Spinoza lijkt toch een soort 'objectief' Goed te kennen...

... maar dat houdt iets teleologisch én antropocentrisch.

Spinoza geeft op diverse plaatsen in de Ethica - te beginnen in de Appendix van deel I - een kritiek van het dominante en nogal teleologische en antropocentrische denken over goed en kwaad. Dit werkt hij verder uit in de Praefatio van deel IV en dat leidt dan tot zijn bekende 1e definitie van dat deel IV: "Onder 'goed' zal ik datgene verstaan waarvan we zeker weten dat het nuttig voor ons is."

Dit heeft tot nogal wat commentaren geleid waarin Spinoza een hoge mate van utilitaristisch denken verweten werd.

Nadat ik in een eerder blog gewezen heb op een aanvechtbare interpretatie van J.H. Gunning, vind ik het ook wel een vorm van Spinozistische honestas om te wijzen op zijn ook goede begrip van Spinoza wat betreft dit onderwerp. Zo bijvoorbeeld in voetnoot 77 waar hij schrijft:

"Men mag zelfs zeggen dat Spinoza in zooverre boven het eigenlijk gezegde utilisme, dat geen eeuwige beginselen toelaat, verheven is, als men hem toch tot erkenning van een zekere eeuwige vastheid van het Goede en het Kwade, althans tot erkenning van het objectief, van individueele willekeur onafhankelijk karakter van goed en kwaad zou kunnen dwingen. Immers wat in waarheid onzer keuze waardig, en alzoo goed is, dat verkondigt de Rede a priori: en wat zij alzoo verkondigt, dat is bij alle menschen, wanneer zij waarlijk de zuivere Rede in zich aan het woord laten komen, hetzelfde."

Hier lijkt Gunnings wel een punt te hebben, althans voor wat betreft wat uiteindelijk goed is (voor het kwaad geldt dat niet, want dat heeft niet iets positiefs, maar betreft alleen het ontbreken van iets). Maar inderdaad, het werkelijk goed voor de mens heeft niet iets willekeurigs, maar is voor alle mensen die naar de rede willen leven voor Spinoza gelijk. "Het hoogste goed van hen die de deugd nastreven, heeft iedereen gemeen en iedereen kan ervan genieten." [E 4/36] En waarom is dat zo? Omdat dat hoogste goed het streven om te begrijpen is, en dat weer is: nastreven God te kennen - immers "het hoogste goed van de geest is de kennis van God, en de hoogste deugd van de geest is God te kennen," [E4/28] en dat is een goed dat alle mensen gemeen hebben en allen in gelijke mate kunnen bezitten voor zover zij dezelfde aard hebben. [4/36d]

Zo kun je inderdaad zeggen dat het 'uiteindelijke' of 'hoogste' goed iets algemeens en dus - in hedendaagse termen - iets objectiefs heeft. Spinoza's conatus in se esse perseverandi heeft, zoals hij het uitwerkt en waarin dat telkens weer blijkt, niets van subjectivisme, egoïsme of utilitarisme, zoals ook duidelijk blijkt uit 4/37 en de twee scholia daarbij, waarin Spinoza het sociale en altruïstische van zijn filosofie benadrukt en laat zien hoe alles samenkomt in: religio, pietas en honestas [religie ofwel verbondenheid, plichtsbetrachting en eerlijkheid].

Maar Spinoza blijft wel consequent. Ook al betrekt hij dat 'hoogste goed' op God, het wordt bij hem niet een eigenschap van iets buiten ons in de werkelijkheid. Geen zich a.h.w. buiten ons bevindende en onafhankelijke "waarde" ofwel - in scholastieke termen - dat wat de ratio finis et boni: de reden is waarom iets een goed is en het doel is van ons streven. Het blijft bij Spinoza omgekeerd: iets is een goed omdat wij ernaar streven.

Dat 'hoogste goed' blijft bij hem op ons mensen betrokken, daar het gevonden wordt in ons streven naar begrijpen. Uiteindelijk komt ook Spinoza - zij het op heel andere manier en met een heel andere inzet - uit op een filosofische analyse met een zeker teleologisch en antropocentrisch karakter.