Spinoza in Utrecht

Al enige malen was ik bij mijn internet-speuracties naar Spinoza langs de tekst gekomen uit 1896 (de 60e jaargang) van De Gids, die een bespreking wilde zijn van het boek van K.O. Meinsma dat datzelfde jaar was uitgekomen.

Meinsma's boek bleek meer de aanleiding te zijn voor de beschouwing, die wellicht daarom de aanduiding meekreeg: “Een aanteekening op”. Het door ene B. ondertekende stuk is te vinden bij de DBNL.

De titel van het stuk luidt: Spinoza in Utrecht. Een aanteekening op: Spinoza en zijn Kring. Historisch-Kritische studiën over Hollandsche vrijgeesten door K.O. Meinsma.

Wie is die B? vroeg ik mij af. Het moet wel een redacteur zijn.
In de verantwoording is te vinden dat de redactie toen bestond uit: W.G.C. BYVANCK, J.N. VAN HALL, A.G. VAN HAMEL, A.A.W. HUBRECHT en P.W.A. CORT VAN DER LINDEN.

Het stuk zal dus geschreven zijn door dr. W.G.C. Byvanck (1848-1925), bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek (1895-1921), die tevens redacteur was van De Gids (1893-1905). Een van zijn andere functies was nog hoofdbestuurder van het Museum Meermanno-Westreenianum.

Boeken waren dus zijn vak.

Op deze recensie die maar een halve recensie werd en zich vooral als een interessante erudiete beschouwing ontpopte over wat er hem, Byvanck, zoal bekend was over de tocht van Spinoza naar Utrecht, wilde ik in dit blog graag wijzen. En even vaststellen wie de schrijver was.

Byvanck schreef ook, zo is te lezen in zijn levensbericht (zie onder):
Een nieuw leven van Spinoza: J. Freudenthal, Spinoza. In: De Gids 1904: II blz. 472, maar dat nummer is door de DBNL nog niet gedigitaliseerd.

Spinoza en Molière. Theologisch-politisch tractaat en Tartuffe. (Uittreksel uit een voordracht gehouden op 20 December 1916). In: Archives du Musée Teyler 1919: Série III, vol. IV, blz. 294.

Deze drie stukken staan ook in de Bibliographie spinoziste van Jean Préposiet

Ik vond de samenvatting van deze laatste verrassende beschouwing bij Internet Archive en neem deze hieronder op (de opmaak van de tekst heb ik aangepast aan de gescande tekst van het tijdschrift die er ook als PDF te vinden was)

________________________________________________________

W. G. C. BIJVANCK.

SPINOZA EN MOLIÈRE.

THEOLOGISCH-POLITISCH TRACTAAT en TARTUFFE.

(Uittreksel uit een voordracht gehouden op 20 December 1916.) De namen van deze tijdgenooten staan ongetwijfeld op een verren afstand van elkander. Zoo plaatsen zij zich ten minste in ons vizier naar de gewone beschouwing. De vraag is echter of niet werk van den een door vergelijking licht zal geven aan werk van den ander, wanneer wij, ons los makend van de uiterlijke voorstelling, het type van de actie zooals Molière haar schept, gaan meten aan het voortbrengsel van Spinoza.
   Wij verkeeren hier dus niet in het gebied van den uiterlijken, maar van den innerlijken vorm.
  
Toch wil ik eerst op eenige uiterlijke punten van overeenkomst wijzen tusschen den Tartuffe van den Franschen blijspeldichter en den Tractatus theologico-politicus van den Hollandschen wijsgeer, want zonder eenig reëel houvast loopt men gevaar zijn gedachte in het vage te doen opgaan.
  
Beide, Tractatus en Comedie, zijn zeer diep overlegde stukken geweest, geschreven in meesterschap; de volledige uitwerking van het plan heeft niet alleen de schrijvers ongeveer een gelijke ruimte tijd, maar ook ongeveer dezelfde jaren bezig gehouden (1665—1670). Dezelfde strooming van den tijd heeft op de gedachte van twee denkers ingewerkt.
  
Is dan het product van den een een drama en van den ander een politiek philosofische verhandeling, zij gelijken hierin op elkander dat zij voor een dadelijk doel zijn geschreven: het [295] komische drama houdt de maatschappij van den dag den zedespiegel voor, maar ook de verhandeling heeft een bepaalde strekking ingrijpend in het maatschappelijk en staatsleven van die dagen. Het Tractatus van Spinoza heeft wel een omvattenden inhoud, men heeft er zelfs in gevonden de grondslagen van de moderne Bijbelkritiek, de drift van het geheel bemoeit zich echter om de vraag van de orde in den staat en de machten die de orde verstoren.
  
Hume heeft het, in de volgende eeuw, zeer gelukkig uitgedrukt toen hij, handelend over de beroering door geestelijken in de wereld gebracht, van de mannen, sprak, die gevonden hebben waarnaar Archimedes zocht, nl. een standpunt buiten de aarde waarmede zij de aarde in beweging konden brengen. Als bondgenoot van Johan de Witt, maar ook in zijn eigen recht als uitgestootene uit de Jodengemeenschap, heeft Spinoza in zijn tractaat den waan bestreden van een geestelijkheid, die krachtens een hooger recht en een hemelsche opdracht haar oordeel wilde uitspreken over wetten en instellingen van staat en samenleving, hij heeft daartoe de Bijbelboeken ontleed, en de hooge aanspraken onder het licht der redeneering tot hun eenvoudigsten vorm herleid. Dat alles in een levendige voorstelling, prikkelend van satire en bittere wijsheid, op een manier die meer doet denken aan Romaanschen dan aan Germaanschen stijl (Spinoza van afkomst is Spanjaard). Hierdoor komt ook uiterlijk veel voor wat den wijsgeer doet toenaderen tot den comicus.
  
De hoofdzaak echter voor de vergelijking moet blijven het type van de actie.
  
Voor Molière is dat de handeling van den schijnheilige, die onder het dek van vroomheid zijn eigen belangen dient en door de verheffing van geestelijke waarden, eenzijdig, de orde van het burgerhuishouden verstoort, ja, den staat aantast omdat hij de burgers te gronde wil richten. Zoover dringt de beroering door, dat alleen de opperste staatsmacht haar weerstand kan bieden.
  
Het is dezelfde gang en het zijn dezelfde wezenstrekken in het Tractatus. Daar is het de profeet van het O. Testament voortlevend in de strenge predikanten die het geregelde gezag niet tot rust laat komen; ook daar moet de arm van den machtige te hulp worden geroepen. Wij zien haar onder andere maskers in onze Republiek dan in het Frankrijk van Lodewijk XIV, maar het is dezelfde wereld. [296]
  
Zoo trekken wij onze conclusie.
  
In het gelijktijdige verschijnen van Tractaat en Comedie zien wij een voorgevoel van een tijd van geestelijke reactie; zij komt nader in de jaren na 1670, in 1680 is zij reeds doorgebroken.
  
In Holland gaat zij gepaard met strenge kerkelijke censuur en onderdrukking van vrije gedachte, in Frankrijk met de niet meer verafliggende terugroeping van het edict van Nantes en de dragonnades.
  
Analogieën als tusschen tractaat en comedie bewijzen de algemeenheid van de gedachtengolven die over West-Europa gaan.

In: Archives du Musée Teyler, 4-5, ser.3, 1919-1922 [hier]

 

Bronnen over deze Byvanck

Zijn levensbericht bij de DBNL 

Nog een biografisch bericht

Opbouwer van de Goethe-collectie van de KB

                             
W.G.C. Byvanck door Jan Toorop 1921 [67.5 x 49.5 cm Crayon on paper] Koninklijke bibliotheek, Den Haag [van hier]

Reacties

De aantekening van Byvanck is ZEER LEZENSWAARDIG. Zij nuanceert mijn kennis van Stouppe's boekje, geeft details over Spinoza's bezoek aan Utrecht die niet bekend waren, en nuanceert mijn waardering voor de klassieker van Meinsma.
Zo brengt de digitalisering van oude tijdschriften enorm waardevol materiaal te voorschijn en ter beschikking van de ge/interesseerde, zeker als hij daarbij dan ook nog geholpen wordt door een fenomenale Verdultiaanse speurzin. Bibliotheek- en archiefbezoek wordt meer en meer overbodig. Ik ben te vroeg geboren.