Pieter Balling (? – ca 1669) was Spinoza’s vriend voor 100% Spinozist? [2]

In het vorige blog werd al duidelijk dat Pieter Balling’s Het licht op den kandelaar in twee richtingen kon worden geïnterpreteerd en ook daadwerkelijk werd geïnterpreteerd: zowel verwijzend naar het 'innerlijk licht' zoals opgevat binnen de mystiek-spiritualistische christelijke richting, als – filosofisch - verwijzend naar het 'innerlijk licht' van de rede, zoals elk mens die kent.

Jonathan Israel wijst er in Radicale Verlichting in een uitgebreide voetnoot over Pieter Balling [nr. 60 bij hoofdstuk 8 p. 790] op dat hij het concept het “innerlijk licht” “met weloverwogen dubbelzinnigheid gebruikte om óf het licht van de zuivere rede, óf een geestelijke innerlijke leiding, die voorkomt uit een mystieke eenheid met God, aan te duiden.”

Ook de in het vorige blog genoemde C.B. Hylkema vindt dat de titel "misschien opzettelijk onduidelijk is gesteld."

Die ‘weloverwogen dubbelzinnigheid’ en 'misschien opzettelijke  onduidelijkheid' is des te meer opvallend, waar het stuk begint met een uitvoerige passage over taal, over woorden, over de moeilijkheid om goed verstaanbaar met elkaar te communiceren. Alleen al die titel verwees uitdrukkelijk, zoals iedereen wist, naar door Jezus gehanteerde beeldspraak ["een licht zet men niet onder een korenmaat, maar op een kandelaar" – zie Math 5:15; Markus 4:21; Lucas 8:16 en 11:33]. Door dit dubbele en enigszins verhullende taalgebruik kon het geschriftje gezien en gebruikt worden in quakerkringen, zoals in het vorige blog beschreven.

Maar later wordt voor de goede verstaanders toch almaar duidelijker dat Balling uiteindelijk en uitsluitend de rede ziet als de enige weg tot 'kennisse Ghodts' en dus ook als 'het eerste beginzel van den Ghodsdienst."

Bij het behandelen van de kwestie-Bredenburg* beschrijft Jonathan Israel hoe dat de climax was “van een lang proces dat al was begonnen in de jaren vijftig toen enkele randfiguren, sociniaanse, rationalistische collegianten waaronder Jarig Jelles en Pieter Balling, gegrepen werden door het cartesianisme, en banden aanknoopten met de radicale filosofische groep rond Van den Enden, Meyer en Spinoza. De invloed van het cartesianisme onder de collegianten was zo groot dat het steeds meer moeite kostte het mystieke spiritualisme en de nadruk op het 'innerlijk licht' die werden verdedigd door figuren als Galenus Abrahamsz (1622-1706) en Serrarius, op een lijn te kriigen met de snelgroeiende rationalistische tendensen. Terwijl de collegianten eenparig de radicale vorm van inspiratie door ‘innerlijk licht’, zoals beleden door de quakers, afwezen, verschilden de cartesiaanse socinianen, zoals Jelles en Balling, van hun traditionalistische collega's, doordat zij het 'innerlijke licht' dat mensen leidt en de bron is van innerlijke zekerheid identificeren met een zelfbewust, ten diepste filosofisch concept van de menselijke rede. Pieter Ballings veelbesproken pamflet Het Licht op den Kandelaar van 1662 leek voor velen op een handige manier de kloof te overbruggen tussen het 'innerlijke licht' van de spiritualisten, een mystieke openbaring van God, en de filosofische rede van de cartesianen, terwijl in het pamflet tegelijk de dringende noodzaak van het oplossen van dit probleem wordt benadrukt. Volgens Balling, destijds een van Spinoza's beste vrienden, is de mensheid op drift geraakt in een zee van verwarring, scepticisme en verbijstering en snakt ieder naar redding. Onze hoop op verlossing, zo verzekert hij, is gelegen in het vinden van ‘het Licht der waarheit, het waarachtige Licht, 't welke verlicht een yder mensche komende in de wereld’, want alleen deze gids verschaft een 'beginzel dat zeker is en onfeilbaar en waar door gy toenemende en voortgaande eindelijk tot een gelukzaligen standt zult konnen geraken'. Desondanks blijkt bij nader onderzoek dat Ballings 'ware licht', hoe goed verpakt ook in geestelijke termen, — anders dan het 'innerlijk licht’ van Serrarius en de quakers, te weten de leiding van de Heilige Geest — als het erop aankomt in essentie de 'klare en onderscheidene kennisse van waarheid is, in het verstand van een ygelijck mensch, door welk hy zodanich overtuigt is, van het zijn en hoedanich zijn der zaken, dat het voor hem onmogelijk is, daar aan te konnen twijffelen', en dat komt neer op de wiskundige rationaliteit van de cartesianen.”

Pieter Balling’s ‘Licht’ heeft dus geen spoor van transcendentie zoals het door spiritualistische christenen werd begrepen (influistering van de H. Geest) en bevindt zich geheel in de lijn van het door het Spinozisme tot immanentie omgevormde rationalistische Cartesianisme.

Deze interpretatie maakt dat het werkje alleen maar geschreven had kunnen worden door iemand uit de omgeving van Spinoza. En dit maakt de veronderstelling van C.B. Hylkema dat het door Adam Boreel geschreven Lucerna super candelabro, door Balling zou zijn vertaald ongeloofwaardig. Het is dan waarschijnlijker dat, omgekeerd, de Latijnse versie een vertaling is van het pamflet van Balling. Dat verklaart tevens, waarom de Latijnse versie niet eerder is gepubliceerd maar pas in de Scripta posthuma van Boreel in 1683 werd opgenomen.  

Nadat ik het bovenstaande had geschreven kwam ik de volgende uitvoerige voetnoot tegen in dr. C. Louise Thijssen-Schoute: Lodewijk Meyer en diens verhouding ot Descartes en Spinoza. Zij blijft erbij dat 'Het Licht' door Balling naar de Latijnse versie is vertaald op gronden die in deze voetnoot te lezen zijn:

 

Op die laatste opmerking over Balling kom ik, gezien de titel van het blog, in een volgend blog terug.

Bronnen

zie vorige blog

Jonathan Israel, Radicale Verlichting. Hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden. Van Wijnen Franeker, 2005. * [p 374-75]

C. Louise Thijssen-Schoute: Lodewijk Meyer en diens verhouding ot Descartes en Spinoza. Voordracht voor de Ver. Het Spinozahuis op 30 mei 1953 te Rijnsburg. Brill, Leiden, 1954, p. 25.