Pieter van Woensel (1747 - 1808) over de rekruuten van Spinoza

De arts, wereldreiziger en reisbeschrijver van Woensel, een vrijdenker met een liefde voor het zonderlinge en afkeer van gebaande wegen nam geen blad voor de mond.

Nadat hij in 1770 in Leiden promoveerde vertrok hij in 1771 als legerarts naar Sint-Petersburg. Nadat hij in 1780 naar Amsterdam was teruggekeerd, publiceerde hij in 1781 De Tegenwoordige Staat van Rusland, dat ook in Rusland verscheen. Daarna vertaalde hij uit het Frans een werk over de afschaffing van slavernij. In 1784 vertrok hij voor anderhalf jaar naar Constantinopel, waarna hij de Turkse samenleving beschreef in Aanteekeningen, gehouden op eene reize door Turkeyen, Natoliën, de Krim en Rusland in de jaren 1784-89, (twee delen). Constantinopolen [Amsterdam], 1789 en 1793

Uit het hoofdstuk Staat der Geleerdheid in Turkijen in de derde bundel, die bij DBNL gedigitaliseerd staat, citeer ik de tekst (op p. 248-252), waarin Van Woensel 111 jaar na de dood van Spinoza het heeft over dat in de steden van zijn tijd "spinoza meer rekruuten gemaakt heeft" dan eerder in eeuwen ('sic!) - ook onder de 'Muzulmansche Philosoophen'...

 

De naam van philosooph wordt, God betere 't! heedendaags zo geprostitueerd, dat een fatzoenlijk mensch 't zich schaamt 'er voor door te gaan. De eerste kapstok de beste heeft, of geeft zich een in 't oogloopende gril, zegt zich een philosooph, en men gelooft hem. Zo 't mijne vrienden Muzulmans plaisiert, wil ik wel zeggen, dat ze ook philosoophen zijn. En voor zo verre de boven-natuur- en zedekunde een groot deel der wijsbegeerte uitmaakt, mogen zij 't misschien met even zo veel recht zijn als wij.

 

Hoe onverschillig dit volk anders omtrent alles, de vrouwen en 't geld uitgenomen, zijn mag, 't deelt toch in der menschheid algemeen eige nieuwsgierigheid, omtrent de oorzaak van haar begin. Zijne traagheid belet het niet in dit scheemerlicht naar zijn en aller Oorsprong onrustig om te voelen, en reikhalzende de handen uittesteeken. Onder de voornaamen, onder de diepdenkendsten deezer natie, schijnt 't reeds voorlang in de mode gekomen te zijn, dit omvoelen als eene verlooren moeite aantemerken: 't zij uit hoofde van de fijnheid der materie, 't zij, zo als zij zich ongeveer uitdrukten, om den weinigen kans, die 'er is, een naald in een voêr hooi te vinden. In dit stuk schijnen de Muzulmansche Philosoophen naar de eerste mode te zijn, en 't precies eens te wezen met de in dit tijdperk heerschende denkwijze der voornaamsten, der luiden van den eersten rang, in twee à drie der grootste en toongeevendste steden van Europa, onder welke spinoza meer rekruuten gemaakt heeft, dan 'er voortijds in eeuwen gevonden werden: iets, dat ik toeschrijve aan een afkeer, dien veele menschen hebben, om van één gevoelen met den grooten hoop, onder welken men zich door 't Deïsmus reeds niet meer onderscheidt, te zijn. Dus bedriegt zich de Eerw. Heer ockerse, als hij zegt: ‘De vrijdenkerij, het Deïsmus, is even gelijk de Vrais massonnerie, (zou dit de Vrijmetzelarij zijn?) het kenmerk van welleevendheid.’ Zijn Eerw. is ééne mode ten achteren in beide de stukken. Men berijdt thans een paardje, 't geen wat harder draaft. 1)  

 

Maar in de Natuurkunde zijn zij noch zo goed als vreemdelingen. Geen Westphaalsche grasmaaijer zou zich meer kunnen verwonderen over de proeven met de Electrizeer-machine, als verscheiden fatzoenelijke Muzulmans 't deeden. En is dit te verwonderen? Deeze weetenschap heeft thans bij hen dezelve weezenstrekken, die zij hadt ten tijde van aristoteles, zo niet hun eenigen, hun voornaamsten leidsman zo in de physica als in de natuurlijke historie. Dioscorides over de planten bezitten zij in 't Arabisch, zo als ook plinius. Wij staan 'er niet voor in, dat la philosophie de newton, mise à la portée de tout le monde door voltaire ook in 't Turksch is overgezet. -

 

Hunne bekwaamheid in 't maaken van zonnewijzers is zo min een bewijs hunner vorderingen in de mathesis, als 't maaken van uurwerken bewijst de mechanische talenten onzer Horologiemaakers, of 't bemesten der gronden de scheikundige bekwaamheid eens landmans. [van hier]

1) Z. Ontwerp tot eene algemeene Charakterkunde. bl. 152: een werk misschien boven de kragten, bezijden de bevoegtheid des Eerw. Auteurs. Om 'er heels huids af te komen, is 't onontbeerlijk multorum hominum mores [...]disse; en Wijk te Duurstede! Om de waereld wel te waardeeren, is 't niet best een theologische bril op te hebben. Misschien zou een Toneel-speeler ons de karakters der menschen juister kunnen afbeelden dan een K. Leeraar.

                                                              * * *

Zie over Pieter van Woensel tevens het artikel van

Bettina Noak (Berlijn): Met een vreemde blik: Pieter van Woensel over de Turkse en de westerse samenleving. In: Neerlandistiek in contrast. Handelingen Zestiende Colloquium Neerlandicum. Rozenberg Publishers, Amsterdam 2007 [bij DBNL]