Spinoza in de joodse historiografie [10] Carsten Schapkow

Dit boekje zou ik niet op het spoor zijn gekomen, als ik niet met deze serie begonnen was. Het boekje is niet erg bekend – er wordt weinig naar verwezen, zodat de kans dat je het tegenkomt erg klein is.

Carsten SchapkowDie Freiheit zu philosophieren”. Jüdische Identität in der Moderne im Spiegel Der Rezeption Baruch De Spinozas in der deutschsprachigen Literatur.  Aisthesis, 2001

Voor iemand die op zoek is naar Spinoza in de joodse historiografie is dit een goudmijntje.

Carsten SchapkowIk vermoed dat het zijn proefschrift geweest is, maar ben daarvan niet zeker. Carsten Schapkow (1970) studeerde „Germanistik, Geschichte und Medien- und Theaterwissenschaften“ in Paderborn en aan de Vrije Universiteit Berlijn, waar hij zijn doktersgraad behaalde. Van 2000-2005 was hij als onderzoeker verbonden aan het Simon-Dubnow-Institut für jüdische Geschichte und Kultur aan de Universiteit Leipzig. Momenteel is hij assistent professor in geschiedenis en joodse studie aan de universiteit van Oklahoma.

Het merkwaardige aan het boekje is dat het geen voorwoord of inleiding heeft en ook geen nawoord of verantwoording; het begint gewoon bij het eerste hoofdstuk en eindigt min of meer abrupt na het laatste. Je zou als lezer toch iets meer toelichting verwachten.

Interessant is om gaandeweg de werking van Spinoza-beelden zoals ze in de moderne tijd (18e – 20e eeuw) vooral onder Duitse joden ontwikkeld werden, voorgezet te krijgen. Hij laat zien hoe m.n. Spinoza’s sefardische identiteit het is die hem bij zijn Duitse joodse lezers tot een modelfiguur maken waaraan zij zich voor hun emancipatie kunnen oprichten. Spinoza wordt als een soort “universaler Fremder”, als de “edler  Jude” in Lessings stuk “Die Jude”, als “jüdischer Weltweise” bij Mendelssohn, bij Solomon Maimon dan wel weer als oost-joods Haskala-model, bij Heine als “Hoffnung aus Spanien” en marraan voor de nieuwe tijd, als “Erlöser der Menschheit” bij Berthold Auerbach. Het is telkens Spinoza als “Stifter jüdischer Identität”, als de “Weltüberwinder Spinoza” (Fritz Mauthner) en de “Heilsverkünder eines Wahrheitsgedankes” (Constantin Brunner) op wie velen terugvallen in de strijd voor emancipatie en verzet tegen het antisemitisme, waarbij minder het accent op het religieuze, meer en meer accent wordt gelegd op het zedelijke en nog weer later het culturele aspect van het jodendom. Voor de vertegenwoordigers van de “Wissenschaft des Judentums” geldt de geschiedenis van de joden in Spanje “als Wunschfolie für eine Emanzipation und Gleichberechtigung in Deutschland” [p. 155]. Door Michael A. Meyer (zie een vorig blog) fraai samengevat in het hoofdstuk “Deutsch werden, jüdisch bleiden” [in: Deutsch-jüdische Geschichtge in der Neuzeit, Band II, S. 208-259].

Uitvoerig behandelt Schapkow, naast de al genoemden, Heinrich Graetz, Jacob Freundenthal, Hermann Cohen, Constantin Brunner, Gustav Landauer (die met Spinoza zijn “Menscheitsreligion” ontwikkelt) en Elias Canetti: “Spinoza bleibt in der Chiffrierung seiner Freiheitsbotschaft immer auch Topos der Exilliertheit der Juden” [p. 211).

David J. Wertheim heeft in zijn Salvation through Spinoza slechts één passage waarin hij naar dit boekje verwijst, hetgeen enigszins merkwaardig is, gezien de best grote overlap van hun onderwerp:

“Carsten Schapkow further investigated the consequences of Yovel’s ideas for the Jewish reception of Spinoza in Germany. His book, Die Freiheit zu Philosophieren, Jüdische Identität in der Moderne im Spiegel der Rezeption Baruch de Spinozas in der deutschsprachigen Literatur, reviewed the importance of Spinoza for a great number of German Jews in the era of emancipation, from Mendelssohn and Auerbach to Gustav Landauer and Elias Canetti. Schapkow summarized Spinoza’s importance in his plea for “the freedom to philosophize.” Following Yovel, Schapkow argued that the Marrano experience of his parents had influenced Spinoza. This Marrano experience gave him the identity of a “universal alien”. The freedom to philosophize became a philosophical manifestation of Spinoza’s Sephardic background. To Schapkow, this made Spinoza into the founder of a Jewish identity based upon Spinoza’s intellectual independence and on the ideal of loneliness, and had nothing to do with Jewish religious tradition. “ [verwijst naar p. 183 van Schapkows boek; in: Salvation through Spinoza. A Study of Jewish Culture in Weimar Germany [Brill, Leiden/Boston, 2011, p. 25]

Dit wekt de suggestie alsof Schapkow zeer sterk op Yovel leunt, wat toch gezien alle voetnoten, niet echt het geval is.

Schapkow heeft méér gepubliceerd over dit onderwerp waarin hij zich heeft gespecialiseerd. Zo schreef hij in het dit jaar uitgekomen boek dat ik in het vorige blog noemde, Alan T. Levenson: The Wiley-Blackwell History of Jews and Judaism, Chapter 19, "How Jews Modernized. The Western Nations", een soort samenvatting van zijn eerste studie.

Verder verscheen van hem vorig jaar: Carsten Schapkow: Vorbild und Gegenbild: Das iberische Judentum in der deutsch-jüdischen Erinnerungskultur 1779-1939, (Böhlau-Verlag Gmbh, 2011).

"Dass die jüdische Geschichte auf der iberischen Halbinsel dabei nicht nur als Goldenes Zeitalter wahrgenommen wurde, sondern in Abgrenzung dazu auch viele Gegenentwürfe entstanden sind, die die Entwicklung einer modernen deutsch-jüdischen Identität seit dem 18. Jahrhundert entscheidend geprägt haben, ist die zentrale These des Buches." 

Zie ook naar het Frans vertaalde artikel van Carsten Schapkow: L’œuvre et la vie de Spinoza comme paradigme scientifique et fondement d’une identité juive sécularisée chez Heinrich Graetz et Jacob Freudenthal. [Cf.]
Resumé: "Der vorliegende Artikel untersucht die Funktionalisierung Spinozas als wissenschaftliches Paradigma im 19. Jahrhundert. Es zeigt sich, dass Spinozas Philosophie fur seine jüdischen Leser weit mehr ist als eine « Freiheit zu philosophieren », sondern eine identitàtsstiftende Rolle einnimmt, indem sie sich an der sefardischen Herkunft als zentrales Motiv ausrichtet. Diese spezifische Rezeption Spinozas als wissenschaftliches Paradigma zeigt sich besonders eindringlich an zwei jüdischen Wissenschaftlern des 19. Jahrhunderts: Heinrich Graetz und Jacob Freudenthal."