Spinoza & Voltaire over de onmogelijkheid van wonderen

         

In deze tijd, waarin een groot deel van de mensheid zich voorbereidt op het vieren van het 'kerstwonder', is het misschien nodig nog eens op de onmogelijkheid van wonderen te wijzen.

Hoewel het bevorderen dat we in deze tijd een apart gevoel van ‘vrede’ in de zin van het onderbreken van vijandigheden, het bevorderen van gezelligheid en samenzijn, vooral in de betekenis van samen lekker en overvloedig eten en drinken, van de kerken is overgenomen door de winkelketens, en in de betekenis van met elkaar iets leuks doen door de film- en vermaakindustrie en de media, inmiddels zonder nog  enige verwijzing naar de oorspronkelijke wonderbaarlijk geachte gebeurtenis mogelijk blijkt – wat op zichzelf alweer de illusie van iets wonderbaarlijks oproept. 

De Franse uitgeverij Herne bracht enige jaren geleden het boekje uit: Spinoza & Voltaire, Miracles [cf.]

Of dat zo’n gelukkige greep was, weet ik niet. Voltaire had luidop, daarin volgde hij Bayle, weinig op met Spinoza. Vergeleken met Spinoza was Voltaire volgens Jonathan Israel trouwens eerder een conservatieve denker. Hij schreef een nogal stekelig essaytje en een spottend gedichtje over Spinoza [cf. blog en blog]. Maar over de onmogelijkheid van wonderen zijn beiden het eens en hanteren ze ongeveer dezelfde argumentatie. Dus zo gezien is dit samenbrengen van teksten zo gek nog niet.

Spinoza benadrukt in het zesde hoofdstuk van de Tractatus Theologico-Politicus dat de natuur niet tegen de natuur in kan gaan, maar altijd een vaste en onveranderlijke loop heeft. Een wonder zou als iets tegennatuurlijks, iets dat tegen natuurwetten ingaat, dan ook iets absurds zijn. Doordat Spinoza voor natuurwetten de metafoor ‘Gods wil’ invoert, lijkt zijn redenering misschien ingewikkeld, maar voor wie dat metaforische aanpassen aan de taal van de mensen inziet, is het betoog glashelder.

Ook voor Voltaire, die over 'Miracles' in meerdere werken, maar vooral in Dictionnaire philosophique (1765) schreef, zou een wonder een schending zijn van de wiskundige, goddelijke, onveranderlijke, eeuwige wetten. Iets een wonder noemen zou zo bezien een contradictio in terminis zijn: een wet kan immers niet tegelijkertijd onveranderlijk zijn én geschonden worden.

Zowel Spinoza als Voltaire wijzen erop dat juist degenen die in wonderen geloven onvroom zijn en niet God als God erkennen. Maar ja, dat hangt uiteraard samen met het ‘type God’ waar men vanuit gaat.

Het lijkt me wel aardig hierbij dit 'kunstwerkje' dat Charline Aguéra op Instagram plaatste, mee te nemen:

 

Reacties

Voltaire schreef zijn Questions sur les Miracles, waarin hij hoofdzakelijk koketteert met zijn eruditie, een jaar na de publicatie van Lettres écrites de la Montagne (1764) van Rousseau. Lettre 3 (Ned. vertaling www.verbodengeschriften.nl/html/brievengeschrevenopdeberg3.html ) gaat over Wonderen en mijns inziens is Rousseau heel wat scherpzinniger dan Voltaire, die zonder twijfel de publicatie van Rousseau gelezen heeft. Zoals je weet heeft Rousseau Spinoza gelezen en schurkt toch meer tegen hem aan dan Voltaire. Die laatste heeft inderdaad geen hoge dunk van Spinoza, want hij eindigt zijn Questions met: “Spinoza geloofde in geen enkel wonder, maar er wordt verteld dat als hij maar vijfhonderd florijnen had, hij die zou delen met een arme vriend die ze allemaal geloofde. Welnu, laten we de blindheid van Benoit Spinoza beklagen en zijn moraal navolgen en, omdat we verstandiger zijn dan hij, ook deugdzamer zijn.”

Rob Kramer