Spinoza scepticus?

In zijn erudiete boek Het schandaal van de filosofie. Hoofdlijnen van het sceptische denken van de oudheid tot heden (Klement/Pelckmans, 2010) behandelt Henri Oosthout ook Spinoza. Hij doet dat in hoofdstuk 18, Vrijdenkers en apologeten, in drie paragrafen: 18.5 Baruch Spinoza en de Bijbel, 18.6 Spinoza over waarheid en zekerheid en 18.7 Spinoza over de hyperbolische twijfel van Descartes.

Alleen al het behandelen in een boek over scepticisme wekt de suggestie dat Spinoza tot de sceptici behoord zou hebben, maar niets is minder waar.
Oosterhout zal niet bijster vertrouwd zijn met Spinoza (hij laat hem van Jan de Witt nog een jaargeld krijgen en laat hem op 45-jarige leeftijd overlijden), maar zijn leer geeft hij redelijk goed weer – waarschijnlijk vanuit secundaire bronnen.

Welnu, is Spinoza sceptisch over de openbaring, het geloof, de theologie? Oosthout omschrijft filosofische scepsis als “een twijfel, of beter nog, een opschorting van oordeel, op beredeneerde gronden.” Spinoza’s houding is: veel van de Bijbel weten we niet precies en kunnen we proberen uit historisch, filologisch e.d. onderzoek zo goed mogelijk te achterhalen over ontstaan, auteurs, hun bedoelingen, de adressanten, de samenstellers etc. Daar doet Spinoza zelf flink aan mee. Maar over de kern waar het om gaat, de status ervan, is hij heel duidelijk: boven- of buitennatuurlijke boodschappen bestaan niet; wonderen bestaan niet, maar hebben alles te maken met onkunde over de vaste natuurwetten in concrete gevallen. Op het punt van al dan niet bestaan van ‘openbaring’ is Spinoza geen moment twijfelaar, scepticus. In de TTP behandelt hij in Hoofdstuk XV de twee exegetische posities die ofwel de Bijbel willen aanpassen aan of uitleggen vanuit de rede (Maimonides), die richting noemt hij dogmatisch, ofwel de rede willen aanpassen aan de Bijbel (Alfakar), die richting noemt hij scepticisme. Van beide richtingen moet hij niets hebben. Zijn houding is: je moet niet rommelen met de Bijbel en niet met je verstand (je ‘natuurlijk licht’). Je moet zo onbevangen en oprecht mogelijk de Bijbel zelf laten spreken over wat hij zegt, wat daar echt staat, en bij het begrijpen en uitleggen daarvan schakel je je verstand uiteraard niet uit. En wat niet kan, dat kan niet, ook niet als het in de Bijbel staat.

Spinoza kun je dus t.a.v. de Bijbel zeker geen scepticus noemen. Hij heeft geen enkele twijfel over de ware betekenis van de Bijbel en vandaar zijn ‘voorstel’ om de Bijbel niet te beschouwen als een boek dat kennis en waarheid beoogt, maar een dat wil bijdragen tot vreedzaam samenleven in gehoorzaamheid aan de (burgerlijke) wetten en liefde voor de naaste. Voor de meeste mensen is daar een geloof voor nodig zoals de Bijbel biedt en daarvan geeft hij in Hoofdstuk XIV een samenvatting. Scheiding dus van theologie (op dat terrein is geen scepsis van toepassing) en filosofie. En ook op het terrein van de filosofische kennisleer is Spinoza zoals bekend bepaald geen scepticus: de waarheid is de norm van zichzelf en het onware (veritas norma sui et falsi). Van het schijnbaar, zogenaamd opschorten van het oordeel moet hij niets hebben. Dat is het ‘alsof’ van het veinzen. Je bent niet vrij om te oordelen over of je een waar idee hebt. Wie een waar idee heeft, wéét dat hij dat heeft en moet dan niet gaan doen alsof hij dat niet weet. Wie dat toch doet is geen scepticus, maar een ignoramus, een ‘wij weten ’t niet’ (of is domoor of gek).
En van verhalen over of hypothese aangaande een eventuele bedriegende God moet hij al helemaal niets hebben. Zijn God is de natuurlijke orde der dingen waarbij het volkomen absurd is te denken aan uitzonderingen of afwijkingen.

VoorkantAls je Google ‘Spinoza’ en ‘Scepticism’ ingeeft krijg je vele tientallen hits naar het boek van Richard H. Popkin, The History of Scepticism from Erasmus to Spinoza (1979; voortgekomen uit ‘… from Erasmus to Descartes uit 1960). Het laatste, XIIe, hoofdstuk luidt: Spinoza’s scepticism and anti-scepticism. Popkin, over wiens Spinoza-boekje ik een positief blog had, geeft een voortreffelijke samenvatting van de TTP. Maar opmerkelijk vind ik het, dat hij Spinoza sceptisch vond staan t.o.v. religieuze kennis en ‘completely anti-sceptical’ t.o.v. rationele kennis, d.w.z. metafysica en wiskunde. Ik begrijp niet hoe hij bij Spinoza een spoortje twijfel of opschorten van oordeel bespeurt. Spinoza onderzoekt onverschrokken de Bijbel, zoals je alle natuurverschijnselen onderzoekt. Zijn conclusie is duidelijk: er is voor de Bijbel geen plaats voor degenen die zoeken naar hoe de wereld in elkaar steekt (voor kennis daarover is de Bijbel niet van waarde). Maar voor de burgerlijke samenleving van mensen heeft de Bijbel wel een praktisch nuttige functie of waarde.
Maar om Spinoza vanwege dat laatste een scepticus te noemen wat betreft de Bijbel en Openbaring, hem een ‘religious scepticism’ toe te kennen zoals Popkin deed, gaat mij te ver.

De kenniswaarde van de Bijbel over het universum is nihil, de nuttigheidswaarde voor politiek en samenleving bestaat – voor zolang het duurt, kunnen we er in deze tijd bij zeggen. Nee, een theologisch agnosticus, andere term voor een ‘religious scepticist’, was Spinoza bepaald niet. Maar een fraai en waardevol hoofdstuk (onder deze kanttekening) is dat van Popkins over dit onderwerp wel.

                                               * * *

[Aanvulling] “the not at all sceptical Spinoza”

Deze typering stamt van Ezequiel de Olaso [in zijn review van The History of Scepticism from Erasmus to Spinoza. by Richard H. Popkin. In: Noûs, Vol. 18, No. 1, 1984 A. P. A. Western Division Meetings (Mar., 1984), pp. 136-144].

Nadat ik mijn blog af had ging ik nog eens verder snuffelen en stuitte op deze boekbespreking die in andere bewoordingen op ongeveer dezelfde kritiek uitkomt.

“Popkin holds that concerning revealed religion Spinoza professes a religious scepticism classified by him as "academic skepticism." This is in my opinion the most obscure point of the new edition. [..] In his Preface Popkin characterizes the academic sceptics as philosophers who said that "nothing is certain" (page xiv) or that "nothing can be known" (page xv); academic philosophers are clearly speaking about empirical knowledge since formal and normative knowledge are excluded from academic epistemology. But as negation is a judgment "Academic scepticism came to a negative dogmatic conclusion from its doubts" ibidd). "The Academic sceptics were not really sceptics, but actually were negative dogmatists" (ibid., xviii) an opinion of many modern philosophers to which Popkin subscribes. Yet the way in which Spinoza establishes that theological and religious propositions are not cognitive has nothing to do with an academic position. Spinoza dogmatically starts from an absolutely rational paradigm of knowledge, and then contrasts the alleged religious "knowledge" with that model." 

                                               * * *

Tot zover mijn eigenlijke blogtekst.

Jonathan Bennett die altijd zeer critisch tegenover Spinoza staat noemt [in: A study of Spinoza’s Ethics. CUP Archive, 1984] Spinoza “muddled (verward) about scepticism.” Ik geef deze passage [p. 176/77]:

"To understand this part of the Ethics, and especially to grasp how it fits with Parts 4 and 5, one must understand Spinoza's technical term 'inade-quate'. His official definition of it has almost nothing to do with how the word is used in the Ethics. Let us get that definition out of the way first:

By adequate idea I understand an idea which, insofar as it is considered in itself, without relation to an object, has all the properties or intrinsic marks of a true idea. Explanation: I say intrinsic so as to exclude what is extrinsic, viz, the agreement of the idea with its object. (2d4)

Broadly speaking, an adequate idea is a belief that you can know to be true a priori, either by seeing it to be self-evident or by deriving it from others which are self-evident. Spinoza does not argue that there are such beliefs, let alone explain how they are possible; he merely coins a name for them. Anyway, what are the 'intrinsic marks of a true idea'? Why isn't an idea's being an idea a sufficient mark of its being true? This question leads into a tangle which I shall not present and unravel; it includes the remark in Letter 60 (at IV/270/18) that 'true idea' and 'adequate idea' are co-ex-tensive.

The 2d4 sense of 'adequate idea' is left over from the Emendation, where it figures in Spinoza's struggle with Cartesian scepticism.' [Foornote 15: Emendation §§33ff, especially §35] Spinoza secs scepticism as arising from a demand that whatever is believed be justified, and he replies that some truths occur in the mind with their own warrant: they need no further justification because they have the 'intrinsic marks' of truth, i.e., because they are 'adequate'. It is not a good discussion. Fortunately, the interest in scepticism which prevails in the Emendation is almost absent from the Ethics. All we find there is the proposition: 'He who has a true idea at the same time knows that he has a true idea, and cannot doubt the thing's truth.' (2p43) This is supposed to concern scepticism, as can be seen from the supplementary remark: 'What can there be which is clearer and more certain than a true idea, to serve as a standard of truth? As the light makes both itself and the darkness plain, so truth is the standard both of itself and of the false.' (p43s at 124/14) I think that Spinoza is muddled about scepticism. Suppose that, in Cartesian fashion, I am wondering whether I am entitled to be sure that P. or whether I know that P. or whether my idea that P is clear and distinct or 'true' in some special sense. Then Spinoza tells me that if I have a true idea then I know that I do. That is no help at all, for it merely implies that I should wonder not only whether P meets my standards but also whether I know that it does. The other part of p43-- ‘He who has a true idea cannot doubt the thing's truth' —implies that all actual scepticism is justified, which strikes me as foolish and unfounded. This muddle about scepticism is inherited from the Emendation. Mercifully, the Ethics contains very little of it: of the four deductive uses of p43, two are weak and none have to do with scepticism.
[
footnote 16: For a useful discussion of Spinoza on scepticism, see Doney's 'Spinoza on Philosophical Skepticism.']" [zie books.google]

Reacties

Oosthout goed weerlegd! Valt niets aan toe te voegen.

Ik had in dit blog niet Oosthout weerlegd. In zijn bespreking van Spinoza's filosofie kon ik mij vinden en vatte ik op eigen wijze samen. Het ging mij slechts om de suggestie dat het zou lijken dat Spinoza tot de sceptici behoorde, terwijl hij de sceptische positie juist bestreed.
Oosthout vormde slechts een aanleiding. Maar dat had beter uit de verf kunnen komen.
Ik bestreed in dit blog vooral Popkin die Spinoza als ‘religious scepticist’ zag.