Spinoza in de joodse historiografie [9] Alan T. Levenson

Almaar dichter kom ik in de buurt van waarnaar ik op zoek ben. Uiteraard is het onmogelijk (en het is ook niet mijn bedoeling) om zo ongeveer alle boeken over joodse geschiedschrijving (laat staan joodse geschiedenis) te achterhalen. Ik wilde nagaan welke als de belangrijkste ontwikkelingen in die geschiedschrijving worden gezien en vooral: hoe Spinoza daarin een plaats heeft.

Ik was inmiddels het boek tegengekomen dat aan mijn verwachtingen voldeed (en dat dus inderdaad bestaat; ik breng het in een volgend blog) en zag tot mijn vreugde het belang ervan bevestigd in de eerste alinea in de inleiding van een boek dat dit jaar verscheen. Ik geef hierna die inleidende alinea daar het een heel globale samenvatting van de vorige blogs geeft. Het gaat om dit boek

Alan T. Levenson: The Wiley-Blackwell History of Jews and Judaism [Volume 2 van The Wiley-Blackwell Histories of Religion]. John Wiley & Sons, 2012 – ISBN 9781118232934
[books.google]

Voor dit boek bracht Alan Levenson, hoogleraar joodse intellectuele en religieuze geschiedenis aan de universiteit van Oklahoma, een team van internationaal gerenommeerde wetenschappers bijeen om een uitgebreid en gezaghebbend overzicht te bieden van de belangrijkste perioden en thema's van de joodse geschiedenis - van het Bijbelse Israël, de middeleeuwen en vroeg-moderne tijd, tot ontwikkelingen in het jodendom sinds de Holocaust en het Arabisch-Israëlische conflict.
De eerste alinea luidt in vertaling:

"Sinds Jacques Basnage (1653-1723) zijn eerste editie van de Geschiedenis van de Joden sinds de tijd van Jezus Christus tot heden in Rotterdam in 1706-1707 publiceerde, hebben veel auteurs, christenen en joden, zich gewaagd aan het vertellen van een verhaal van onzekere oudheid en onbeperkt geografische reikwijdte. Christelijke auteurs als Barnage, Hannah Adams, Henry Hart Millman en Paul Johnson schreven een eendelige joodse geschiedenis van, met een toenemende empathie voor hun onderwerp. Pogingen van joden zijn nog er nog meer geweest, te beginnen met Isaac Marcus Jost baanbrekende Geschiedenis van de Israëlieten (1820-1829), geschreven aan het begin van de beweging die bekend staat als Wetenschap (of Geleerdheid) van het Jodendom. In de rabbijnse en middeleeuwse perioden, bestond schrijven van joodse geschiedenis vooral uit kroniekvormen als: martyrologia, gedichten, uitgebreide genealogische lijsten van de meest vooraanstaande rabbi's, en gemeenschappelijke geschiedenis. Eerder nog, toen Josephus ( 100) Oude geschiedenis van de Joden schreef in twintig lange hoofdstukken, vertelde hij het Bijbelse verhaal na tot aan de Perzische periode, en koppelde dat vervolgens aan de (toen) hedendaagse joodse geschiedenis. Josephus had eerder al De Joodse Oorlog geschreven over de Grieks-Romeinse gebeurtenissen.
Pas met Jost, begonnen joodse historici gedreven door een verlangen naar joodse emancipatie in de geest van nationalisme, hun bronnen meer kritisch te benaderen volgens de standaarden van de niet-joodse historici. Zo voegde het negentiende-eeuwse joodse geschiedschrijven een nieuwe, niet-liturgische, bijdrage aan het joodse herinneren toe.
Michael Brenner's recente Prophets of the Past vervult op bewonderenswaardige wijze de profetische, grappig voorzichtige voorspelling van zijn leraar, Yosef Hayim Yerushalmi: "dat er op een dag sprake zou kunnen zijn van een geschiedenis van de geschiedenis van de geschiedschrijving zijn." 
[...] In tegenstelling tot het veronderstelde einde van de geschiedenis, en de veronderstelde afname van interesse in historische context, ten faveure van wat tegenwoordig van belang wordt geacht, hebben de laatste jaren een indrukwekkend aantal historische overzichten in één boekdeel, geschreven door één enkele auteur te zien gegeven."

Over Spinoza
In hoofdstuk15, "Judaism and Science in the Age of Discovery", geschreven door Joseph M. Davis, staat een uitgebreid stuk over Spinoza. Daarin:

“It is certain that Spinoza offered no program for what "modern Judaism" would look like. In one short passage, he did suggest vaguely that Jews would benefit themselves — might even become an independent nation — were they to try to become braver and stronger, or even raise an army, and leave aside some of the religious traditions and personal inhibitions that prevented this. But Spinoza did not make an effort to involve himself in Jewish affairs at all, let alone create a Jewish army.
After Spinoza, no cadre of Jewish Cartesians or Jewish Spinozists arose to take up the cudgels of rationalism within Judaism. Given Spinoza's dismissal of Jewish law and tradition, given his radicalism, and quite frankly given his own lack of interest in the project of enlisting Jewish support, this is perhaps not so surprising. It would be almost a full century until Spinoza began to reach a Jewish readership and would begin to inspire a major rethinking of Judaism.” [books.google]

Eerder bracht Levenson uit:  

Alan T. Levenson: An Introduction to Modern Jewish Thinkers: From Spinoza to Soloveitchik [Rowman & Littlefield Publishers; Second Edition edition 2006]
Beginnend dus met een hoofdstuk over Spinoza [books.google]

 

Waarin ik meteen ook nog  toevoeg dat dit jaar verscheen:

Gershon Greenberg: Modern Jewish Thinkers: From Mendelssohn to Rosenzweig [Academic Studies Press, 2012 – ISBN 978-1936235469]

Greenberg restructures the history of modern Jewish thought comprehensively, providing first-time English translations of Reggio, Krokhmal, Maimon, Samuel Hirsch, Formstecher, Steinheim, Ascher, Einhorn, Samuel David Luzzatto and Hermann Cohen. The availability of these sources fills a gap in the field and stimulates new directions for teaching and scholarly research in modern Jewish thought, going beyond Spinoza and Mendelssohn at one end, and to popular 20th century figures on the other.