Spinoza alchemist?

Na de twee blogs [1 en 2] waaruit moge blijken dat er geen enkele, maar dan ook geen enkele aanleiding is om Spinoza met de rozenkruisers in verband te brengen, kan de vraag worden gesteld of hij wellicht wel iets had met een interesse die rosenkruisers graag volgden: de alchemie. Hoewel, ging het bij hen wellicht meer om een "geestelijke alchemie"? Het hoofdstuk over de rozenkruisers in Marcel Roggemans' Geschiedenis van de occulte en mystieke broederschappen heeft als motto: "Aurum nostri non est aurum vulgi" (Ons goud is niet het gewone goud).

Spinoza was geïnteresseerd in chemische proeven en stond kritisch tegenover alchemistische claims. Zie de brieven uit zijn Rijnsburgse tijd over de salpeterproeven van Boyle. Zie hoe hij in zijn Voorburgse tijd op informatie uitging bij Vossius (die hem uitlachte) en bij goudsmid Brechtelt (die het ‘ontstane’ goud had onderzocht) en vervolgens bij Helvetius zelf, de man die op alchemistische wijze van lood goud zou hebben gemaakt, waarover zoveel consternatie was ontstaan. De nieuwsgierige Spinoza wilde er het fijne van weten, misschien uit zichzelf, misschien op verzoek van zijn vriend Jarig Jelles (bief 40). Maar ook jaren later hield hij zich nog enigszins met alchemistische zaken bezig.

In zijn antwoord van 18 november 1675 aan Schuller (brief 72) schrijft Spinoza: "Wat de proef van uw verwant betreft tenslotte, ik heb nog niet geprobeerd die te testen en ik denk ook niet dat ik ertoe zal kunnen komen dat te doen. Want hoe meer ik de zaak zelf overdenk, hoe meer ik tot de overtuiging kom dat ge geen goud hebt gemaakt, maar dat  ge het weinige goud dat in het antimonium  verborgen was, hebt vrijgemaakt".

De brief bewijst dus, dat Spinoza tot zijn levenseinde bezig was met en geïnteresseerd was in alchemische proeven. Daar was niets mis mee. Huygens en Newton zijn andere voorbeelden ervan dat in die tijd de grens tussen alchemie en wetenschappelijke chemie nog niet scherp getrokken was. Voor zover alchemie hem bezig hield, was Spinoza daarover kritisch en teleurgesteld. Zie daarover dit NRC-stukje van Wim Klever en zijn "The Helvetius Affair" in Studia Spinozana 3 (1987).

Dan even naar de brief van Schuller van 14 november 1675 (brief 70) waarop de vorige een antwoord was. Het vormt eigenlijk de aanleiding voor dit blog. Die brief begint met: “Ik hoop dat mijn laatste brief samen met de proef van de Anonymus u in goede orde ter hand is gesteld.” Zo luidt de vertaling van Akkermans. Hij volgt dat wat Gebhardt had laten drukken in de door hem geredigeerde verzamelde werken van Spinoza van 1925. Daarin luidt de betreffende passage: “cum Processu Anonymi.”
De Latijnse tekst zelf moet corrupt geweest zijn (ik heb geen facsimile en kan niet zien wat er exact te lezen staat), maar andere vertalers, daar wijst Klever mij op, zoals Barbone / Rice / Adler (Hackett 1995) merken de onregelmatigheid wel op. Er moet in brief 70 dus gelezen worden: ‘de proef met het antimonium’.
Ach ja, een kleinigheid, maar elk snippertje kan belangrijk zijn.
Wat ik zelf eigenlijk vervelender vindt is dat in de toelichting in de Spinoza Briefwisseling alleen staat dat de brief niet in de OP was opgenomen. Mij zou interesseren wanneer en door wie de brief is ontdekt en waar het origineel zich nu bevindt.

 

Reacties

Het origineel bevond zich in het archief van het weeshuis der doopsgezinde collegianten en zal thans wel in de UBA zijn (niet nagezocht). De brief werd voor het eerst gepubliceerd door Van Vloten / Land in hun OPERA QUOTQUOT REPERTA SUNT (1914); ietsje daarvoor ook nog in een artikel.

Dat Spinoza contacten zou hebben gehad met Rozekruisers is niet uit te sluiten. Nochtans is er nergens een spoor, noch in zijn geschriften, noch in de geschiedenis terug te vinden. Er is al heel wat te doen geweest omtrent het gebruik van de roos in zijn zegelring. Zijn initialen B d S en het motto ‘caute’ wat ‘behoedzaam’ betekent hebben al heel wat inkt doen vloeien. De meeste onderzoekers zijn echter de mening toegedaan dat het gebruik van de roos in het lakzegel een verwijzing is naar zijn naam. Spinosus betekent ‘doornig’. Een gezaghebbend artikel van Filippo Mignini ‘Il sigillo di Spinoza’ verschenen in 1981 ( nr.2 bladz. 351-389 ) verdedigt deze stelling. Ook deze onderzoeker rept met geen woord over de Rozekruisersbeweging. Spinoza is al door velerlei groeperingen en stromingen tot een van hen gerekend zonder dat dit echter ooit kon worden bewezen. Dat hij bijgevolg lid zou zijn geweest van de Rozekruisers kunnen we dan ook best als niet bewezen beschouwen.

Dat in de vorige reactie gegeven citaat was precies ook te lezen in het eerste blog, waarnaar bovenaan in dit blog wordt verwezen.

Ter inleiding.
Vanuit mijn professie, als Visueel Communicatie- deskundige, was ik opzoek naar, toch wel, een bijzonder boek, waarin de beeldende biografie over Spinoza is beschreven, “De lens van Spinoza”, kwam ik dit blog tegen.
Bij het lezen van de titel, “Spinoza alchemist?” Had ik toch even de behoefte om, misschien, een handreiking te doen met een stelling.
“Het is niet voor niets dat brief 70 weg is, Spinosa wist toen al dat antimonium een gif is, veel antimoonverbindingen zijn zeer giftig, bij toediening heeft het gelijkenissen met een arsenicumvergiftiging” Spinoza wilde de mensheid voor dit kwaad behoeden.

Er zijn parallellen, maar ook glad ijs.
Wanneer je her woord , 'Occult' ontleed kom je uit op gesloten. Alchemie zijn de krachten binnen het universum
De overeenkomsten tussen deze twee universele, zijn op religie gebaseerd en en is van zeer grote filosofische waarden.
Spinozo was geen alchemist nog een occultist, maar een groot Kabbalist.
De leer van de kabbla en de Zohar zijn zeer ontoegankelijk, gebaseerd op getallen en systemen. Zeker binnen de westerse mystiek welke men terug kan vinden in de leer van de Tora waar de Zohar en Kabbala een onderdeel van zijn, word daarom vaak uit zijn verband getrokken omdat het een zeer ontoegankelijke wijsbegeerte is. En wijsgeerige systemen waren een zeer voor Spinoza een voedigsbodem
De grondslag ligt in de Talmud, (de mondelinge Tora) Waarin de Zohar naar voren komt en dient op een allegorische methode te worden gelezen, ik zei het al eerder, de leer is zeer ontoegankelijk en dan krijgt het al snel een, onjuist, stempel als zijnde, occult.

Beste Ezra,

Ook ik heb proberen te onderzoeken wat het mogelijke verband is tussen Spinoza en het Kabbalisme. Maar ik moet toegeven dat ik al spoedig moest concluderen dat deze nooit heel positief kan zijn geweest en dat Spinoza niet (althans in strikte zin) Kabbalist genoemd kan worden.

Spinoza had zich, ondanks zijn verwerping van het orthodoxe Jodendom, redelijk makkelijk kunnen aansluiten bij de Kabbalisten als hij zich er mee vereenzelvigde. Maar een enige opmerking in de TTP (Hfd. 9, volg Meinsma), is niet positief. En naast zijn immer schaarse bronvermelding is er ook in Spinoza's terminologie/nomenclatuur nauwelijks overeenkomst te vinden met de Kabbala.

Dat er desondanks een aantal mogelijk parallellen zijn tussen de vaak obscuur en figuurlijk uitgedrukte wijsheid van de Kabbala en Spinoza's helder uitgedrukte filosofie is volgens mij dan ook eerder te wijten aan Spinoza's eigen diepe geestelijk inzicht, dan aan een bewuste identificatie met en directe inspiratie van de wijsheidstraditie.

Eén belangrijke overeenkomst lijkt mij echter noemenswaardig en dat is dat het godsbeeld in de Kabbala (Ayn Sof) en bij Spinoza (God/Substantie) volkomen oneindig, onbepaalbaar en onpersoonlijk zijn. Ook zou je voor beiden kunnen zeggen dat dit godsbeeld filosofisch en empirisch meer verantwoord is en dus bruikbaar in hun kritiek op de meer volkse godsopvatting.

Anderzijds mist Spinoza's filosofie de narrativiteit van de Kabbalistische hagada (omgekeerd ontbeert deze hagada de duidelijke structuur van Spinoza's filosofie) als ook het geloof aan geestelijke entiteiten et cetera.

H. gr., Johan