Sigmund Seeligmann (1873 – 1940) over Spinoza

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie # 11

Sigmund Seeligmann (1873 – 1940)Nadat ik in het vorige blog meer i.h.a. informatie over Seeligmann bijeen heb gebracht, volgt hier zijn tekst over Spinoza: “Spinoza Amstelodamensis.“ In: Amstelodamum 20, n.2 (1933), 17-22

    

  

                                 SPINOZA AMSTELODAMENSIS

Slechts hij, die den moed heeft met overgeleverde legenden volkomen te breken, die het beeld van heiligen en ketters nog tijdens hun leven en dan steeds in groeiende mate omranken, kan hun biographie schrijven. Over weinigen, wier leven nog geen drie eeuwen terugligt, is meer gephantaseerd dan over den Amsterdammer Spinoza, die en als ketter en als heilige gold, voor hij als een der grootste wijsgeeren, die de geschiedenis kent, werd geëerd.

Op grond der overlijdensaangifte in levensjaren, maanden en dagen is zijn geboorte op 24 November 1632 gesteld. Naar aanleiding der driehonderdste verjaring van dezen dag zijn tal van voordrachten gehouden. Hier te lande was er n.f. slechts één die Spinoza's leven in Amsterdam behandelde. Dit is begrijpelijk als we zien, dat in de tallooze biographieën van Lucas tot den allerlaatsten tijd, uit gebrek aan positieve gegevens, slechts legenden en phantasieën dienst doen. En toch is er, als men zich van deze legenden los maakt en nuchter de tijdgeschiedenis onderzoekt, voldoende positief materiaal om bij goede combinatie, een zeer aannemelijk beeld op te bouwen, weliswaar volkomen in strijd met het tot nu toe gegevene, maar dat èn feitelijk èn psychologisch geen onwaarschijnlijkheden biedt. Zulk een beeld vindt nu ook steun in de door A. M. Vaz Dias in archieven gevonden documenten, die dezer dagen, als Spinoza mercator et autodidactus, toegelicht in overleg met W. G. v. d. Tak bij Martinus Nijhoff te 's-Gravenhage in mooi uiterlijk zijn verschenen.

In de aanteekeningen van dit boek is echter zelfs nu niet voldoende met legenden gebroken. De beste weg om dit aan te toonen schijnt mij, zoo kort mogelijk Spinoza's leven te Amsterdam, naar eigen opvatting te schetsen en bijna alle polemiek weg te laten, ook ten opzichte van Vaz Dias. De deskundige in de eindelooze Spinoza-litteratuur voelt deze polemiek vanzelf en de gewone lezer heeft er weinig aan. Noodzakelijk is het vooraf in losse strepen de wordingsgeschiedenis der Portugeesche Gemeente in Amsterdam te geven, zooals ik die zie en herhaaldelijk heb beschreven.

Na de verdrijving der Joden in 1492 uit Spanje, werden de daar overgeblevenen en, niet veel later, de naar Portugal uitgewekenen gedwongen het Christendom aan te nemen. Eerst na 3 of 4 geslachten komen de eersten dezer schijnchristenen (Marranen) naar Amsterdam, dat toen nog geen Joden telde. Zij kwamen ook niet om een nieuwe Joodsche gemeenschap te stichten, maar rijke groothandelaren, die zij waren, zochten zij in de havensteden in Zuid- en West-Europa en in de Nieuwe Wereld expansie voor hun handel. De Marranen die, om tot, het Jodendom terug te keeren, Portugal (en later ook Antwerpen) ontvluchtten, vestigden zich begrijpelijker wijze in havensteden, waar Joodsche gemeenten reeds bestonden, als Venetië, Saloniki, Konstantinopel en Smyrna. Eerst toen ook Portugal vijandelijk land werd, hebben de in de N. Nederlanden gevestigde Marranen het raadzaam geacht, zich tot de Joodsche Natie in plaats van tot de Portugeesche te rekenen. Zoo ontstond een Joodsche gemeente te Amsterdam en daardoor kwamen er nu ook uitgewekenen om des geloofs wille. Het gevolg van dezen terugkeer tot het Jodendom was, dat de Inquisitie in Spanje en Portugal, die van den beginne de Marranen vervolgde, hun vermogen, zoover het nog onder haar bereik was, zich trachtte toe te eigenen en ook hun handelsrelaties en verwanten in hun leven en vermogen bedreigde. Dit alles werd nog erger, toen de Inquisitie, zooals we uit veel archiefstukken weten, ook hier in Amsterdam een volkomen geoutilleerden spionagedienst had. Een der leerrijkste voorbeelden hiervan is wel Het vreemde geval van Hector Mendes Bravo door Cecil Roth (N. T. W 7. VIM 1931, ook overdruk) uit het Inquisitie-archief te Lissabon gepubliceerd. De Marraan Bravo was in Venetië weer Jood geworden, daar en later te Amsterdam en Hamburg in den handel geweest en had ook hier in de Joodsche gemeenschap een rol gespeeld, maar was wegens een hem ten laste gelegd delict uit Amsterdam gegaan [18] en einde 1617 naar Lissabon gekomen. Een spion der Inquisitie te Amsterdam had hem overreed tot het Katholicisme terug te keeren. Dit werd hem eerst toegestaan, nadat hij de Portugeesche Joden in alle drie plaatsen met hun aliassen (deknamen voor hun handel in Spanje en Portugal) en Portugeesche handelsconnecties had verraden. Uit een onderzoek op het Amsterdamsch Archief, op mijn verzoek door den heer Vaz Dias ingesteld, bleek, dat Bravo Juni Juli 1616 werd beschuldigd met „zeker (christen) vrouwspersoon" omgang te hebben gehad, hetgeen hij ook bij pijne ondervraagd ontkende. Naar mijn meening is de keur van 8 November 1616 (Noordkerk I, 472) het direkt gevolg van dit voorval. Het geval Bravo en vroeger gepubliceerde bewijzen, over de spionnage der Inquisitie maken het begrijpelijk, dat de Portugeesche Joden zich ook hier in hun handelsbelangen en hun zeilend vermogen voortdurend in gevaar voelden, maar ook voor het leven hunner verwanten en correspondenten in Spanje en Portugal vreesden. Het gevolg was een strenge organisatie der gemeente, waarin de rijkste en machtigste kooplieden (niet de Chachamim-opperrabbijnen) als Parnassijns een volkomen Regentenmacht uitoefenden. Deze macht in de gemeente was ook gericht op de handelsbelangen en natuurlijk op de politiek. Als voorbeeld diene, dat de vijandige houding van Parnassijns tegen Chacham Menasse Ben Israel n.m.m. gezien moet worden door de tegenstelling in politieke opvatting, daar Menasse met Cromwell wilde onderhandelen en hem later bezocht, terwijl Parnassijns in September 1656 met een afgezant van Karel II onderhandelen om geld te verschaffen voor een landing in Engeland (naar een MS in het Br. Museum reeds in 1900 door mij gepubliceerd). Nog de geheele zeventiende eeuw werden alleen zij Parnassijn, die door hun rijkdom en invloed er voor konden waken, dat de handelsbelangen der Joodsche Natie geen gevaar liepen. Niet de joodsch-godsdienstige richting gaf den doorslag. Zoo kennen we reeds in 1618 een geval van een Parnassijn (stellig niet dr. Abraham Farrar, zooals Kayserling en lateren), die alle godsdienstwetten met voeten trad en zijn opvatting in de gemeente wilde doen zegevieren. Ook de splitsing in drie gemeenten tot 1639 ligt zeker niet op religieus terrein, maar in Parnassijns-verhoudingen. De godsdienstige gezindheid dezer Portugeesche Joden was van de meest verschillende richting; ongeloovigen waren talrijk, zooals we weten uit de waardevolle karakteristiek door Isaac Orobio de Castro uit ca. 1660. door Gebhardt herhaaldelijk gepubliceerd. Het is noodig dezen achtergrond der Joodsche Gemeente te kennen, als we Spinoza's leven in Amsterdam willen schetsen.

Baruch Espinoza was de zoon van den Parnassijn Michaël Espinoza (ca. 1587 1654), wiens alias, volgens een geenszins bewezen vermoeden van Vaz Dias, Gabriël Alvares d'Espinoza zou zijn geweest en van zijn tweede vrouw Hanna Debora (st. 1638). Of de oom en schoonvader van Michaël, Abraham d'Espinoza uit Nantes (tijdelijke verblijfplaats) de vader van deze Hanna Debora was of van Michaëls eerste vrouw, is nog niet vast te stellen. Zeer onwaarschijnlijk is het, dat Isaac d'Espinoza te Rotterdam (st. 1627) de vader van Michaël zou zijn geweest. Dat een zoon van Michaël ook Isaac heette is daarvoor geen bewijs, want de patriarchale voornamen bij de joodgeworden Marranen zijn uit religieuse, niet uit genealogische overwegingen gekozen. Dit is alles, wat we voorloopig van de voorouders van Baruch Espinoza weten, al het andere (ook Dunin Borkowski: Nach dreihundert Jahren) is phantasie.

Als zoon van den rijken Parnassijn genoot Spinoza een opvoeding, zooals de rijke zoons der Amsterdamsehe kooplieden die in het algemeen kregen. Het is uitgesloten, dat de kinderen dezer Joden-Regenten zelfs in de lagere afdeeling der Ets-Haiimschool zouden zijn opgeleid; niet alleen was deze school voor hun aantal te klein, maar het was ook een door de rijken onderhouden armenschool, geen enkele naam der rijke Parnassijnsfamilies zal in de lijsten der hoogere afdeeling voorkomen. Nergens is onder Joden zulk een sterk standsverschil als in Amsterdam, waarbij de Portugeesche Joden het prototype waren. Baruch werd geheel in [19] Hollandschen geest grootgebracht, dat blijkt ook uit zijn Hollandsche brieven, vooral graphisch, „zijn stijl is zooveel slechter niet dan die van vele echte Hollanders uit dien tijd" (Land), de willekeur der orthographie was toen een vrij algemeen verschijnsel. Steun vindt mijn opvatting ook in het feit, dat (op één uitzondering na, een Portugeesche persoons-identificatie, vermoedelijk op verzoek van iemand die alleen Portugeesch kende) alle door Vaz Dias gevonden akten in het Nederlandsch zijn. Dit geheel opgaan in de Nederlandsche cultuur had het merkwaardige gevolg, dat Spinoza van den Nederlandschen Staat in zijn tijd op veel plaatsen spreekt van mea patria. Hij staat daarin onder de toenmalige Joden alleen. En dit is het meest typeerende voor Spinoza, uit Joodsche moeder geboren, dat hij de eerste was, die zich zelf ont-nationaliseerde en object van volkomen assimilatie en zelfemancipatie werd. Dit is ook het eenige, dat bij den Jood-historicus voor Spinoza een diepere belangstelling oproept, dan de bewondering voor andere geesteshelden, een Goethe, Hegel of Van Leeuwenhoek. En met Joodsch oog gezien ligt in deze zelfemancipatie: het niet meer willen behooren tot de Joodsche Natie in den tijd der Renaissance, de Einmaligkeit van Spinoza, evenals die van Jud Süss in den tijd van het Barok (Selma Stern) en van Moses Mendelssohn, zelf ook slechts object, niet subject (vader) der emancipatie in den tijd der Aufklärung (naar eigen voordracht).

Naar de in Spinoza's tijd hier heerschende begrippen werd in de eerste plaats onderricht in het Latijn gegeven, wetenschappelijke themata behandelde men uitsluitend in die taal en wanneer Spinoza 5 I 1665 (No. 19 v. V. L. Ed. alt. II 260) van Blyenbergh, die hem in het Nederlandsch had geschreven in het Nederlandsch antwoordt en schrijft „ik wenschte wel dat ik in de taal, waar mee ik op gebrocht ben mocht schrijven", dan bedoelt hij Latijn, de taal waarin hij ter behandeling van wetenschappelijke vraagstukken is opgeleid. En in dezen samenhang moet ik hier er op wijzen, dat reeds zijn vroegste philosophische geschriften natuurlijk in het Latijn zijn geschreven. En als Spinoza Voorburg Juli 1663 (No. 18, II 235) aan Oldenburg betreffende zijn uitgave van Des Cartes schrijft „ut eorum aliquis me praesente ea stylo elegantiori ornaret", dan wil dat zeggen, „dat één hunner in mijn tegenwoordigheid den stijl ietwat zou polijsten" (Meinsma), daarmede bedoelt hij natuurlijk niet, dat hij meende geen Latijn te kennen. Wij weten „hoe groote zorg Spinoza aan het beschaven van zijn Latijnschen stijl besteedde, al trachtte hij niet te schrijven als een literator" (Land). Ja, J. H. Leopold (1902) heeft ons Spinoza's Latijnschen mozaiekstijl doen kennen en de taal- en constructiefouten als algemeen tijdverschijnsel leeren zien. Ik zou willen zeggen, dat veel dezer fouten Hollandismen zijn. Het is belachelijk als Jakob Klatzkin op grond van de plaats in den brief aan Oldenburg herhaaldelijk schrijft, dat Spinoza daarmede zijn onkunde in het Latijn wenscht te bekennen en Klatzkin meent, dat zijn eigen Hebreeuwsche vertaling der Ethica „dem Inhalt der spinozistischen Lehre adäquater ist, als andere Uebersetzungen und auch als das lateinische Orginal, das nicht minder als Uebersetzung (volgens hem dus uit het Hebreeuwsch!) zu bezeichnen ist!" Tot zulke phantasieën leidt de legende der Rabbijnsopleiding van Spinoza, die door Vaz Dias' boek nu wel zal verdwijnen. Maar Spinoza was ook in het geheel geen leerling noch van Morteira noch van Menassse Ben Israel. Altijd zoekt men voor ketters beroemde leermeesters. Dit is een typische legendentrek. En als Vaz Dias nog iets van die legende tracht te redden door Spinoza een der Academias (Yeshiboth) te laten bezoeken, waar Morteira leider zou zijn geweest, dan miskent hij volkomen het karakter dezer Academias, die nooit leerscholen waren, maar pieuse stichtingen (resp. legaten) om behoeftige leeraren te ondersteunen, in ruil voor hun beoefening der Joodsche Leer in zelfstudie, ter nagedachtenis van afgestorvenen.

Het spreekt na dit alles vanzelf, dat ook de Etica in het Latijn is geconcipieerd. En als in den brief aan een Anonymus Voorburg Juni 1665 (No. 28 II 302) Spinoza schrijft, dat hij het derde deel der Ethica (? nostrae philosophiae) „vel tibi,[20] si translator esse vis, vel amico de Vries mittam", dan is n. m. m. translator een Hollandisme en beteekent overbrenger (van Voorburg naar Amsterdam) in letterlijken zin en niet vertaler. Niet alleen dat Spinoza zou geweten hebben, als er van een vertaling sprake was, wie de twee eerste deelen had vertaald, maar de indruk van den brief is toch zonder twijfel, dat de geadresseerde een nieuweling in den philosophischen kring was en aan dezen zou hij toch niet de vertaling zonder meer opdragen. Spinoza's kennis van het Hebreeuwsch was n. m. m. geenszins grooter dan van Christengeleerden in dien tijd. Niet alleen omdat zijn opvoeding zich van die dezer kringen nauwelijks onderscheidde, maar ook omdat de indruk der Hebreeuwsche citaten en de verschillende reeds aangewezen vergissingen geen zelfstandige beheersching der Hebreeuwsche litteratuur doen veronderstellen, maar dikwijls den indruk maken tweedehandsch te zijn. De embrionale Hebreeuwsche grammatica is eerder een philosophische proeve, dan een philologische, zooals vooral Bernays deed zien. Zonder twijfel zoude een onderzoek naar de mate van Spinoza's kennis van het Hebreeuwsch en van zijn bronnen hierbij, mits zonder vooringenomenheid begonnen, de moeite waardig zijn. Heel zijn opvoeding moeten we zien in den geest der zonen van de rijke kooplieden, waartoe hij zelf was voorbestemd. In een der oorkonden bij Vaz Dias van 15 II 1655 vinden we Jarich Jelles reeds in 1654 in handelsconnectie met Portugeesche Joden. Dat langs dezen weg Spinoza met de Collegianten in aanraking kwam is mogelijk. Maar het feit zelve, dat hij in die jaren reeds met de Collegianten omgang had, staat wel vast. Dat deze omgang voor de Portugeesche Joden van een hunner, die in handels-connectie met Spanje en Portugal stond, een zaak van het hoogste gevaar beteekende, zal ieder begrijpen, die weet, dat de overgang tot een niet-katholieke Christensecte, niet minder, zoo niet erger dan de terugkeer tot het Jodendom, door de Inquisitie werd vervolgd. Tegen dergelijke gevaren te waken was de taak van Parnassijns en toen zij blijkbaar Baruch Espinoza van dezen omgang niet konden terughouden, hebben zij, Parnassijns, als regeerders der Gemeente, als beschermers tegen gevaar en bewakers der handelsbelangen, Spinoza 27 Juli 1656 in den ban gedaan, dat wil zeggen: de eenige vorm van economischen boykot, die hun tot behoud der aan hun zorgen toevertrouwde gemeenschap ter beschikking stond, op hem toegepast. Dit is de uitsluitende beteekenis van dezen ban, die niet als „openlijke vervloeking" (H. W. van der Vaart Smit 29 XII 1932) wegens heterodoxe denkbeelden is afgekondigd, maar om aan Spinoza, wegens zijn voor de Joodsche gemeenschap te Amsterdam gevaarlijke neiging tot niet-katholieke Christenen, het handeldrijven in eigen kring met een der Portugeesche Joden of zelfs Marranen onmogelijk te maken. Uit tal van overwegingen blijkt, dat dit de eenige reden voor den ban was. Dat de nog niet vierentwintigjarige handelsman Spinoza vóór Juli 1656 reeds iets zou hebben geschreven of zelfs geconcipieerd van zijn latere werken, dat den ban zou hebben veroorzaakt is uitgesloten, zijn eerste werk valt 'n vijf jaar later; dat Parnassijns zich met de vele ongeloovigen in de Gemeente, wier bestaan we door Orobio de Castro's beschrijving kennen, zouden hebben bemoeid, als zij niet een concreet gevaar veroorzaakten evenzeer. Maar als er werkelijk een openlijke vervloeking om des geloofs wille ware geweest, dan had men zich daarop in een of anderen vorm wel in de latere Christelijke veroordeelingen van het Traktaat beroepen en hadden we het banverhaal wegens heterodoxe denkbeelden niet eerst vernomen uit de legendenverzameling van Lucas en zijn volgelingen. Zelfs uit de beroemde predikatie van den Londenschen Chacham David Nieto: De la Providencia o sea naturaleza Universal o Natura naturante (1704), nog geen halve eeuw na den ban, en de instemmende beoordeeling er van door den lateren Amsterdamschen Opperrabbijn Chacham Zevi Asquenazi blijkt, dat de door Spinoza verkondigde philosophische opvatting, dat God is de immanente en niet transcendente oorzaak van alle dingen, geenszins als heterodoxie werd beschouwd of met den ban in verband gebracht. Maar we hebben ook positieve [21] bewijzen. Door dezen ban werd Spinoza het handeldrijven zóó onmogelijk gemaakt, dat hij niet lang er na uit armoede Amsterdam moest verlaten en toen eerst begon zijn philosophische zelfconcentratie. Dit is de duidelijke achtergrond van den aanhef van zijn oudste philosophische geschrift Tractatus de intellectus emendatione etc., dat misschien nog vóór 1661 moet worden gedateerd. En hierin ligt, daar het leven sterker is dan de leer, de oorsprong van zijn haat tegen Jodendom en Joden.

Een volkomen parallel in oorzaak en gevolg is de Parnassijnsban tegen Uriel da Costa. In zijn Exemplar humanae vitae, dat in 1640 kort voor zijn zelfmoord, allerwaarschijnlijkst in het Portugeesch een fel anti-Joodsch-geschrift bedoelde te zijn, van een onevenwichtigen, materieel geruïneerden zwakkeling en in zijn Latijnsche vertaling misschien door Philippus van Limborch in wiens bezit het H.S. na Episcopius' dood was gekomen, bovendien een pro-Christelijk-geschrift werd, dat slechts met de grootste voorzichtigheid historisch kan worden gebruikt (zie mijn opmerking ZfhB. XV, 1911, 42) lezen we (Ed. pr. 1687 p. 349), dat het terughouden van twee Christenen van het Jood worden voor Uriel da Costa de eigenlijke oorzaak van den ban werd. Of hier de vrees voorzat, dat door het Jood-worden van werkelijke Christenen (niet Marranen) de Keur van 8 Nov. 1616, die ook dit verbood, zou worden overtreden of op ander terrein gevaar dreigde, zou ik nog niet durven zeggen. Maar economisch was de ban ook voor da Costa fataal, daar niemand meer met hem handel dreef en daarom vinden we hem 8 Maart 1627 te Utrecht, niet van de Joodsche Natie, maar als „Portugies deser Stadts innewoonder" (Vrijdagavond VIII, 63 van 24 IV 1931).

Men zal nu begrijpen, dat het aangeboden jaargeld door Parnassijns, als Spinoza de Synagoge zou blijven bezoeken, dat sedert Bayle en Colerus opgeld doet, evenzoo het legendenkarakter draagt, als het aangeboden jaargeld door De Witt, dat dr. Japikse reeds in 1928 naar het rijk der fabels verwees. Daar behoort ook thuis het verhaal der Spaansch geschreven Apologia (tegen de Rabbijnen!), die het oer-traktaat theol.-pol. zou hebben gevormd, dat sedert Salomo van Til als een zeeslang door alle biographieen spookt. Spaansch was in de Portugeesche gemeente te Amsterdam een sacrale taal alleen voor Bijbellezing en Gebed, niet voor gesprek of gelegenheidsgeschrift. Maar men moet toch begrijpen, dat tegenover de machtsuitoefening van Parnassijns een verdediging en argumentatie, dat de Pentateuch niet van Moses is, maar door Esra is geredigeerd en daarom niet behoeft te worden opgevolgd (dit is toch de kortste inhoud, niet de bedoeling natuurlijk, van het theol. pol. Traktaat), even onzinnig zou zijn, als wanneer een Spinoza redivivus tegenover het plaatsen van de Opera posthuma op den Index onder Paus Alexander VIII (29 VIII 1690) had willen beweren, dat deze machts-uitoefening onwettig was, omdat hij kon bewijzen dat het Evangelium Matthaei eerst in de tweede eeuw zou zijn geredigeerd. Bovendien weten we toch, dat het Traktaat ca. 1665 is geschreven tegen de Christen Predikanten in hun oppositie tegen het door Spinoza als juist geziene staatsgezag en dus tegen hun machtsbron het Oude Testament en niet tegen de Joden.

Hiermede is de Amsterdamsche tijd van Spinoza in beeld gebracht. Toch moet ik nog een punt, dat misschien eerst in lateren tijd valt, bespreken. Na den ban waren de Joden voor Spinoza op even grooten denk- en gevoelsafstand, als de Chineezen (Traktaat III slot), nimmer rekent hij zich zelf in welken vorm ook tot de Joden. Zoo stond hij ook tegenover het O. T., „wat hem in het N. T. aantrekt, dat zijn die plaatsen, die ons, te recht of ten onrechte aan hellenistische gnosis herinneren" (Tj. de Boer). Maar als Spinoza, bij voorbeeld, schrijft (Traktaat 4 Hoofd. p. 74): „Deze dingen, zeg ik, moeten van de Propheten alleen gezegt worden, die in Gods naam wetten geschreven hebben, maar niet van Christus, want hoewel Christus ook schijnt in Gods naam wetten geschreven te hebben, zo heeft men echter van hem te gevoelen, dat hij de zaken waarlijk en evenmatig heeft bevat, dewijl hij niet zo zeer een Propheet als Gods mont heeft geweest; [22] want God heeft door Christus geest ….. eenige dingen aan het menschlijk geslacht geopenbaart", en dergelijke plaatsen meer, maakt dat toch heel sterk den indruk, dat Spinoza in zijn willen Christen was. Niet dat het waarschijnlijk zou zijn, dat hij zou zijn gedoopt, voor hem had een symbolische daad nimmer een religieuzen inhoud en evenmin erkende hij Christelijke dogma's, allerduidelijkst blijkt dit uit zijn antwoorden aan OIdenburg (No. 73 en 75, II 411 en 414). Maar ook zonder deze erkenning was hij n. m. m. subjectief in zijn denken Christen, evenals voor den Collegiantenkring en zijn vrienden. Dit zelfbeschikkingsrecht heeft ieder te eerbiedigen. Daarom is er geen reden tot verwondering (Gebhardt), dat men hem zonder eenige aarzeling 25 Februari 1677 in de Nieuwe Kerk te 's-Gravenhage heeft begraven. Slechts op één plaats in zijn werken meen ik iets uit Joodsche omgeving te beluisteren, die mij een bewijs is, dat ook hier het leven sterker is dan de leer. Wie den gang van het derde hoofdstuk van het Traktaat goed op zich heeft laten inwerken, staat eigenlijk vreemd te kijken, als hij tegen het einde een paar zinnen leest, die blijkbaar een inconsequentie met al het voorgaande zijn. Laat ik het even citeeren (ald. 3 hoofd. p. 65): „Ja, indien de grondvesten van hun godsdienst hun gemoederen niet verswakten, zo zou ik volkomelijk geloven, dat zij ter eeniger tijd, als er gelegentheit voor quam (dewijl de menschelijke dingen veranderlijk zijn) hun heerschappij weêr op zouden rechten, en dat God hen van nieuws zou verkiezen" etc. tot het slot van het hoofdstuk. Hier hooren we naar mijn meening een echo van den sterken terugslag der Sabbatiaansche beweging in 1665/1666, naar welker verloop OIdenburg 8 Dec. 1665 vraagt, aan 't slot van brief No. 33, den laatsten dien we uit dien tijd hunner correspondentie hebben. De toenmalige Messiaansche beweging, die in Amsterdam, Hamburg en Londen zulk een sterke weerklank vond, schijnt Spinoza, die in dien tijd, zooals we uit den brief aan OIdenburg (No. 30) weten, aan het Traktaat bezig was, ertoe te hebben gebracht het herstel van een Joodschen Staat als mogelijkheid te zien. Uit deze plaats Spinoza tot Nationaal-Jood te maken is weer een der moderne phantasieën.

Het hier gegeven beeld van den Amsterdammer Spinoza heb ik 29 Maart 1927 in het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in een studiebijeenkomst, in het debat, gegeven en vroeger en later, mondeling en schriftelijk, in details aan veel anderen uiteengezet. En hoewel reeds in „De Vrijdagavond" IV No. 10, 3. VI. 1927 p. 150 de Redacteur aankondigde, dat ik daar mijn meening zou publiceeren, heb ik dit toch nagelaten. De tallooze litteraire excessen, die èn Jood èn Christen over den Amsterdamschen Jood Spinoza ten beste geven, schrikten mij af. Een enkel voorbeeld uit recenten tijd. Getuigt het niet van evenveel begrip van Jodendom, als van Christelijke liefde, als W. G. van der Tak van de rabbijnen(!) schrijft: „Hunne wraakgierigheid wordt wel toegeschreven aan den invloed der vervolgingen van Christelijke zijde ondervonden, die hunne gemoederen zeker niet verzacht zullen hebben, doch moet de Christelijke onverdraagzaamheid ten slotte niet verklaard worden uit het Joodsche element in het Christendom? De Joden zijn immer onverdraagzaam en wraakgierig geweest". (B. d. S. 1928 p. 17). Of is er iets meer smakeloos te bedenken, als het bezoek der deelnemers der Septimana Spinozana op 8 Sept. 1932 aan het graf der ouders van Spinoza op de Portugeesche begraafplaats te Ouderkerk ter huldiging van den Verloren Zoon? Ja, is het niet pijnlijk en zouden we eigenlijk niet aan de waarheid van het bericht moeten twijfelen, als we lezen, dat ter eervolle herdenking van den Jood Spinoza de Israelietische Gemeente te Berlijn dezer dagen een tentoonstelling van Spinozana houdt, waarbij Parnassijns der Portugeesch Israelietische Gemeente te Amsterdam (quantum mutati ab illis!) inzenders zijn?

Maar waar thans door publicatie der akten, door Vaz Dias gevonden, een worp in de goede richting is gedaan, meende ik met den Prediker: Daar is een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken.
                                                                   SIGMUND SEELIGMANN

Colofon

Sigmund Seeligmann, “Spinoza Amstelodamensis.“ In: Amstelodamum 20, n.2 (1933), 17-22

Op 15 januari 2013 door Stan Verdult met OCR in digitale tekst omgezet en gecorrigeerd.

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie #1, #2, #3, #4, #5, #6, #7, #8, #9, #10,

Reacties

Fantastisch werk gedaan, Stan. Zeer prijzenswaardig. Daar staan in dit geleerde stuk minstens een tiental originele beschouwingen of hypothesen betreffende 'onze Spinoza', die 80 jaar na de eerste publicatie een nieuwe wending aan de biografie van Spinoza kunnen geven. Ik heb er echt van genoten. Herinner me nog dat het portret van Seligmann in de vroegere Bibliotheca Rosenthaliana hing.