Spinoza over kunsten en wetenschappen

Na weer eens twee blogs over kunst die betrekking heeft op Spinoza, over Het Kristal. Twaalf sonnetten voor Spinoza van Paul Claes [cf.] en het schilderij van de jonge Spinoza van Lia Duboucheron [cf.] wil ik het in dit blog eens hebben over het grote belang dat Spinoza hechtte aan wetenschappen niet alleen, maar ook aan kunsten.

  

 

Dat Spinoza geen bijdrage leverde aan de filosofie van de esthetica heb ik al in veel blogs laten zien. Het was niet zijn interesse om een kunsttheorie te ontwikkelen, wel om m.b.v. zijn Ethica a.h.w. bij te dragen tot een levenskunst. Zo kon ik eveneens vele malen verwijzen naar zijn aanbevelingen op het punt van het - op bescheiden wijze, dat wel, maar toch - genieten van de goede dingen die de natuur en de menselijke kunst ons bieden (Ethica 4/45s).

Maar hij benadrukte ook het belang van kunsten en wetenschappen voor ons leven en samenleven (zonder welke we niet kunnen leven) en dat deed hij in de Tractatus theologico-politicus. Op wel drie plaatsen in de TTP betoogde hij over het belang dat hij hechtte aan "kunsten en wetenschappen" (artes & scientias) - daaraan had ik tot heden geen aandacht gegeven. Als je er niet speciaal op let, kun je er zo makkelijk overheen lezen.

Of het spreken over "kunsten en wetenschappen" in de 17e eeuw, of door Spinoza in het bijzonder, in dezelfde betekenis geschiedde als nu, weet ik niet, maar uit de plaatsen die ik hieronder citeer, vermoed dat het weinig verschild zal hebben.

In het volgende maak ik uiteraard gebruik van de vertaling van de TTP door Fokke Akkerman.

In hoofdstuk 5, waarin hij op het historische en daarom relatieve van ceremoniën wijst, schrijft hij in § 7 over het belang van de gemeenschap en de taakverdelingen die deze mogelijk maakt: "De kracht en de tijd, zeg ik, zouden de enkeling ontbreken als hij alleen moest ploegen, zaaien, oogsten, malen, koken, weven, naaien en zeer vele andere dingen doen om het leven in stand te houden. En dan zwijg ik nog maar van kunsten en wetenschappen, die eveneens hoogst noodzakelijk zijn voor de vervolmaking van de menselijke natuur en voor 's mensen gelukzaligheid."
[Vires, & tempus, inquam, unicuique deficerent, si solus deberet arare, seminare, metere, molere, coquere, texere, suere, & alia perplurima, ad vitam sustentandum efficere, ut jam taceam artes, & scientias, quae etiam ad perfectionem humanae naturae, ejusque beatitudinem sunt summe necessariae. TTP Caput V § 7]

Je ziet hoe hij hier "kunsten en wetenschappen" als op een hoger plan ziet dan het werken aan de eerste of dagelijkse levensbehoefte, maar die voor de ontwikkeling van het menselijke als "summe necessariae" typeert.

In hoofdstuk 15, waarin hij de noodzakelijkheid van scheiding van theologie en filosofie beargumenteert, schrijft hij in § 8 over de onmogelijkheid om van de rede afstand te doen of de kunsten en wetenschappen te minachten: "Zeker geef ik wel toe dat zij die denken dat de filosofie en de theologie elkaar tegenspreken en die dus van mening zijn dat één van de twee het veld moet ruimen, zodat men of de één of de ander vaarwel moet zeggen, er verstandig aan doen de theologie stevige fundamenten te verschaffen en te pogen haar wiskundig te bewijzen. Wie immers die niet wanhopig of krankzinnig is, zou de rede zomaar vaarwel willen zeggen of de kunsten en wetenschappen minachten en de zekerheid van de rede ontkennen?" [Equidem fateor, qui putant Philosophiam & Theologiam sibi invicem contradicere, & propterea alterutram e suo regno deturbandam existimant, & huic aut illi valedicendum, eos non absque ratione studere Theologiae firma fundamenta jacere, eamque mathematicè demonstrare conari. Quis enim nisi desperatus & insanus rationi temerè valedicere vellet, vel artes & scientias contemnere, & rationis certitudinem negare? TTP Caput 15 § 8 ]

Ook hier geeft hij weer haarscherp aan hoe even onmogelijk het voor een (normaal) mens is van kunsten en wetenschappen af te zien als van de rede. Hij stelt a.h.w. de menselijke rede en de "kunsten en wetenschappen" die we ermee produceren op één lijn.

En in het slothoofdstuk, waar het hele betoog van de TTP in samenkomt en hij de noodzaak van vrijheid van denken en spreken en van de libertas philosophandi bewijst en beklemtoont komt hij aan het eind van § 10 nog eens te spreken over "scientias & artes" (aan de omkering van de volgorde is m.i. geen betekenis te hechten): "Voeg daar nog bij dat daaruit geen ongemakken voortkomen die niet, naar ik aanstonds zal aantonen, door het gezag van de magistraten vermeden kunnen worden, om dan nog maar niet ervan te spreken hoe hoogst noodzakelijk die vrijheid is om wetenschappen en kunsten te bevordern. Want die worden slechts met succes beoefend door hen die een vrij en allerminst vooringenomen oordeel hebben." [Adde, quod nulla ex eadem incommoda oriuntur, quae non possint (ut statim ostendam) authoritate magistratuum vitari, ut jam taceam, quod haec libertas apprime necessaria est ad scientias, & artes promovendum; nam hae ab iis tantum foelici cum successu coluntur, qui judicium liberum, & minime praeoccupatum habent. TTP Caput 20 § 10]

Uit het feit dat hij de wetenschappen nog eens vijf maal apart noemt zonder de verbinding met de artes (het omgekeerde komt niet voor), zou je kunnen vermoeden dat hij de wetenschappen nog net iets belangrijker vond dan de kunsten, maar uit de manier waarop hij er in deze drie plaatsen over spreekt, is duidelijk dat voor hem de kunsten net zo levensnoodzakelijk voor ons zijn, als de wetenschappen. Sed de his satis.