Spinoza in recente inleidingen in de filosofie

Enige recent verschenen of heruitgebrachte inleidingen in de geschiedenis van de filosofie zijn voor mij aanleiding na te gaan hoe Spinoza hierin behandeld wordt.

Dit jaar verscheen bij Het Spectrum de vertaling van het tweede boek van Robert Zimmer, De nieuwe schatkamer van de filosofie. Een sleutel tot 18 onsterfelijke werken. [Kort daarna werd het eerste boek in de ramsj gedaan; bij de Slegte wellicht nog verkrijgbaar].

In dit boek geeft Zimmer impressies van de belangrijkste/bekendste werken van Aristoteles, Marcus Aurelius, Boëthius, Thomas va Aquino, Nicolaas van Cusa, Thomas Hobbes, Baruch de Spinoza, David Hume, Charles de Montesquieu, Jean-Jacques Rousseau, Gerog Friedrich Hegel,  Ludwig Feuerbach, John Stuart Mill, Oswald Spengler, Jean-Paul Sartre, Marx Horkheimer/Theodor W. Adorno, Hans-Georg Gadamer en Paul Feyerabend. 

Elk hoofdstuk is een genot om te lezen. De lezer krijgt er echt een redelijk goed beeld van het betreffende werk en de impact ervan.

Het hoofdstuk over Spinoza’s Ethica geeft werkelijk een voortreffelijk beeld van waar het Spinoza om ging. Ik vind het buitengewoon knap hoe deze schrijver, een geboren uitlegger, zich heeft ingelezen en laat zien dat hij begrepen heeft waar het in hoofdlijnen in dit boek om gaat. Als iemand mij zou vragen naar een kort artikel om enig inzicht in Spinoza’s Ethica te krijgen, zou ik naar dit hoofdstuk verwijzen. Het is mede zo goed, daar hij telkens in korte schetsen Spinoza’s denkbekommernis en door hem gehanteerde centrale begrippen situeert in de geschiedenis van de filosofie. Uiteraard kun je in twaalf bladzijden niet alles aan de orde stellen; Zimmer beperkt zich tot de metafysische grondslagen waarop Spinoza zijn Ethica in deel I bouwt; de rest komt er wat kariger van af, maar het betreft wel de kern van zijn filosofie.

Ik betrap de schrijver op slechts een paar foutjes of aanvechtbare beweringen. Deus sive natura legt hij uit als: “Spinoza verdedigt een pantheïsme, dus een leer volgens welke God en wereld identiek zijn.” Dat is niet zo fraai gezegd, want voor Spinoza zijn God en wereld niet identiek – er is ook verschil. De wereld, het universum is niet causa sui. Hij trekt wel God de wereld in en de wereld in God (alles is in God en God is in alles, maar God en alles zijn niet hetzelfde; natura naturans en natura naturata zijn niet identiek).
Opmerkelijk is dat hij schrijft dat de wijsheid, aldus Spinoza, ‘bijna door iedereen wordt verwaarloosd, hoewel ze makkelijk bereikbaar is en zonder veel moeite gevonden kan worden’. Dat staat nu juist niet in de beroemde laatste zin van de Ethica.
Tenslotte is een slordigheid: ‘Lessing koos openlijk partij voor Spinoza…” Dat deed hij nu juist niet openlijk en met het verklappen van Lessings aanhangen van Spinoza door Jacobi ontstond nu juist de beroemde Spinozastrijd van de Duitse Romantiek.

Dit zout moest even op het slakje worden gelegd bij een overigens voortreffelijk hoofdstuk over Spinoza’s Ethica.

 

 

Geheel anders vergaat het mij bij de paragraaf van zeven bladzijden over Benedictus de Spinoza in het deze maand verschenen boek van Etienne Vermeersch & Johan Braeckman, De Rivier van Herakleitos. Een eigenzinnige visie op de wijsbegeerte, uitgeverij Houtekiet, Antwerpen, 260 pgs. ISBN: 9789089240354 €24, 95.

 

Plato, Aristoteles, Descartes, Spinoza, Popper, Rorty en vele anderen passeren de revue en worden in hun context geplaatst. De auteurs maken duidelijk welke problemen deze filosofen bezighielden en hoe ze die probeerden op te lossen, aldus de uitgeverstekst. Mij interesseerde hoe zij dit met betrekking tot  Spinoza doen. Als ik in de eerste alinea lees over Spinoza’s “geloof in God” dan gaan bij mij de stekels al direct overeind staan. Bij Spinoza was het geen geloof, maar zijn rede die hem via zijn eigen en andermans wetenschappelijke reflectie op ervaringen over de onder alles liggende goddelijke substantie deed weten. Als de schrijvers iets later schrijven dat God en de wereld een eenheid vormen typeren zij dat juist (dat is niet hetzelfde als zeggen dat ze identiek zijn). Maar ook daarop volgt direct (betwistbaar): God valt samen met de werkelijkheid. Ook bij hen gaat het dan over pantheïsme.

Als ik deze paragraaf tracht te lezen door de ogen van iemand die eerder nog niet over Spinoza vernam, krijg ik het sterke vermoeden dat deze maagdelijke lezer er niets van zal begrijpen. Ineens is daar de substantie, zomaar komt de noodzakelijkheid uit de lucht vallen.

De poging om Spinoza’s vrijheidsbegrip toe te lichten komt niet echt uit de verf. Tot tweemaal toe wordt hierover gesproken en tot tweemaal wordt het begrip ‘autonomie’ geïntroduceerd. In hun behandeling van deze materie lijkt het net alsof vrijheid, die zij gelijkstellen met ‘autonomie’ staat tegenover gedetermineerdheid. Zo is het niet bij Spinoza. ‘Autonomie’ is trouwens geen term van Spinoza. Bij Spinoza gaat het erom dat iemand vrij is die handelt, alleen bepaald door zijn eigen natuur en door niets vanbuiten zijn natuur wordt gedwongen, tegengewerkt of beperkt. Zo is God absoluut vrij om noodzakelijk te handelen volgens zijn natuur, daar er niets buiten zijn substantie bestaat dat enige beperking zou kunnen opleggen. De mens kan er alleen maar naar streven om iets hiervan te bereiken: te kunnen handelen naar het adequate begrip van zijn natuur, als ingebed in de totale natuur / om met intuïtieve kennis de werkelijkheid naar waarheid te begrijpen, deel te hebben aan de goddelijke kennis en daarin zijn geluk te vinden. Bij het begrip ‘autonomie’ dat deze schrijvers gebruiken lijkt het net alsof de mens handelt volgens wetten die hij zichzelf stelt. En dat is niet de manier waarop Spinoza onze werkelijkheid ziet. De auteurs spelen iets teveel hun eigen Spinozaatje-spel.
Ik heb deze paragraaf dan ook niet tot mijn genoegen gelezen en zal iemand die mij naar een samenvatting van Spinoza vraagt, niet naar dit boek verwijzen.
Tot slot, anders dan Zimmer behandelen Vermeersch & Braeckman iets van de TTP.

 

Dit jaar verscheen een goedkope herdruk van een boek dat al eerder, in 1998 was vertaald, en dat in Frankrijk indertijd furore maakte: Roger-Pol Droit, In gezelschap van filosofen, Olympus, 2008 (eerder bij Atlas, 1999. Oorspr. La compagnie des philosophes, 1998). Met hoofdstukken over Marcus Aurelius, Pythagoras en Lucianus – Heraclitus en Democritus – Socrates, Plato en Aristoteles enz. en ook Descartes en Spinoza en anderen tot in onze tijd. De auteur heeft zich kennelijk langdurig en vooral graag met filosofie bezig gehouden. Hij schrijft er heel erudiet en vooral heel (Frans) lucide over, waarbij veel biografie en historische context aan de orde komt. Hij schrijft bijna filmisch, waarbij de camera regelmatig van boven het filosofisch-historische landschap in zoemt - een boek dat men vanaf het nachtkastje kan opnemen. Het is geschiedenis van de filosofie die leest als een roman. Met genoegen citeer ik de overgangsparagraaf van Descartes naar Spinoza.

"Men heeft gemeend Spinoza stelselmatig tegenover Descartes te kunnen stellen, waarbij men ervan uitging dat de tegenstellingen tussen beiden belangrijker waren dan hun overeenkomsten. Net zoals Descartes behoort Spinoza tot het slag mensen dat onmogelijk in de vitrine van een museum kan worden bijgezet. Zijn stem richt zich tot iedereen. Nog steeds wordt het leven van menigeen erdoor veranderd. Dat hij niet tot het verleden behoort, daarvan kunnen we ons gemakkelijk vergewissen. Van de auteurs wier geschriften de geleerden tot op de komma bestuderen, heeft Spinoza het bijzondere kenmerk dat hij bewonderende genegenheid of misprijzende afwijzing oproept. Meer dan enig ander trekt hij aan of stoot hij af. Zijn denken zaait nog steeds verdeeldheid, doordat het hardnekkige gevoelens van haat of onaantastbare gevoelens van liefde opwekt. Dat is een goed teken. Hij is niet een man van gevoelloze consensus, maar juist een man van conflicten en paradoxen."

Dat deze auteur een grote waardering voor Spinoza heeft blijkt ondermeer uit de vele plaatsen in het boek waarin hij in positieve zin naar Spinoza verwijst.

In minder dan zeven bladzijden geeft Droit een schitterende typering van de kern van Spinoza. Het is een manier van beschrijven die ook door een oningewijde kan worden begrepen en die enthousiast kan maken om meer over Spinoza te willen lezen. Met name in de belangrijke rol die ervaring speelt in de filosofie van Spinoza geeft hij, steunend op Pierre-François Moreau, een fraai inzicht. Ook hier geldt dat zeer veel (met name Spinoza’s politieke filosofie) niet aan bod komt, maar hier kan worden gezien dat het kán lukken en lukt om binnen het bestek van zeven bladzijden iets van de essentie van Spinoza’s benadering weer te geven. Er is niets in wat Droit schrijft waar ik zout op zou willen strooien.

Reacties

Beste Stan,

In je recensie van het boek van Zimmer, dank daarvoor, schrijf je over de eindtekst van de Ethica en dat de vertaling van Zimmer onjuist is. Dat ben ik met je eens. Ben jij het eens met mijn hertaling?

“Ook al is de weg die ik naar deze dingen gewezen heb uitzonderlijk moeilijk, toch kan die gevonden worden.

Maar het moet wel echt moeilijk zijn, omdat het bijna nooit bereikt wordt. Waarom zou anders, als het geluk klaarligt en zonder grote moeite te bereiken is, het door bijna iedereen genegeerd worden?

Maar alles wat uitstekend is, is even moeilijk als zeldzaam.”

‘Deze dingen’ slaat, volgens mij niet alleen op de door jou genoemde ‘wijsheid’ maar op de boodschap van het hele boek en op Spinoza’s zoektocht naar het menselijk geluk. Zijn conclusie; de vervolmaking van het verstand en alleen daarin ligt het hoogste geluk!

Ik kan me in deze opvatting in zoverre wel vinden, dat het Spinoza gaat om de door hem gewezen 'weg van de wijze'.
Het ging mij niet zozeer om de term 'wijsheid', maar om de onterechte bewering dat de weg bewandelen makkelijk zou zijn.
Waar de bewering die jij hertaalt op slaat is af te leiden uit hetgeen vooraf gaat in het laatste commentaar, waar Spinoza de wijze tegenover de onwetende (ignarus) stelt. De laatste laat zich door uitwendige oorzaken opjagen, is niet tot ware gemoedsrust in staat en leeft onbewust van zichzelf, van God en van de dingen. De wijze wordt door die uitwendige dingen nauwelijks aangedaan, maar wordt zich met een eeuwige noodzakelijkheid bewust van zichzelf, van God en van de dingen en is tot ware gemoedsrust in staat. Het gaat in de laatste zinnen om deze 'weg van de wijze'. Spinoza begint met de voorwaardelijke zin: "Ook al zou de door mij gewezen weg tot deze dingen zeer moeilijk begaanbaar zijn, toch kan men haar vinden." Daarna geeft hij toe: "wat zelden wordt breikt, moet moeilijk zijn." enz.
Inderdaad vormen deze laatste zinnen een schitterende samenvatting van de hele opzet van zijn Ethica.

'Deze weg van de wijze', zoals je schrijft, is dus de weg naar het geluk, en dat is Spinoza's startpunt en zijn eindoel. (Bovendie, hoe kan iemand wijs zijn en niet gelukkig? hb)

Om het beeld hier compleet te maken, het aan de laatste alinea's voorafgaande deel van Spinoza's afsluitng van de Ethica;

"Hiermee heb ik alles wat ik wilde zeggen over de macht die het verstand heeft over de emoties, en over de vrijheid van het verstand, afgehandeld.
Hieruit blijkt waar de wijze allemaal toe in staat is en hoeveel beter hij is dan de domme die zich alleen door de sterke verlangens laat leiden.

De onwetende wordt door uitwendige oorzaken en op veel verschillende manieren opgejaagd en kan nooit echte rust vinden. Bovendien leeft hij alsof hij zich niet bewust is van zich zelf, van God en van de dingen.
Zodra hij niet meer lijdt, houdt hij ook op te bestaan.

Maar de wijze wordt op zich nauwelijks geestelijk beïnvloed.
Hij is zich bewust van zichzelf, van de eeuwige noodzakelijkheid van God en de dingen.
Hij blijft altijd bestaan, en hij kan altijd echte geestelijke rust vinden."
SPINOZA

Gisteren ontving ik een e-mail die ik nu hier geanonymiseerd plaats:
"Een reactie per mail, want via je blogse reageren is niet mijn stijl.
T.a.v. je conclusie dat de Griekse term 'autonomie' niet voorkomt: dat is in elk geval juist voor de Ethica, maar Spinoza hanteert m.i. wel strekking van de term. Autonomie is in het Latijn namelijk te vertalen als 'suis legibus vivendi potestas'. In een dergelijke omschrijving wijst Spinoza op de autonomie van God (EIP17: 'Deus ex solis suae naturae legibus et a nemine coactus agit.') en ook van de mens (bijv EIVP18S (p. 221 Van Suchtelen): 'Deinde quandoquidem virtus nihil aliud est, quam ex legibus propriae naturae agere [. . ]')."

Jammer dat je niet via de reactiemogelijkheid van blogse reageert. Ik begrijp niet dat dit geen passende stijl zou zijn. Maar het zij zo.
Al wat je aandraagt onderstreept precies hetgeen ik 'voor de vuist weg' omschreef. Ik schreef:
Bij Spinoza gaat het erom dat iemand vrij is die handelt, alleen bepaald door zijn eigen natuur en door niets vanbuiten zijn natuur wordt gedwongen, tegengewerkt of beperkt. Zo is God absoluut vrij om noodzakelijk te handelen volgens zijn natuur, daar er niets buiten zijn substantie bestaat dat enige beperking zou kunnen opleggen. [Dat lijkt mij nog niet zo'n gekke parafrase van "Deus ex solis suae naturae legibus... agit"]. De mens kan er alleen maar naar streven om iets hiervan te bereiken: te kunnen handelen naar het adequate begrip van zijn natuur, als ingebed in de totale natuur - om met intuïtieve kennis de werkelijkheid naar waarheid te begrijpen, deel te hebben aan de goddelijke kennis en daarin zijn geluk te vinden. Bij het begrip 'autonomie' dat deze schrijvers gebruiken lijkt het net alsof de mens handelt volgens wetten die hij zichzelf stelt. En dat is niet de manier waarop Spinoza onze werkelijkheid ziet.
Het ging mij juist om de m.i. onspinozistische toepassing van de term 'autonomie' op de mens, die de auteurs zonder restrictie toepassen. Autonomie wordt immers i.h.a. gezien als: jezelf wetten stellen (t.o heteronomie].

Zou je niet willen overwegen je opmerking alsnog via blogse te brengen?
Mijn punt is telkens: je weet maar nooit wie er nog wat van kan opsteken.

Begrijp dat het jammer is voor jou, maar ik blijf bij reacties via mail.
Ook blijf ik van mening dat Spinoza wel degelijk doelt op autonomie ('suis legibus vivendi potestas' = het vermogen volgens eigen wetten te leven: een prachtige omschrijving van het voor antiek Latijn vreemde 'autonomie' als afgeleid van het Grieks 'auto-nomos').
Ter ondersteuning van mijn visie verder een recente uitspraak van Piet Steenbakkers in Libertas philosophandi (p. 120): 'Vrijheid is autonomie, zichzelf de wet voorschrijven, onder eigen gezag staan. In ethische zin zijn we heteronoom als we afhankelijk zijn van de passies die we niet kunnen controleren'. Dus ook Piet, en met hem nog vele anderen, heeft het volgens jou bij het verkeerde eind?
Bedenk voorts dat Spinoza in de TTP stelt (p. 176 Akkerman): 'Als het nu zo gesteld was met de mensen, dat ze niets anders zouden begeren dan wat de ware rede aanwijst [want dergelijke mensen zijn waarlijk vrij en autonoom, leven door inzicht volgens de (heteronome) wet], dan zou de gemeenschap zeker geen [heteronome] wetten nodig hebben;'

Ja, als Piet Steenbakkers en ´met hem vele anderen´..., zouden bedoelen dat het bij autonomie zou gaan om "wetten die mensen zichzelf stellen" en niet om met de rede in te zien en te handelen volgens wetten die van de natuur ofwel God komen, om in harmonie daarmee te handelen, ja dan hebben zij het volgens mij bij het verkeerde eind. Ik denk echter dat de interpretatie van anonymus er wellicht enigszins naast is.
De TTP erbij halen vergt een heel betoog over de betekenis van natuurwet en mensenwetten en voert hier te ver.

Mij ging en gaat het in mijn reactie er alleen om dat vrijheid bij Spinoza is: handelen volgens de het ding eigen essentie en natuurlijke wetten (zonder van buitenaf gedwongen te worden). God, causa sui, ís die natuurwetten, heeft die a.h.w. zichzelf gesteld, de mens niet. In die zin kan de mens nooit autonoom zijn en slechts participeren in de autonomie of vrijheid van God

Anonymus schrijft; “'suis legibus vivendi potestas' = het vermogen volgens eigen wetten te leven”.

Hij beroept zich op Piet Steenbakkers (en vele anderen (?), alsof het niet toegestaan is om van mening te verschillen met deze mensen; hoe onderdanig en hoe on-spinozistisch om je blind op autoriteiten te verlaten), die geschreven heeft; 'Vrijheid is autonomie, zichzelf de wet voorschrijven, onder eigen gezag staan.'

Dit mag zo zijn, maar dan kan ik van Dale ook wel citeren; “vrij•heid de; v -heden 1 het vrij-zijn; onafhankelijkheid 2 daad die de gewone grenzen overschrijdt: zich -heden veroorloven”

Waarschijnlijk sluit ik me aan bij Stan als ik schrijf dat iedereen die Spinoza begrijpt, toch begrijpt dat hij de mens ziet als onderdeel van de natuur en dat de mens dus de wetten van de natuur volgt. De ‘eigen wetten’ zijn dus de wetten van de natuur in combinatie met zijn eigen aard. Want een mens volgt andere natuurwetten dan een paard en verschilt van andere mensen, maar allen volgen ze de wetten van de natuur. Een paard voelt zich vrij als hij volledig paard kan zijn en vrij kan bewegen over grazige weiden en een mens voelt zich vrij als hij zichzelf volledig kan ontplooien en kan denken en zeggen wat hij wil.
Hoe meer de mens deze dingen, en dus ook zijn eigen specifieke aard, begrijpt hoe meer hij leeft volgens zijn eigen wetten en hoe vrijer hij dus is. Maar volgens mij is er bij Spinoza niets dat ontsnapt aan de dwingende noodzakelijkheid van oorzaak en gevolg, zoals voorgeschreven door de eeuwige en oneindige wetten van de natuur.

De vrije mens is ook een wijs mens en een wijs mens begrijpt dat je in een samenleving niet volgens je ‘eigen wetten’ kunt leven voor zover die schadelijk zijn voor het algemeen welzijn, dat wordt bevorderd door de staat. En het hoogste doel van de staat is de vrijheid, vandaar.

Daarnaast is ‘vrijheid’ bij Spinoza veel meer de ‘vrijheid van …’. De kern van zijn filosofie is immers dat we ons moeten zien vrij te maken van negatieve emoties. Dat doe je dus door je verstand te gebruiken en door te weten en te begrijpen dat we onderdeel zijn van een eeuwige en oneindige aaneenschakeling van oorzaak en gevolg, die functioneert volgens de eeuwige en oneindige, onveranderlijke, ijzeren wetten van de natuur. En daar kan geen mens iets aan veranderen. Een vrij en wijs mens wil dat ook helemaal niet, want die berust immers in de eeuwige noodzakelijkheid van de dingen.