Spinoza in de joodse historiografie [4] Yosef Hayim Yerushalmi (1932 – 2009)

Nadat ik in het eerste blog op een rijtje zette welke - door joden geschreven - joodse geschiedenissen er geproduceerd zijn en in een volgend blog hoe daarin naar Spinoza werd omgezien, gaf het derde blog het begin aan van de totstandkoming van de reflectie en theorievorming over de joodse historiografie in de Wissenschaft des Judentums; en meteen vanaf die aanvang werd daarin de plaats van Spinoza gezien. In dit en volgende blogs gaat het me om de als standaardwerken geziene kritische overzichten en evaluaties van de joodse geschiedschrijving en – uiteraard – de plaats daarin van Spinoza (voor zover ik daar via internet bij kan komen).

Te beginnen met wat intussen als een klassieker wordt gezien: Yosef Hayim Yerushalmi: Zakhor. Jewish History and Jewish Memory [The Samuel and Althea Stroum Lectures in Jewish Studies]. Univ of Washington Press, New York, 1982,  heruitgave, 1989 en 2005 [books.google] 

Fraai samengevat in de ondertitel: bespreekt de in de moderniteit onverzoenlijk geworden scheiding tussen joodse herinnering (Zakhor) en joodse geschiedschrijving.

Dit boek werd de start van een nieuw discours op het gebied van joodse studies: het discours van het verschil tussen enerzijds de geschiedenis en anderzijds het herinneren. In de eerste drie hoofdstukken van Zakhor besprak Yerushalmi de rituele praktijken en teksten die joden vóór de 19e eeuw gebruikten om er het collectieve geheugen mee te smeden. Die praktijk werd opzij geschoven, zo betoogde hij in het vierde hoofdstuk, door het nieuwe project van de kritische geschiedenis, die het verleden zo onpartijdig mogelijk ontleedt in plaats van vereert. Inderdaad, in zijn moderne gedaante was geschiedenis "het geloof van de gevallen jood" geworden. Het boek kreeg grote impact.

Yosef Hayim YerushalmiYerushalmi's vader was van Oekraïense afkomst en was via Palestina naar New York gekomen. In 1966 behaalde Yosef H. Yerushalmi zijn doctoraat bij professor Salo Baron. Nadien doceerde hij joodse geschiedenis en sefardische cultuur aan de Harvard-universiteit. Tevens was hij het hoofd van het departement geschiedenis en cultuur van het Nabije Oosten. In 1980 werd hij de eerste professor van de Salo Wittmayer Baron Leerstoel in Jewish History, Culture and Society aan de Columbia-universiteit, die dat jaar m.b.v. een groep van toegewijde sponsors werd ingesteld ter ere van de man die zijn promotor was. Josef H. Yerushalmi geldt als een autoriteit op het terrein van de geschiedenis van Spaanse en Portugese Joden zowel voor als na de verdrijving van 1492. Tevens werd hij directeur van het Centrum voor Israël en Joodse Studies.

 

In het boek wijdt hij overigens slechts een korte passage aan Spinoza:

Nadat hij heeft aangegeven dat de moderne geschiedschrijving, wil ze serieus genomen worden, moet breken met alle basispremissen van de vroegere joodse geschiedschrijving en dat het in scherp contrast en onafhankelijk tegenover z’n onderwerp dient te staan, niet w.b. details, maar w.b. de kern ervan: namelijk het geloof dat goddelijke voorzienigheid de actieve causale factor in de joodse geschiedenis is en dus ook afstand moet hebben genomen van met het ermee verbonden geloof in de uniciteit van de joodse geschiedenis zelf; in dat verband dus wijst hij terug naar Spinoza:

“It is the conscious denial, or at least the pragmatic evasion, of these two cardinal assumptions that constitutes the essence of the secularization of Jewish history on which modern Jewish historiography is grounded. True, the revolution was already anticipated by Spinoza in the seventeenth century ("as for their continuance so long after dispersion and the loss of empire, there is nothing marvelous in it" ) and in the eighteenth by Voltaire ("we shall speak of the Jews as we would of Scythians or Greeks" ). But the notion that Jewish history is on the same level of reality as any other history, subject to the same kind of causality and accessible to the same types of analysis, did not find its way into actual historical writing until the nineteenth century.”
Bij de heruitgave in 1989 verscheen het met een uitvoerig Voorwoord van Harold Bloom die aanving met een terugblik op Leo Strauss Spinoza’s Critique of Religion, vatte nog eens samen hoe de hedendaagse joodse geschiedschrijving (profaan) tegenover z’n onderwerp staat en God niet als actief achter de joodse gebeurtenissen kan opvoeren en die geschiedenis niet meer als uniek kan zien, schrijft dan:

 “Spinoza, as interpreted by Leo Strauss, is thus, after all, the only Jewish precursor of modern Jewish historiography, which has followed him in secularizing what had been sacred history. A further discontent, also prophesied by Spinoza, now becomes evident: Judaism itself has been historicized, by Gentile and Jewish historians alike. With that process well advanced, Jewish memory and Jewish history begin to oppose each other, and there Yerushalmi finds his crucial dilemma. The total coherence of a scholarly Jewish history, whatever that will turn out to be, will be very different from the lost coherence of Jewish memory at its strongest, which was messianic and therefore redemptive. Literature and ideology compete to occupy the abyss that Jewish memory has become; Jewish historical research, as Yerushalmi admits, has no effect upon contemporary Jewish visions of the past. (p. XIX)

____________________-

In Memoriam in de New York Times: Yosef H. Yerushalmi, Scholar of Jewish History, Dies at 77 [hier]

Vorig jaar werd in Frankrijk een colloquium als Hommage aan Yosef Hayim Yerushalmi gwijd [hier]

Wikipedia

[NB ik vervolg dit blog nog met andere bijdragen van Yerushalmi over Spinoza]