Spinoza's bewustzijnstheorie [1]

Aanleiding voor dit blog is de vertaling die Karel D'huyvetters onlangs op zijn website bracht van het artikel van Andrea Sangiacomo, waar ik graag de aandacht op wil vestigen en waarover ik iets wil zeggen. Het gaat om: "Adequate kennis en lichamelijke complexiteit in Spinoza’s opvatting van het bewustzijn" [oorspr. "Adequate Knowledge and Bodily Complexity in Spinoza’s Account of Consciousness" - in Methodus, 6 (2011)]. [Cf. op Academia.edu]

In het artikel wil Sangiacomo voortbouwen in een richting die eerder werd aangegeven door Steven Nadler, maar daarbij toch ook weer een andere weg inslaan - daarover straks meer. Maar eerst beken ik nog dat ik er een heel andere blogs over ga schrijven dan ik aanvankelijk van plan was. Ik meende namelijk dat er iets niet kon kloppen in Sangiacomo's benadering (ik zal straks nog aangeven waar ik dacht dat hij in de fout ging). Ik heb zijn tekst, zowel in het Engels als in de vertaling van Karel D'huyvetters, bij elkaar wel zo'n zes keer gelezen - aanvankelijk met het schoolmeesterlijk potloodje in de hand om goed te ontdekken waar het toch fout ging. Tot gelukkig het kwartje viel en ik zag wat een meesterlijk stuk Andrea Sangiacomo geschreven heeft. Het was voor mezelf weer eens een bewijs, hoe moeilijk goed lezen en luisteren is, daar je al (bevooroordeelde zgn. eigen of voor-)kennis hebt, waarvan je je verstand moet zuiveren om hem te verbeteren. Enfin, we zitten zo helemaal in Spinoza. Nogmaals, hier kom ik later nog op terug. Ik begin eerst met wat eraan voorafging: het stuk van Steven Nadler.

In 2008 had Nadler een nogal baanbrekend artikel in Mind gepubliceerd, "Spinoza and Consciousness", waarin hij goed gefundeerd aangaf dat men tot dan toe om een bewustzijnstheorie van Spinoza te construeren, een verkeerde weg had bewandeld, namelijk die van de ideae idearum. In Ethica 2/20d en 2/21 had Spinoza laten zien dat in God van elk idee altijd ook weer een idee bestaat: het idea ideae. Deze reflexieve idee zou dan, zo was algemeen de opvatting, de grondslag vormen voor ons bewustzijn. Het nadeel van die benadering is echter dat langs die weg geen verschillen tussen 'bewustzijn' van eindige dingen onderscheiden kunnen worden, want van alles bestaan immers ideeën in God, dus ook ideeën van die ideeën. Zou dan alles bewustzijn hebben? Hoe zouden er zo graden van bewustzijn kunnen worden gevonden, of drempels vastgesteld kunnen worden waarboven bewustzijn zou bestaan?

Hoewel het nog best moeilijk is om de aanzetten die in Spinoza te vinden zijn tot een coherente visie te brengen, heeft volgens Nadler Spinoza tenminste wel "a program for explaining consciousness."

Aan de hand van de weinige aanzetten die Spinoza in het 2e en 5e deel van de Ethica geeft, laat Nadler zien dat een bewustzijnstheorie, gezien de parallelliteit, ontwikkeld zou moeten worden via de bestudering van het lichaam en met name van het brein, zoals de neurologie doet. Die elementen zijn daar te vinden waar Spinoza aangeeft dat de menselijke geest superieur is, waarvoor we de oorzaak moeten zoeken in of beter de correlatie met het object van de geest, te weten het lichaam. Dát lichaam, en hoe geschikter het is om meer dingen tegelijk te doen, moeten we beter leren kennen om te kunnen begrijpen dat en hoe er een geschiktere geest bij past [2/13s]. Het is dan te zoeken in de mate van complexiteit van een lichaam. Voor verdere elementen wijst Nadler op 5/31s en vooral 5/39s waar ook een relatie wordt gelegd tussen groter bewustzijn en grotere complexiteit van het lichaam.

En Nadler meent dat met de resultaten van de neuro- en cognitieve wetenschappen een Spinozistische bewustzijnstheorie verder ontwikkeld zou kunnen worden. Hij ziet nog vraagstukken, waarop hij nu nog geen antwoorden weet, zoals: welke relaties tussen en structuren van ideeën kunnen er zoal zijn? Naast die van intentionaliteit (het idee van iets zijn). Hoe moeten we graden van bewustzijn in relatie zien tot graden van adequaatheid van onze ideeën? In een voetnoot (nr. 21) schrijft hij over wat aan het eind van scholium 2/13s staat over de samenhang van toenemende sterkte (als de acties van het lichaam meer van zichzelf afhangen) het volgens hem daar niet over bewustzijn gaat, maar over adequaat begrijpen, ofwel om kennis.

Het is daarop nu dat Sangiacomo aangrijpt. In zijn artikel gaat hij mee met de richting van Nadler, n.l. dat we juist de grond voor een goede bewustzijnstheorie in de lijn van Spinoza, moeten zoeken in de complexiteit van het lichaam. Maar in zijn artikel gaat hij daarnaast betogen dat bewustzijn alleen van adequate kennis kan afhangen of het gevolg kan zijn. Daarover verder in een volgend blog.