Roger Scruton: "Spinoza's metafysica bevat een fatale fout"

Spinoza’s legacy: Spinoza's metaphysics contains a fatal flaw.
[Roger Scruton, Spinoza: A Very Short Introduction (1986, 2002) cf.
books.google]

Iemand die ik al heel lang ken, vanuit m’n opleidingstijd, zocht onlangs contact met me: hij had Spinoza ontdekt, waarin hij zich wilde gaan verdiepen – en zo had hij ook mijn weblog ontdekt. Dit weekend e-mailde hij me weer en stuurde me scans van enige pagina’s van het laatste hoofdstuk van het Spinoza-boekje van Roger Scruton dat de titel draagt: “Spinoza’s erfenis.” En dat begon met de zin die ik in de kop van dit blog plaatste. Mijn oud-schoolgenoot was er enigszins ondersteboven van en vroeg zich af of hij wel verder wilde gaan met Spinoza. Wat mijn reactie op die tekst was? En hij gaf mij een link naar marktplaats.nl voor het geval ik het boekje zou willen aanschaffen…

Aan dat aanbod, wat ik wel aandoenlijk vond, kon ik merken dat mijn vroegere schoolgenoot dan wel mijn blog ontdekt had, maar kennelijk nog niet het zoekvenster, want dan had hij kunnen zien dat er meerdere blogs over het boekje van Scruton te vinden zijn. Daarin maak ik duidelijk dat ik het op sommige punten best een aardig boekje vind, dat Scruton over de kwaliteit beschikt om moeilijke zaken uit te leggen, maar dat er toch flink wat op aan te merken is. Het is dan ook niet toevallig of ‘per ongeluk’ dat ik dit Scruton-boekje niet vermeldde in het recente blog waarin ik “Inleidingen in Spinoza’s filosofie” aanbeveel.

[Cf. over Rogers Scruton’s Spinoza de volgende blogs: 25-4-2008 (over mijn aanschaf van het boekje), 24-07-2009 (met mijn bespreking), 10-05-2013 (n.a.v. bespreking door Mark Behets; daar geef ik nog eens aan welk plezier ik aan het boekje beleefd had, maar hoe Scrutons aardige voorbeeld om de “zgn. aspect-theorie” duidelijk te maken er toch naast zit), 18-08-2012 (over de heruitgave door Trouw), 27-03-2014 (over de heruitgave door Lemniscaat met nieuwe cover).

 

In het boek van Mark Dooley dat dit jaar verscheen, Conversations with Roger Scruton [Bloomsbury Publishing, 2016 – books.google] zegt Scruton:

“The shorter your summary, the more you need to know. To get the essence of someone like Spinoza is very hard. I had, however, very much enjoyed teaching the history of philosophy, and I had tried to do it in Jonathan Bennett's way, which is to say I tried to interrogate historical philosophers rather than repeat what they said.” (p.170)  

“In 1986, and following from the popularity of his Kant book, Scruton published Spinoza: A Very Short Introduction. I wonder if Spinoza is still important to him. 'Yes because he is the model for the kind of "cognitive dualism" that I develop in The Soul of the World. He recognized that the scientific view of the world doesn't leave anything out, but, nevertheless, is not the whole truth of the matter. That which is explained from one perspective can also be understood from another, and the two perspectives are incommensurable. He worked this thought out in his extraordinary "two-aspect theory", arguing that theories of mind and extension are two ways of conceptualizing the whole of things. Spinoza had a really scientific mind and didn't in any way want to marginalize science or to isolate the human person from the rest of nature. He wanted to acknowledge the sovereignty of physics, while also limiting that sovereignty, so that the world lying on the dissecting table can also rise up and address us with a smile.’” (171)

Eigenlijk geeft Scruton hier zelf antwoord. Uit het eerste citaat kun je afleiden dat hij zich bewust ervan kan zijn dat juist de kortheid van een inleiding aan degenen die mogelijk méér van Spinoza begrepen laat zien hoe sommige dingen door hem nog niet goed begrepen zijn. In het tweede citaat laat hij eigenlijk zien dat hij Spinoza in zijn Legacy-hoofdstuk onjuist evalueerde. Ik neem hier alleen de eerste alinea uit dat laatste hoofdstuk:

“Spinoza's metafysica bevat een fatale fout. Uitgaande van de premisse dat de werkelijkheid overeenstemt met onze adequate voorstellingen, komt hij ongehinderd tot de gevolgtrekking dat wij hetzelfde 'absolute' inzicht in de natuur kunnen hebben dat wij ook in het wiskundige universum hebben. Daarenboven is de wereld alleen werkelijk begrijpelijk als er iets causa sui is. Anders verklaart onze wetenschap, hoe veelomvattend zij ook moge zijn, het bestaan van niets. De premisse is evenwel ongegrond en de conclusies zijn vrijwel onmogelijk te interpreteren. Het lijkt alsof de wereld voor Spinoza een onafhankelijk systeem is en dat er maar een zo'n systeem mogelijk is. Het lijkt ook alsof de wereld bestaat uit twee, of zelfs oneindig veel, onafhankelijke systemen. Het onderscheid tussen substantie en attribuut moet de moeilijkheid uit de weg ruimen, maar het onderscheid is alleen begrijpelijk als je uitgaat van de veronderstelling dat er geen moeilijkheid is: dat een ding twee of meer essenties kan hebben.”

De enigszins warrige zin over causa sui laat ik rusten. Ik ga alleen in op de zgn. ‘premisse’. Spinoza hanteert niet zomaar de premisse “dat de werkelijkheid overeenstemt met onze adequate voorstellingen”. Spinoza gaat ervan uit dat de werkelijkheid vele kanten kent en van vele perspectieven bekeken kan worden. Wij kennen er twee: uitgebreidheid der dingen en de daarmee - in dezelfde orde en verband - samenhangende kennis (ideeën). Spinoza is in zijn epistemologie juist heel voorzichtig en laat zien dat wij vooruit kunnen gaan in het bereiken van adequate kennis, naarmate we méér de verbeelding achter ons laten. Hij geeft in de TIE zelfs een soort wet van het omgekeerd evenredige verhouding tussen verbeelden en begrijpen: hoe meer we begrijpen, des te minder kunnen we ons verbeelden. “Hoe minder de geest begrijpt en hoe meer hij waarneemt, hoe groter zijn vermogen tot verzinnen; en omgekeerd, hoe meer hij begrijpt, hoe meer dat vermogen afneemt.” [TIE § 58 en 59]. En tot ‘absolute’ kennis van de hele werkelijkheid komen wij nooit, zegt Spinoza op vele plaatsen. Maar hoe meer wij de individuele dingen beter begrijpen (adequaat kennen), des te beter begrijpen we God (of de natuur). [E 5/24]

Wat Scruton vervolgens allemaal zegt met het begrip ‘systeem’ is nogal verwarrend: de ene keer lijkt hij met ‘systeem’ de substantie (ofwel de hele werkelijkheid) te bedoelen, de andere keer lijkt elk attribuut naar een apart ‘systeem’ (een aparte wereld?) te verwijzen. En uit het slot van de paragraaf blijkt dat hij attribuut uitlegt (met sommige Spinozisten) als telkens een aparte essentie van de substantie te laten zien, zodat God of de substantie blijkbaar uit vele wezenheden (essenties) zou bestaan.

In mijn besprekingsblog van Scruton’s Spinozaboekje heb ik laten zien hoe hij het “Deus sive Natura” volkomen verkeerd uitlegt. Hij laat zien dat hij er niets van begrepen heeft (althans dat hijzelf er niet aan wil).  Uit deze passage in The Soul of the World waarin hij laat zien wat hij zogenaamd van Spinoza overnam, toont hij juist ook aan hoe hij de twee manieren van kennen - zijn theorie van "Cognitive Dualism" - volledig onafhankelijk naast elkaar laat staan:

“Spinoza was perhaps the first to argue that the world is one thing, seen in two (at least two) distinct ways. Thought and extension were, for Spinoza, two attributes of a single unified reality. Both delivered a complete form of knowledge: we could know the world as extension, through the study of physics. And through this study we would know, eventually, all that there is to be known. But the resulting science would make no mention of ideas, or of the mind as their vehicle. Likewise, through the study of ideas, we could know the world as thought, and through this study too we would come to know all that is to be known. But the two studies would be incommensurable. We could no more pass from one to the other and back again than we could pass from a description of a painted face to a description of colored patches and back again, expecting thereby to give a complete account of a picture. The analogy with pictures is imperfect: but it helps us to see how what is one thing when viewed as a whole might nevertheless be understood in detail in two incommensurable ways. (p. 35, cf. books.google).

Hij geeft toe dat de vergelijking met een schilderij mank gaat. Maar waar ik op wil wijzen is dat hij op het incommensurabele (onmeetbare) van de twee benaderingen (van het "Cognitive Dualism") blijft hameren, waar Spinoza dat in eerste instantie ook doet (de causale en conceptuele barrière van Ethica 1/10), maar tenslotte – via de idea Dei, weet u nog? – op de betrokkenheid op elkaar, de representativiteit van ideeën van dingen (ideatae) besluit. Het is daarmee dat Scruton moeite heeft: hij laat die twee verhalen over de werkelijkheid volkomen naast elkaar staan (het ene zou het verhaal van de wetenschap zijn, het tweede zou bestaan uit de verhalen van ‘interpersoonlijke begrijpen’, hetgeen ruimte geeft aan religie). Kortom, het líjkt in de verste verte niet op Spinoza wat hij beweert van hem te hebben overgenomen.

Hij gaat niet mee met hoe Spinoza – via “dezelfde orde en verband” en vervolgens via de objectivering door de idea Dei - tot de eenheid van de wereld der dingen en de bijbehorende ideeën erover komt. Maar om dat nou een fatale metafysische fout te noemen? Scruton heeft een andere metafysica, waarbinnen hij via ‘interpersoonlijk begrijpen’ met anderen in een persoonlijke God kan blijven geloven. Die ruimte voor de verbeelding die mensen elkaar in 'interpersoonlijke begrijpen’ toestaan, zou je dan ook wel de fatale fout van de metafysica van Scruton kunnen noemen!

Reacties

Is het eigenlijk mogelijk om de visies van de transcendente en de immannente God met elkaar te verenigen? Dwz dat de ene opvatting de andere niet uitsluit? Ik lees zoiets bij Teun De Vries.

@Frans, daar vraag je me nogal wat. Volgens de christelijke theologie is God zowel transcendent (alles overstijgend en apart van de schepping bestaand) als immanent (aanwezig in de wereld, want God is overal). Voor Spinoza is er naast de natuurlijke, niet nog een bovennatuurlijke wereld. God 'produceert' de wereld, maar niet buiten zich, niet transiënt/overgaand, maar immanent. "Alles wat is, is in God, en niets kan zonder God bestaan of gedacht worden." (E. 1/15). God kan niet tegelijk natuur zijn en buiten de natuur bestaan (supernatuurlijk zijn).
Je maakt me nieuwsgierig naar wat je bij Theun de Vries gelezen hebt (kun je paginanummer geven?) en naar de achtergrond of bedoeling van je vraag.