Spinoza echo van Meester Eckhart?

Dit blog is nog een kleine nasleep van de vorige blogs naar aanleiding van het boek Het raadsel Spinoza van Irvin D. Yalom. [Hier en hier en hier]
In Duitsland, waar het boek Das Spinoza-Problem pas in juni 2012 zal verschijnen, wordt het door de uitgever alvast aan de man gebracht met een opmerking als de volgende:
“Und trotzdem gibt es eine Verbindung zwischen ihnen [Spinoza & Rosenberg], von der kaum jemand weiß, denn bis zu seinem Tod war Rosenberg wie besessen vom Werk des jüdischen Rationalisten, als dessen »entschiedenster Verehrer« sich kein geringerer als Johann Wolfgang von Goethe bezeichnet.”

Dit is misleiding. Uiteraard weet ‘nauwelijks iemand’ van enige relatie tussen Rosenberg met Spinoza, want die is compleet door Yalom verzonnen.

Enfin, ik heb mij n.a.v. het boek nog wat verder met Alfred Rosenberg bezig gehouden en deed daarbij een ontdekking die ik hier wil vastleggen, om mij er van vrij te maken en tot andere dingen over te kunnen gaan. Maar wie weet breng ik iemand op een idee.

In Rosenbergs verfoeilijke boek Der Mythus des 20. Jahrhunderts, met als ondertitel “Eine Wertung der seelisch-geistigen Gestaltenkämpfe unserer Zeit”, dat voor het eerst werd gepubliceerd in 1930, waarin hij een ideologisch verleden en een gewenste Arische toekomst construeerde, had hij ook uitvoerige beschouwingen over Meister Eckhart. Die zag hij als de eerste Germaanse denker, in wie de ‘Nordische Seele’ van zijn ras geheel tot zelfbewustzijn geraakte, en die als eerste de ‘Urdogmen’ van het ‘hedendaagse Duitse geloof’ zou hebben vastgesteld, de eerste tenslotte, die volledig afrekende met de Latijns-Roomse ‘Aufpropfung’ waardoor de onafhankelijke groei van het vroeg-middeleeuwsche Duitschland werd belemmerd. [Ik maakte gebruik van een typering van Anton van Duinkerken in De Gemeenschap uit 1936 bij DBNL]. Van dat boek, dat terecht als uiterst gevaarlijk werd gezien, werden tot het eind van WO II meer dan een miljoen exemplaren verspreid. [cf hier over Rosenberg]

Dit werd aanleiding voor de RK kerk om tegengif te verspreiden, waartoe een aantal geleerden, theologen en historici, eraan werd gezet om het boek te bestrijden. Dat leidde tot het geschrift dat in oktober 1934 door het aartsbisdom van Keulen werd uitgegeven: Studien zum Mythus des XX. Jahrhunderts. Hrsg. von dem Erzbischöflichen Generalvikariat. Köln, Bachemdruck, 1935. Het bevatte de delen: 1. Zur Geschichte der Kirche: Das christliche Altertum, Die Kirche des Mittelalters, Die Kirche der Neuzeit; 2. Zur Heiligen Schrift: Das Alte Testament, Das Neue Testament; 3. Zum Ekkart Problem.

Het derde deel daarvan, een grondige weerlegging van het beeld dat Rosenberg van Eckhart gaf, werd geschreven door Bernhard Lakebrink [cf de.wiki, tekst bij archive.org] en kreeg als titel mee

Zum Eckehart-Problem

Met in het achterhoofd de uitspraak van Kolakowski, “Spinoza seems to be echoing Eckhart, in a modernized dialect,” [cf hier] grasduinde ik wat in deze tekst en vond de volgende tekst zeer intrigerend:

„Wan min wesentlich wesen ist ober got alsô, als wir got nemen einen begin der creatûren, wan in dem selben wesen gotes, dâ got ist ober allem wesen und oben underscheit, dâ was ich selber unde hier umbe sô bin ich mîn selbes sache nâch mînem wesen, daz êwig ist, unde niht nâch mînem gewerden, daz zîtlich ist, und hier umbe sô bin ich ungeborn, unde nâch mîner ungebornen wîse sô enmac ich niemer ersterben. Nach mîner ungebornen wîse sô bin ich êwicliche gewesen unde bin nû unde sol êwicliche belîben. Daz ich bin nâch gebornheit, daz sol sterben unde ze nihte werden, wan ez ist toetlich, unde hete ich gewolt, ich enwêre niht, noch alliu dinc enweren niht, und enwêere ich niht, sô enwere ouch got niht: daz got got ist, des bin ich eine sache. Enwêre ich niht, sô enwere got niht got”.

In Duitse vertaling:

„Mein wesenheitliches Sein ist oberhalb Gottes, sofern wir ihn auffassen als den Anfang aller Kreatur. In demselben göttlichen Sein, wo Gott allen Wesen vorweg ist und über allem Unterschied, da war ich selbst. Deshalb bin ich Ursache meiner Selbst nach meiner Wesenheit, die ewig ist, aber nicht nach meinem Werden, das zeitlich ist. Deswegen bin ich ungeboren, und nach meiner ungeborenen Seinsweise kann ich nimmer sterben. Nach meiner ungeborenen Weise bin ich ewiglich gewesen, bin sowohl jetzt wie ich ewiglich soll währen. Was ich infolge meiner Geburt bin, das soll sterben und zu Nichts werden, denn es ist tödlich. Und hätte ich gewollt, ich wäre nicht, und wäre ich nicht, so wäre Gott nicht. Daß Gott eben Gott ist, des bin ich eine Ursache. Wäre ich nicht, so wäre Gott nicht Gott,"

‘als wir got nemen…’ in de eerste regel te lezen als ‘God quatenus/als het begin der schepselen gezien (dus niet van God uit, sub specie aeternitatis, maar sub specie temporis gezien).
Denk aan het onderscheid dat ook Spinoza, in navolging van de Scholastiek, maakt tussen het wezen, de essentie, van alle dingen (dat eeuwig en ‘onsterfelijk’ is) en het bestaan, de existentie, ervan (dat tijdelijk, wordend en sterfelijk is). Ook Spinoza hoor je zeggen dat jezelf, je eigen wezen, wegdenken hetzelfde is als God wegdenken. Eckhart durfde zelfs te zeggen dat ik de oorzaak ervan ben dat God God is, hetgeen een heel diep doordachte consequentie van de onverbrekelijke verstrengeling van God en mijn eeuwige wezenlijke zelf is. Geen wonder dat Eckhart (en later Spinoza) als ketters werd gezien.

Enfin, hier wilde ik het bij laten, maar het is materie om verder in te blijven lezen om er samenhangen in te ontdekken. Kolakowski wiens tekst over Eckhart in Waarom is er iets en niet niets? ik nog eens herlas [cf dit blog], was, denk ik, echt niet diep in de war toen hij Spinoza als een soort voortzetting van Meester Eckhart zag. Het is mij niet bekend of er ooit iemand is geweest die hier een monografie aan heeft gewaagd. Bij de Duitse Spinozabibliografie is er niets over te vinden, dan alleen:

H. Aalbers, "Meister Eckhart en Spinoza." In: Spinozistisch Bulletin 3 (1939), 66-91