Spinoza in de laatste "Geschiedenis van de joden in de Lage Landen"

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie # 18

De laatste maal dat een boek over de geschiedenis van de joden in Nederland was geschreven, zo stelde men eind 80-iger jaren vast, was in 1940: Geschiedenis der Joden in Nederland [Van Holkema & Warendorf, 1940], geschreven door H. [Hendrik] Brugmans jr. en A. Frank. [Zie voor Spinoza in dat boek dit blog]. Door de oorlog moest het bij een eerste deel blijven dat handelde tot 1796, het tweede deel dat de periode daarna zou beschrijven, is nooit meer verschenen, terwijl al wel geschreven manuscripten door de bezetting verloren gingen.

Het werd eind jaren 1980 dus hoog tijd bevonden voor een nieuw historisch overzicht van de lotgevallen der joden in Nederland. Dat werd dan J.C.H. Blom, R.G. Fuks-Mansfeld, I. Schoffer (Red.) Geschiedenis van de joden in Nederland. Uitgeverij Balans, 1995; 2e ongewijzigde herdruk Contact-Olympus,  2004.

         

Het werd in het Engels vertaald:
Blom, J.C.H., R.G. Fuks-Mansfeld, I. Schoffer (Eds.), THE HISTORY OF THE JEWS IN THE NETHERLANDS. The Littman Library of Jewish Civilization, 2001. 508 pages. 9781874774518.

De uitgever: “De joden hebben door de eeuwen heen een belangrijke plaats ingenomen in de Nederlandse samenleving. Maar naar een modern overzichtswerk dat de totale geschiedenis van de joden in Nederland omvat, wordt al lange tijd uitgezien. Daarom is in 1989 een begin gemaakt met het schrijven van een boek dat alle aspecten van de joodse aanwezigheid in beeld brengt. Tien gerenommeerde auteurs hebben ieder een periode beschreven vanaf de middeleeuwen tot in onze tijd. Centraal staan lot en werkzaamheid van een joodse minderheid in het spanningsveld van het behoud van eigen cultuur versus integratie in de Nederlandse samenleving. De grote doorbraak naar integratie van de joden in de samenleving volgt uit de ideeën die in de Verlichting rond het begin van de 19de eeuw gemeengoed werden. R.G. Fuks-Mansfeld beschrijft in twee bijdragen met hoeveel pijn de vaak afgedwongen acculturatie haar beslag kreeg en welke economische en culturele achterstanden joden hadden in te halen. De grootscheepse vernietiging van het joodse leven in de Tweede Wereldoorlog wordt nuchter evaluerend beschreven door P. Romijn, terwijl F.C. Brasz de nieuwe geschiedenis schetst onder de noemer 'van kerkgenootschap naar culturele minderheid': opnieuw ingedeeld volgens een door de omgeving uitgedachte eigentijdse term, volop uitdrukking gevend aan hun bestaan. Vanaf de eerste joodse vestigingen in de hertogdommen Gelre, Brabant en Limburg tot aan de huidige bloeiende joodse gemeenten heeft er een vruchtbare samenwerking bestaan tussen joden en niet joden, al was deze niet zonder spanningen en werd zij tussen 1940-1945 dramatisch doorbroken. De culturele, economische en wetenschappelijke impulsen die er van de joden in Nederland uitgingen en uitgaan zijn voor Nederland van groot belang.
De geschiedenis van de joden in Nederland is een onvervangbaar standaardwerk voor de voortgaande bestudering van de geschiedenis van ons land.”

Over Spinoza

De tekst over Spinoza is van de hand van Y. Kaplan die het hoofdstuk bijdroeg “De joden in de Republiek tot omstreeks 1750” en wel in een paragraaf getiteld: “Ideologische conflicten”.

“Enkele jaren na zijn [Uriel da Costa’s) zelfmoord ontstond commotie in de gemeenschap dankzij een nieuwe affaire die diepe sporen heeft getrokken in de geschiedenis: in 1656 werd over Baruch Spinoza (1632-1677) de ban uitgesproken. Zijn ouders waren marranos die waren teruggekeerd tot het jodendom en zelf was hij geboren in de sefardische gemeenschap in Amsterdam. In 1658 werd ook doctor Daniel (Juan) de Prado (ca 1612-ca 1670) door de ban getroffen. Prado was in 1654 naar Amsterdam gekomen nadat hij lange tijd als crypto-jood in Spanje, zijn geboorteland, had geleefd. Men oordeelde dat Spinoza en hij ketters waren die de goddelijke oorsprong van de bijbel, de idee van de goddelijke voorzienigheid en het gezag van de rabbijnen en de talmoedische traditie ontkenden.

Het is aan te nemen dat Spinoza de kritiek op het jodendom en op de idee van Gods uitverkoren volk, die in Tractatus Theologico-Politicus (1670) wordt uitgesproken, reeds voor een deel had uitgewerkt toen hij in conflict kwam met het bestuur van de sefardische gemeenschap. Het is ook mogelijk dat sommige ideeën uit zijn Tractatus al geuit waren in een werk dat hij tot zijn verdediging had geschreven toen hij door de gemeente werd uitgesloten, maar dit manuscript is niet bewaard gebleven. Spinoza vond weerklank bij een groep Nederlandse geestverwanten, christelijke intellectuelen die zich hadden losgemaakt van de confessionele Kerk. Maar ondanks zijn afscheiding van het jodendom en zijn toenadering tot christelijke kringen zag Spinoza geen reden om tot het christendom over te gaan; hij bleef tot het einde van zijn leven buiten de Kerk. Zoals men zijn geestverwanten wel 'christenen zonder kerk' heeft genoemd, zo zou men Spinoza ook kunnen definiëren als een jood zonder gemeente, of misschien als een jood zonder jodendom. Men kan hem dan ook zien als een van de voorlopers van een verschijnsel dat in de moderne joodse wereld vaker voorkomt.

De arts Izak Orobio de Castro (ca 1617-1687), die met Prado in Spanje had gestudeerd, kwam in 1662 naar Amsterdam en keerde openlijk terug tot het jodendom. Hij werd de onvermoeibare en onbuigzame verdediger van de joodse traditie tegen de aanvallen van Prado en Spinoza. Met neoscholastische ideeën en fideïstische argumenten trachtte hij te bewijzen dat alleen het geloof in de wet van Mozes en de naleving van zijn geboden de redding van de ziel kon garanderen.

Hoewel naar het schijnt niemand in de gemeenschap Spinoza en Prado op hun pad is gevolgd en hun kritiek geen beweging heeft gewekt tot hervorming van het jodendom van binnenuit, omdat hun ideeën werden gezien als een volledige ontkenning van de joodse traditie, bleef men toch zeker tot halverwege de achttiende eeuw boeken schrijven ter verdediging van de nabijbelse halachische wetgeving. Begin 1712 werden drie leden van de gemeenschap door de ban getroffen op beschuldiging 'de sekte van de karaïeten te volgen'. Het schijnt dat deze drie een 'hervormd’ jodendom wilden creëren en er is reden om aan te nemen dat ze, anders dan de [166] zeventiende-eeuwse ketters uit hun gemeenschap, echte veranderingen tot stand wilden brengen en een nieuwe vorm van jodendom wilden vestigen die zou beantwoorden aan de spirituele verlangens van de nazaten van de conversos. Hun pogingen faalden echter en twee van hen aanvaardden het calvinistische geloof.

Sefardim die zich eind zeventiende eeuw en in de achttiende eeuw losmaakten uit hun gemeenschap, veranderden van godsdienst omdat ze liever assimileerden in de Nederlandse samenleving door haar religie te omarmen dan een ander alternatief te kiezen. Spinoza's voorbeeld kon men niet volgen: zelfs de tolerante Republiek, waar sommige steden ook joden toelieten van wie de religieuze identiteit in feite niet geheel duidelijk was, kon hun niet met zoveel woorden legitimiteit verlenen. Het beleid bevorderde het lidmaatschap van gemeenschappen met een klaar religieus karakter. De niet-confessionele oplossing stond dus slechts voor een enkeling open: een collectieve behoefte kon ze niet bevredigen.” [p. 164-166]

                                                     * * *

Het is een wel zeer bescheiden aandacht die aan Spinoza in dit boek wordt gegeven. Zijn mogelijke doorwerking op latere joden (zoal in de 19e eeuw in Duitsland en Galicië het geval was) komt voor Nederland niet in beeld.

Ik wijs erop dat, hoe gering de aandacht voor Spinoza ook is, niet vergeten wordt te vermelden dat “Spinoza geen reden [zag] om tot het christendom over te gaan; hij bleef tot het einde van zijn leven buiten de Kerk.”

                                                     * * *

Voor de volledigheid vermeld ik nog:

Ludo Abicht, Geschiedenis van de joden in de lage landen. Amsterdam: Meulenhoff, 2006

In Geschiedenis van de joden van de Lage Landen gaat Ludo Abicht terug tot de vroegste vermelding van de joodse gemeenschap, in de dertiende eeuw. Hij probeert ook een antwoord te vinden op de vraag of de eenentwintigste eeuw het vaak voorspelde einde van de 'joodse diaspora' zal brengen.

 

 

J. Michman, H. Beem en D. Michman, Pinkas. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland (Ede/Antwerpen, Kluwer algemene boeken; Amsterdam, Nederlands-Israëlitisch kerkgenootschap; Amsterdam, Joods historisch museum, 1992, xii + 618 blz.
Dit is de in het Nederlands vertaalde en aanmerkelijk uitgebreide versie van het oorspronkelijk in 1985 verschenen Hebreeuwse werk Pinkas Hakehillot [Notulen van de gemeenten]. Encyclopaedia of Jewish communities. Het ontstond vanwege het in 1960 door het instituut dat zich richt op de herdenking van de shoah, Yad Vashem, genomen besluit om een serie boeken te publiceren met artikelen over alle joodse gemeenten in de tijdens de tweede wereldoorlog door de Duitsers bezette gebieden. [Zie bespreking door E. Schut]

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie #1, #2, #3, #4, #5, #6, #7, #8, #9, #10, #11, #12, #13, #14, #15, #16, #17