Spinoza en het Boeddhisme over 'het Zelf'

Nadat hier al in meerdere blogs waarin Spinoza’s filosofie met het Boeddhisme werd vergeleken, aandacht werd gegeven (u vindt ze wel door Boeddhisme in het zoekvenster in te geven), wijs ik nu graag op een interessant artikel

“Spinoza & Buddhism on the Self” van Soraj Hongladarom, Chulalongkorn University, dat recent, op 29 juli 2015, verscheen op de website van The Oxford Philosopher, A Philosophic Periodical.

Ik neem hier het laatste deel over:


To conclude, we might say there are a number of similarities between the conception of the self within Spinoza and Buddhism. First, they are both unions of mind and matter that are limited by their own kind. This is meant both literally and metaphorically: the self is limited physically by the existence of others; but also recognized as such to the effect of limiting what the self is. This is in line with the idea that selves are not merely inert object, but the seats of subjectivity and the source of thoughts and ideas. In Buddhism, this is supported by the tenet that everything is interconnected (idappaccayatâ), such that a recognition of there being one thing necessarily requires the recognition of others. Secondly, though Spinoza’s view that mind is constituted by body does not seem to find a direct support in Buddhism, if we interpret the Mahayana doctrine of emptiness in such a way that it is to be equated with ultimate reality, then mind and matter each belong to it. In this sense emptiness can roughly be considered to possess two major characteristics: mental and physical. This would be much in line with Spinoza’s theory of the attributes; if it is possible that emptiness can be recognized as an entity (a view that some Buddhist schools have developed), then mind and matter do indeed appear to run alongside the Spinozistic line of thought. Alternatively, we might say that Spinoza’s view of substance and attributes appears to follow an interpretation of the Mahayana that looks at emptiness as equal to ultimate reality.

What about the Buddhist’s denial of the self’s inherent existence? Although Spinoza does not seem to specify his views here, he does to some extent discuss the human mind and body, which are obvious corollaries of this matter. Furthermore, the whole purpose of the Ethics is to achieve a blessed life, and it must be someone’s self who achieves this as a result of following the path suggested in Spinoza’s suggestions. Thus, it seems incongruent for one to conclude that Spinoza gives short shrift to the self simply because he does not discuss it directly in his Ethics. Since it is always the self that eventually achieves blessedness, it is implied that Spinoza in some way recognizes the self’s existence. But if we think along these lines, Buddhism also recognizes the existence of the self, because in the end it is the self of the practitioner who, after arduous labor, arrives at Nirvana’s shores. In the same vein, I think it equally possible to suggest that in the Ethics the existence of the individual self is similarly tenuous. For one thing, Spinoza acknowledges that in the end there is only one thing, namely God, or substance. All the selves out there are thus only modes of God’s attributes (Proposition 13, Book I). Modes have some level of existence, but they do not exist categorically as God does.


Beste Stan,
Dank voor het opsporen en delen van dit artikel. Een enkele opmerking na het lezen van bovenstaande 'Conclusion' en in het bijzonder de opmerking: "... in the end it is the self of the practitioner who, after arduous labor, arrives at Nirvana's shores." Een 'zelf' dat 'nirvana's shores' bereikt is een idee dat haaks staat op de Boeddhistische doctrine van 'anatman' (niet-zelf). Dit is een tamelijk fundamentele notie in Boeddhisme waarbij het realiseren van 'niet-self' gelijk staat met het realiseren van 'nirvana'. Uiteraard is dit geen rationele (universele) realisatie (Spinoza's tweede kennisvorm), maar een existentiële, directe (individuele) realisatie (Spinoza's derde kennisvorm).
Daarnaast is het belangrijk om voorzichtig om te gaan met het begrip 'zelf'. De identificatie van het Boeddhistische 'zelf' met het Westerse psychologische begrip 'zelf' is zo oud als die Westerse psychologie zelf, aangezien die psychologie zich ontwikkelde parallel aan de receptie van Boeddhisme in het Westen. Veelal is het 'zelf'-begrip dat met Boeddhisme wordt geïdentificeerd een verwesterde interpretatie. In 'Sources of the Self: The Making of Modern Identity' geeft de Canadese filosoof Charles Taylor een uitgebreide historische schets van het ontstaan van 'zelf', 'identiteit' en 'moderniteit'. Hij wijst daarin bovendien al op een zeker onbegrip van de Duitse Romantici van Spinoza: "But Spinoza himself would have been rather astonished to hear the doctrines for which he was admired" (Sources, p.314) en: "Pure Spinozism was not on" (Ibid.). Kortom: het gevaar dat onbegrip op onbegrip wordt gestapeld, is levensgroot in de comparatieve studie van Spinoza en Boeddhisme.

P.S. "For one thing, Spinoza acknowledges that in the end there is only one thing, namely God, or substance." Voor Spinoza bestaan er twee dingen: God/Substantie en de modi (kan even de referentie niet vinden).

Dank, Stefan, voor je zinvolle reactie.
De referentie kan ik geven: zie Ethica 1/28d

Jij ook dank, Stan, voor de referentie. Ik heb overigens warme belangstelling ontmoet voor mijn Spinoza/Boeddha-project bij deelnemers aan het Collegium Spinozanum in juli in Groningen. Dat was trouwens een feestelijk gebeuren op zich;-)

Wat betreft de referentie: het was een van de eerste conclusies waar Spinoza toe wilde komen omdat hij die nodig had voor andere stellingen: al in 1/4d.