Spinoza, "an odd Philosopher" volgens Henry Oldenburg

           

In de toelichting bij brief 30 in Spinoza’s correspondentie, blijkt dat twee fragmenten van die brief bekend werden uit brieven die Oldenburg aan anderen schreef (aan Robert Moray en Robert Boyle) en waarin hij grote delen in het Latijn overnam uit een brief die hij recent ontvangen had van "an odd Philosopher”, waaraan hij in de brief aam Boyle toevoegt, “it being Signior Spinoza”. Dat weten we dan. Maar wat weten we dan?

Hubbeling gaat er in zijn toelichting niet op in. Wel kan ik melden dat het eerste fragment van die brief 30 met vertaling en toelichting van W.G. van der Tak in het 40 Jaarverslag (1937) van Het Spinozahuis, p 34-41, waarnaar Hubbeling verwijst, bijna in z’n geheel (op de laatste pagina na) op books.google is in te zien. Ook van der Tak gaat op dat oddity niet in.

Betekenis odd: zonderling, vreemd, raar iemand, er niet bij horend. Synoniemen: abnormal, atypical, bizarre, curious, eccentric, extraordinary, irregular, out of the ordinary, outlandish, peculiar. (cf.)

In plaats van ‘een rare snuiter van een filosoof’ kán Oldenburg ook gewoon bedoeld hebben: een uitheemse, buitenlandse filosoof. Vooral mogelijk gezien de toevoeging in de brief aan Moray na de kwalificatie “an odd Philosopher, that lives in Holland, but no Hollander.”


An oddity squared – een vreemdheid in het kwadraat - leverde Harold Foster Hallett toen hij een review inleverde voor Philosophy [Volume 11, Issue 41, January 1936, pp 108 cf.], waarin hij helemaal niets over het zgn. besproken boek zei [Walter Bernard, The Philosophy of Spinoza and Brunner, 1934], maar inging op Spinoza’s vermeende oddity. Zeven jaar geleden had ik die vreemde recensie ook al eens in een blog over Hallett.

 


__________________________


Zie ook: Parels uit brieven [van en over Christiaan Huygens] 1665 [cf.]  

Reacties

Stan,
Ik ben het helemaal eens met wat je opmerkt over de vertaling van 'odd' en dat het zelfs een positieve kwalificatie kan zijn. Echter, Schuller zegt tien jaar later - in 1675 in Br 63.6, op gezag van Tschirnhaus, die in Londen op bezoek was bij Oldenburg en Boyle - het volgende:
'Verder bericht hij [Tschirnhaus] dat de heer Boyle en Oldenburg zich een vreemde voorstelling van uw persoon gemaakt hadden, die hij hun uit het hoofd gepraat heeft. Hij heeft hun bovendien reden gegeven niet alleen weer zeer waardig en gunstig over u te denken, maar ook uw Godgeleerd-staatkundig vertoog op hoge waarde te schatten.'
Bedacht moet worden:
1. dat zowel Oldenburg en Boyle, ondanks hun toewijding aan de natuurwetenschappen, zeer vroom waren. Oldenburg was bovendien millennianist (hij verwachtte de spoedige wederkomst van Christus), en Boyle weigerde president te worden van de Royal Society omdat hij dan ingezworen diende te worden en niet bij God almachtig durfde te zweren. Odd? Wiens oddity?
2. Ik neem aan dat er bij beiden ook tien jaar eerder, in 1665 - en nog voordat de TTP gepubliceerd werd - al een vermoeden was van de heterodoxie van Spinoza. Aanwijzingen zijn:
Br 2.2, Sp. aan Old.: 'Als dit allemaal bewezen is [over de substantie], zult ge, mits ge tegelijkertijd let op de definitie van God, gemakkelijk kunnen begrijpen waar ik heen wil, zodat het niet nodig is daarover duidelijk te spreken.'
Oldenburg antwoordt (Br3.5): 'Opdat ge u over dit onderwerp vrijmoedig en in goed vertrouwen kunt uiten, bezweer ik u bij de vriendschap die we hebben gesloten ... dat alles wat ge zo vriendelijk zult zijn mij mee te delen, volkomen veilig bewaard zal blijven en dat ik mij er ... voor zal hoeden ook maar iets daarvan tot uw schade of nadeel bekend te maken.'
Spinoza was van meet af aan 'odd' in de betekenis van 'origineel'.

Dank voor je mooie reactie, Adrie.
Inderdaad, Spinoza was zeker 'odd' in de betekenis van 'buitengewoon'. Hij was een creatieve 'out of the box'-denker. 'Box' hier dan in de betekenis van een traditioneel geloof, waarin Oldenburg en Boyle gevangen zaten.