen mensen, of liever veeliezen ze hun uitzonderlijkheid.

Mijn eerste (nu verdwenen) reactie was ook op 16.09! Was me ontglipt tijdens zonnesteek.

Die reactie ("onzin blog") had ik meteen gewist, wegens afwezigheid van inhoud. Overigens vind ik de bewering "Op de via perardua verdwijnen mensen, of liever verliezen ze hun uitzonderlijkheid" ook hetgeen Spinoza daar in de Ethica doet.