Pieter Balling (? – ca 1669) was Spinoza’s vriend voor 100% Spinozist? [5]

De voortgang van deze reeks is even gestokt. Vóór ik met m’n blog wilde komen waarin ik een antwoord wilde benaderen op de in de titel gegeven vraag, wilde ik eerst nog een omweg maken met het lezen van een boek. Ik wilde meer te weten komen over de wereld van de doopsgezinden en andere christelijke denominaties in de 16e en 17e eeuw. Daartoe las ik voorbije dagen S. Zijlstra: Om de ware gemeente en de oude gronden: geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden, 1531-1675. 1 Een zeer uitgebreide studie die veel informatie geeft en een behoorlijk inzicht verschaft in het ontstaan en de ontwikkelingen van het doperdom in Europa met accent op Nederland. Dit even ter verklaring waarom mijn reeksje even stokte.

Ik deed dat temeer daar ik de opgeworpen vraag in die zin wil gaan beantwoorden: ja, Pieter Balling is sterk beïnvloed door Spinoza en mag terecht een Spinozist worden genoemd. Maar Spinoza heeft zich ook behoorlijk laten beïnvloeden door de bijzondere categorie van doperse christenen, met name diegenen die zich min of meer thuis voelden in de omgeving van de collegianten en, zoals bij Balling merkbaar is, affiniteit hadden met de spiritualistische stroming die David Joris in het mennitisch-doperdom vertegenwoordigde. David Joris voor wie het accent lag op de innerlijke weg tot het heil en voor wie kerken en ceremoniën overbodig waren [Zijlstra, 160].

Natuurlijk, Spinoza zou Benedictus niet zijn, als hij wat hij op dit pad tegenkwam, niet in zijn eigen richting interpreteerde. Maar hij nam taal, thema’s en bekommernissen over vanuit deze protestants-christelijke richting met representanten waarvan hij in de periode waarin hij zich uit de joodse omgeving in Amsterdam verwijderde, waarschijnlijk al ruim vóór de ban, kennis maakte.

Dat hij christelijke taal overnam, blijkt uit het gebruik van termen als ‘lumen naturale’, het natuurlijk licht van de rede. 'Innerlijk licht' was hét sleutelbegrip voor alle chrétiens sans Église (Kolakowski), quakers, collegianten, labadisten, milleniaristen, aanhangers van Böhme en van Bourignon en - volgens Eric Jorink -  zelfs voor Spinozisten. 2)

Dat Spinoza christelijke thema’s overnam blijkt uit zijn bekommernis om het heil, het zoeken naar de juiste wijze van leven en vinden van het hoogste goed in de TIE. En het blijkt uit zijn interesse in Christus, de erkenning van Christus als groot filosoof. Dat Christus als mens en niet als God diende te worden gezien hoefde hij niet zelf in te passen in zijn filosofie – het was al lange tijd thema in bepaalde – sociniaans georiënteerde - kringen in die doperse omgeving. Maar niet alleen socinianen, ook b.v. de voormalige priester Adam Pastor die door Menno als oudste was aangesteld, had unitarische opvattingen waardoor hij de goddelijkheid en “preëxistentie van de Zoon” ontkende [Zijlstra, 181].

Er is veel meer christelijke (sans église) thematiek in Spinoza’s leer te vinden, bijvoorbeeld het onderscheid tussen essentiële (die ieder dient te geloven) en niet-essentiële geloofsartikelen, waarin ieder vrij is te geloven wat hij wil, zoals ook in de TTP te vinden is, dit onderscheid werd ontwikkeld in de vele discussie tussen de vele snippervarianten van christendom. Zo was het ook een spreuk van de remonstranten: “In necessariis unitas, in non necessariis libertas, in utrisque caritas (Eenheid in het nodige, vrijheid in het niet nodige, in beide de liefde)” [Zijlstra, 413]

Ook het thema dat het geloof niet uit (belijdenis-)woorden, maar uit daden moest blijken, was al een thema bij de grondlegger van het Nederlandse doperdom, Melchior Hoffman – een thema dat voortdurend terugkwam: ‘heiligmaking bleek uit de daden’ [Zijlstra 188]. Het was eigenlijk de kern van het doperdom: innerlijke wedergeboorte voorafgaand aan de doop en gevolgd door de sanctificatio, de onberispelijke levenswandel na de doop – de noodzaak van ‘de zedelijke verbetering des levens’ [Zijlstra, p. 215, p. 357]. Of bijvoorbeeld de idee dat “de wet Gods in de gelovige was ingeplant door de Heilige Geest.” [Zijlstra, p. 93]

De Friese predikant Idsardus Nicolai schreef in 1609 in zijn weerlegging van doperse leerstellingen: “Sy wenden voor dat Godt niet so seer ziet op de wetenschap als op de Godtvruchtichheyt ende een vroom leven ende sonderlinge op de liefde.” [Zijstra, 316]. Als van deze typering íets waar is (en dat lijkt mij het geval) dan heeft Spinoza in de doperse omgeving waarin hij verkeerde mogelijk al iets kunnen opvangen van het onderscheid dat hij in de TTP zou uitwerken tussen theologie en filosofie.

Het onderscheid tussen het letterlijke en geestelijke lezen van de bijbel was Spinoza uiteraard ook al uit het jodendom bekend, maar werd zeker nog eens versterkt doordat het telkens speelde in doperse kringen: de dominante opvatting van Sola Scriptura – en de strijd tussen de opvatting dat de Schrift, die haar eigen vertolker moest zijn, letterlijk moest worden genomen en de opvatting dat bij het begrijpen ervan het gezond  verstand gebruikt moest worden [Zijlstra, o.a. p. 334].

Van geen van al deze genoemde christelijke denominaties was Spinoza overigens ooit deelgenoot, lidmaat geworden.

Maar daar Spinoza toch voor een bepaald percentage als ‘ballingiaans’ christen kan worden gezien, vind ik het moeilijk om Pieter Balling als voor 100% Spinozist te typeren.

In deze periode, 1661-62, waarin beiden aan hun werk schrijven, is er nog een Dritte im Bunde: beiden zijn sterk beïnvloed door Descartes. Er is dus in zekere zin sprake van een cartesiaans-ballingiaans/mennonitisch-spinozistisch amalgaam.

Als C. Louise Thijssen-Schoute, die in Nederlands cartesianisme overigens nauwelijks iets over Balling heeft, meent te kunnen schrijven: “Pieter Balling en Jarig Jelles, vrome lieden, bij wie het spinozistisch zaad op mennisten-bodem viel,” 3) dan stel ik dat ook geschreven had kunnen worden dat enig mennonitisch zaad bij Spinoza in goede aarde viel.

Later [op. 357] zegt Thijssen-Schoute nog, Simon de Vries bij hen voegend, dat voor deze drie “hun vriendschap met Spinoza de belangrijkste gebeurtenis in hun leven betekend [mag] hebben.” Dit is alles wat ze over Balling schrijft in Nederlands cartesianisme).  

Ook Travis L. Frampton ziet de relatie tussen Balling en Spinoza als “being mutually dynamic.” Hij vindt namelijk: “While Het licht and Spinoza's Short Treatise on God, Man, and His Well-Being (KV) share many common points, how can one make any definitive statement about direction of influence since both were written around the same time (ca. 1662)? Spinoza himself addressed Balling as his "learned and sagacious" friend. First and foremost, Het licht and the KV both exhibit the imprint of Cartesianism. One may well grant Descartes's influence, but to suggest that Balling was eagerly appropriating the ideas of his master, Spinoza, seems backward, for it assumes history after 1662. It presumes Spinoza's renowned reputation as a philosopher and independent thinker which, comparatively speaking, overshadowed Balling's reputation as a rational spiritualist.” 4)     Daar zit m.i. wat in.

Ik kan het dus ook wel eens zijn - hoewel ik niet weet of het op dezelfde gronden is - met de bewering van C. Louise Thijssen-Schoute dat men "Balling niet op gelijke wijze tot de spinozisten [mag] rekenen, als Ames tot de quakers en Boreel tot de collegianten." 5)

In zijn toespraken over “Spinoza en de collegianten” die Wiep van Bunge de laatste jaren hield en die zijn neergelegd in de hier besproken college-CD’s, benadrukt hij dat hun betekenis voor Spinoza vooral blijkt uit zijn politieke filosofie. “In hun pleidooien voor de vrije 'profetie' baseerden collegianten zich in de loop van de zeventiende eeuw steeds nadrukkelijker op de 'evengelijkheid' der gelovigen.” Zeker een waar en vruchtbaar inzicht, maar ik denk dat ook de collegiants-vrijzinnig-christelijke bekommernissen en interesses eveneens op Spinoza van grote invloed zijn geweest.

                                                * * *

Tot zover mijn voorlopige einde aan deze reeks. Voorlopig, want ik kom nog één keer terug, wanneer ik kennis heb kunnen nemen van het artikel van Wim Klever, waarvan ik had gehoopt dat 'mijn' bibliotheek het al had geleverd. Maar ik ben nog in afwachting van:

W.N.A. Klever, "De Spinozistische prediking van Pieter Balling: Uitgave van 'Het licht op den kandelaar' met biografische inleiding en commentaar." In: Doopsgezinde Bijdragen 14 (1988) 55 – 85

 

Bronnen

1) S. Zijlstra: Om de ware gemeente en de oude gronden: geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden, 1531-1675. Nummer 908 van Fryske Akademy. Uitgeverij Verloren, 2000 2) Eric Jorink, 'Outside God there is Nothing': Swammerdam, Spinoza, and the Janus-Face of the Early Dutch Enlightenment. In: Wiep van Bunge (Ed.): The Early enlightenment in the Dutch Republic, 1650-1750: selected papers of a conference, held at the Herzog August Bibliothek, Wolfenbüttel 22-23 March 2001. Volume 120 van Brill's studies in intellectual history. BRILL, 2003 [ISBN 9004135871, 9789004135871] (p. 104) [books.google]

3) C. Louise Thijssen-Schoute: Lodewijk Meyer en diens verhouding tot Descartes en Spinoza. Voordracht voor de Ver. Het Spinozahuis op 30 mei 1953 te Rijnsburg. Brill, Leiden, 1954, p.  p. 222

4)  Travis L. Frampton. Spinoza and the rise of historical criticism of the Bible. Continuum International Publishing Group, 2006, p. 167 – 169 [books.google]

5) C. Louise Thijssen-Schoute: Lodewijk Meyer en diens verhouding ot Descartes en Spinoza. Voordracht voor de Ver. Het Spinozahuis op 30 mei 1953 te Rijnsburg. Brill, Leiden, 1954, p. 25. [zie ook het blog van 13 januari 2012)

 

                                                                 * * *

Eerdere blogs over Pieter Balling en Spinoza

[1] 12 januari 2012  - over wat er bekend is over Pieter Balling en over de hoofdlijnen van wat hij schreef in zijn anoniem in 1662 verschenen boek Het licht op den kandelaar.

[2] 13 januari 2012   - over de dubbelzinnigheid in Ballings gebruik van ‘het licht’ als een geestelijke innerlijke leiding (door Christus, de H. Geest) en/of als aanduiding van de zuivere rede.

[3] 14 januari 2012  - over de eigenlijke aanleiding voor deze blogs, n.l. de vraag of er een diepgaand inhoudelijk verschil is - zoals Wiep van Bunge stelt - tussen Balling en Spinoza.

[4] 16 januari 2012 - over de 'Brief aan Balling over de voortekenen (Br. 17)' - met verwijzing naar een tekst van Adrie Hoogendoorn.

Reacties

Jammer, Stan, dat je bibliotheek je nog niet mijn Balling-uitgave heeft kunnen bezorgen. Overigens heb ik mijn commentaar, denk ik, adekwaat samengevat in het eerste hoofdstuk van mijn MANNEN ROND SPINOZA.
Ik ben zeer onder de indruk van de reeks blogs die je aan Balling hebt gewijd. Hij verdient die aandacht ook. Zijn tekst is van een groot kaliber, scherp en diepzinnig. In tegenstelling tot anderen zie ik er weinig Cartesiaanse invloed in. Wel demonstreert hij sterke verwantschap met Spinoza's KV (verbaal) en Ethica (inhoudelijk). Jee zou hem zelfs kunnen zien als een resume of blauwdruk van de hoofdlijnen ervan. De vraag wie wie heeft beinvloed vind ik niet zo reelvant. Het LICHT, dat ook wortels heeft in doperse teksten, wijst in ieder geval op een gemeenschappelijke opvatting over hoe een mens tot verlichting komt en tot een zaligmakend besef van zijn eenheid met God, hoe dank zij het Licht zijn lusten door een sterkere kracht worden overwonnen etc.
Een paar opmerkingen nog.
1) Wetlesen heeft ook een Noorse vertaling gemaakt, die na zijn dood door Inez Boon verbeterd is en - naar ik meen - ook is uitgegeven. Zij heeft mij in 2002 advies gevraagd over een en ander.
2) Er lijkt op grond van de mededeling van Rieuwertsz (1684) weinig twijfel mogelijk dat taalbegaafde Balling zelf de Latijnse vertaling heeft gemaakt die in 1683 werd opgenomen bij de OPERA POSTHUMA van Borelius.
3) Van Bunge's opvatting dat er bij Balling sprake zou zijn van politieke filosofie is volkomen uit de lucht gegrepen. Wel legt hij zware nadruk op de 'opperhoofdigheit' van de gemeente der doopsgezinden, een visie die tot de kategorie van 'kerkleer' hoort.
Ook zie ik niet in waarom Balling anders dan Spinoza zou moeten worden gezien als een spiritualistisch naar binnen gekeerde figuur. Bij beiden is kennis kennis, van het tijdelijke dan wel het eeuwige.
Dit gezegd zijnde mis ik bij jou, Stan, de profilering van Ballings TAALTHEORIE, die exact dezelfde verklaring biedt als Ethica 2/18s. Beiden anti-expressionistisch. Geen woord ook heb je over zijn theorie van de onvermijdelijkheid van wancommunicatie en de voorgestelde oplossing daarvan, die ook geheel in lijn ligt met Meijers theorie in dezen. Iedereen wandelt daar helaas vrolijk overheen, ook dat prutswerk Continuum.Het meest frappante nog aangaande de affiniteit tussen Balling en Spinoza vind ik de presentie van de axioma's 1 & 2 van Ethica 5 in zijn tekst (onderaan mijn pagina 23.Dan is er nog Ballings theorie over de ONMOGELIJKHEID VAN EEN GODDELIJKE OPENBARING, die ook in de KV staat en later door Locke wordt overgenomen.
Maar er is zo veel meer over het beknopte LICHT te zeggen, dat mij bij elke herlezing diep ontroert. Ik wil toch iedereen aanraden om mijn Balling-hoofdstuk te (her)lezen.
Ik bedank je, Stan, dat jij Balling op het podium heb gezet, om eens een krans van ECHTE Spinoza-vrinden te ontvangen.

Wim, ik zal op je aandachtgspunten letten als ik in de gelegenheid ben jouw stuk te lezen.
Wat betreft de "taaltheorie" heb ik in het tweede blog gewezen op het enigszins paradoxale dat iemand die zo'n theorie over woorden, taal en miscommunicatie heeft, tegelijk zo (opzettelijk?) dubbelzinnig schrijft.

Voor wat jij, Stan, hier 'dubbelzinnig' noemt, zou ik liever het woord 'tweetalig' gebruiken. Balling hanteert naast de gewone filosofische taal ook theologische taal ter aanduiding van dezelfde concepten. Maar dat is slechts bijzaak in zijn Amsterdamse taaltheorie.