Paul Wienpahl schreef een heel goed boek over Spinoza

Paul Wienpahl, The Radical Spinoza (New York University Press, 1979). Dertig jaar geleden verscheen dit grandiose boek.

Ik ben vergeten door wie ik op dit boek kwam. Maar ergens las ik erover bij iemand wiens enthousiasme mij aandreef en die ontdekking heeft mij niet teleurgesteld. Toen ik probeerde te achterhalen wie mij de aanleiding kon hebben gegeven om nieuwsgierig naar dit boek te worden, keek ik mijn intussen flinke hoeveelheid Spinoza-boeken door - om tot mijn verbazing te ontdekken dat nergens dit boek in index of bibliografie voorkomt. Het eerst ging ik zoeken in Tinneke Beeckman (red.): Spinoza. Filosoof van de blijheid, omdat zij er haar beter verstaan van Spinoza door een zen-ervaring in beschreef. Wienpahl verdiepte zich immers ook eerst lang in Zen, voor hij over Spinoza schreef. Maar hij komt in dat boekje niet voor. Nergens komt hij voor.

Mij overkwam ongeveer wat ik bij George Sessions in een artikel over Arne Naess las: “I was now open to understanding Spinoza from a more organic/psychological/spiritual perspective. l was helped in this by the forceful and humorous personality of the late UC Santa Barbara philosopher, Paul Wienpahl, and by his Zen Buddhist organic approach to Spinoza in his book The Radical Spinoza (1979).” [Van hier] Dit kwam ik vanmorgen tegen toen ik eerst het blog apart over Wienpahl schreef.

Wienpahl biedt een heel eigen en heel interessante benadering van Spinoza’s teksten. Aan het hele boek kun je duidelijk merken dat Wienpahl lang met filosofie in het algemeen en met zowel Zen als Spinoza in het bijzonder is bezig geweest én dat hij als docent veel en goed heeft uitgelegd. Hij moet een voortreffelijk docent geweest zijn. Zoals ook in het blog over hem bleek.

Wienpahl ziet de Ethica niet zozeer als een boek dat Spinoza’s leer en z’n gelijk wil bewijzen, maar veel meer als één grote toelichting en vorm van helpen om tot begrip te komen. De ‘demonstratio’s’ zijn voor hem dan ook niet zozeer bewijzen van de proposities, maar hulpen om die verder te ontwikkelen, uit(een) te leggen. Zo helpen de scholia de corrolaties uit te leggen en die de demonstraties en die weer de stellingen. Het gaat Spinoza niet om gelijk maar om werkelijk begrip. En alleen in praktijk brengen geeft echt begrijpen.

Verrukkelijk is het dat het boek op zijn beurt ook geen rationeel, argumentatief debat met andere Spinoza-scholars is. Er wordt niet of nauwelijks gediscussieerd met en geciteerd uit de secundaire literatuur; het gaat alleen om Spinoza. Er wordt gelezen en toegelicht. Wel wordt een beetje gebruik gemaakt van wat oudere literatuur: A. Wolf, Freundenthal, Sir Fred. Pollock; maar weer niet van Wolfson. En geen Guerault, Matheron, Curley, Bennett e.a. Het is een echt en gedegen leerboek waarbij het alleen om Spinoza gaat, met een uitgebreide index én met een tweetalige Ethica-tekst, Latijn en Engels, maar alleen de proposities!  

Centraal staat voor hem bij Spinoza de notie van eenheid van alles. En dan niet zozeer de ‘monistische’ maar vooral de niet-dualistische invalshoek. Dat speelt door heel het boek heen – het is waar hij in zijn toelichting telkens naar teruggaat.

Wat betreft de attributen (hoofdstuk 5) ziet hij Spinoza de nadruk leggen op de zienswijze dat de (ene) substantie meer dan één attribuut of wezenskenmerk kan hebben. Een pluraliteit, waarvoor het voldoende is dat het gaat om: meer dan één. In feite kennen wij er twee: uitbreiding en denken. De hele uitgebreide literatuur met discussie over de ‘oneindige attributen’ laat hij dan ook als weinig vruchtbaar terzijde liggen.

In Hoofdstuk 6 vergelijkt hij Spinoza’s benadering (er zijn geen substanties) met Zen en ziet hij vergelijkbaarheid met het streven naar Ik-loosheid. Hij verwijst naar Bayles vergelijking met de Chinese Ch’an, waarvan later bleek dat het de Chinese benaming van Zen is. ‘Ik', de ziel, is een misvatting net als het zelfstandig-zijn (het substantie-zijn). Hij is ervan overtuigd dat er voor Spinoza een ervaring aan ten grondslag moet hebben gelegen van een diepgaand besef dat er geen substanties zijn. Ook Spinoza’s begrijpen van God ziet hij als voortgekomen vanuit het vertrouwen op zijn ervaring, en dus als eveneens een vanuit de mens opgebouwde god – net zo antropomorf als die opgebouwd uit de verbeelding. Waar zou Spinoza’s godsidee anders vandaan komen, van God…? dát zou verbeelding zijn.

Bij Spinoza zie je geen aanbevelingen in de richting van het ontwikkelen van een Zelf, of het opbouwen van een Identiteit. Wij zijn geen rijk binnen een rijk en moeten ook helemaal niet proberen om dat te worden.

Hoofdstuk 6 gaat over begrijpen. Daar beschouwt hij de TIE als ‘probably the most important and revolutionary philosophical document of modern times.”(p. 104) Volgens hem gaat dat niet over de ‘verbetering van het verstand’ maar om beter begrijpen. De Ethica laat zien dat er in de geest geen aparte faculteit van verstaan, wensen, liefhebben etc. is (er zijn geen substanties). Er is begrijpen, maar geen ‘apart ding dat begrijpt’. De TIE gaat het niet om een methode van wetenschap (zoals Bacons Novum Organum en Descartes Discours de la Méthod). Het gaat Spinoza om de 4e wijze van kennen: het intuïtief weten.

Hij behandelt hier de vier manieren van kennen (of: van perceptie, waarnemen): [1] door vage ervaring; [2] door tekenen (lezen, horen) beide samen worden kennis van ‘de eerste soort’, mening of verbeelding genoemd; [3] door algemene, universele noties (notiones universalis) en door gemeenschappelijke noties (notiones communis) die beide ‘kennis van de tweede soort’ ofwel ‘de rede’ worden genoemd. Daarnaast is er dan nog een heel andere, vierde manier van kennen: intuïtief weten, kennis ‘van de derde soort’ genoemd.

Telkens weer benadrukt hij dat Spinoza’s hoofdinzicht gaat over eenheid (God of Zijn is Uniek); denken en uitbreiden zijn attributen. Het subjectieve is niet werkelijk, slechts attributief onderscheiden van het objectieve. Hieruit volgt: er bestaat een wijze van kennen waarin het onderscheid geen rol meer speelt. Dat is het intuïtieve kennen.

Hét grote onderscheid bij Spinoza betreft dat tussen verbeelden en begrijpen. Het verbeelden betreft de common sense, de valse, fictieve, twijfelachtige ideeën, w.o. de woorden. Begrijpen komt voort uit ‘ware ideeën’. Een ‘waar idee’ is helemaal geen idee in de gewone zin van het woord – het is een toestand van zijn, een manier van zijn, een manier van leven – iets dat we zijn.

In Hoofdstuk 7 benadrukt Wienpahl dat Spinoza wel 3 (Ethica of 4, TIE) waarnemings- of kenvormen onderscheidde, maar dat het hem uiteindelijk en vooral ging om het onderscheid tussen verbeelding en begrijpen. Zo doet hij het ook in brief 37: eerst moet je onderscheiden tussen begrijpen en verbeelden, tussen de ware ideeën en de rest. De eerste 2 (resp. 3) kenvormen, dus t/m de bewerking van onze waarnemingsindrukken met de ratio, betreffen alle de verbeelding. Alleen met de 3e (resp. 4e), de intuïtieve kennis, kunnen we begrijpen.

Bij begrijpen gaat het niet om iets van de ratio, of iets dat zich bij wijze van spreken alleen maar in ons hoofd afspeelt. Bij begrijpen zijn we met onze hele persoon betrokken, met Lichaam en Geest t/m de gemeenschap waar we deel vanuit maken. Om te begrijpen wat Spinoza met intuïtief begrijpen bedoelt moeten we de hele Ethica vatten en niet alleen deel II dat deze stof van de kennisvormen behandelt, maar t/m het eind van deel V.

Met intuïtieve kennis begrijpen we de individuele, particuliere dingen in hun bijzonderheid. Dan voelen en ervaren we de eeuwigheid ervan, voelen ons ermee verbonden, en hebben lief. Deze vorm van kennen is een affectie, een wijze van kennen met ons hele Lijf en onze hele Geest. Wel is onze Geest hier sterker dan het Lichaam (anders dan bij de passies, waar het omgekeerde het geval is), maar het Lichaam is er nog wel bij betrokken in een affectieve handelingsvorm. Het is een affectie die onze mogelijkheid om te leven versterkt; kortom, het is Liefde. En in z’n hoogste uitingsvorm spreekt Spinoza van Gods begrijpende Liefde. Hiermee brengt Spinoza zijn eenheidsdenken optimaal tot uitdrukking. In deze uitdrukking, Amor Dei Intelectualis, brengt hij het cognitieve en affectieve samen. En daar God hét Singuliere Ding is, het Zijn, is deze liefde tegelijk Liefde van God en Liefde tot God. Daarbij staat er geen enkel verbeeld beeld van God meer tussenin. Dit is overigens iets dat niet zomaar gaat. Dit vraagt een bepaalde manier van leven – en dat is hard werken. Discipline is nodig voor het bereiken van elke vaardigheid. Niets komt vanzelf. En alles is een kwestie van gradatie. Net als bij sport komen sommigen verder dan anderen.

Dat deze intuïtieve kennis niets van doen heeft met toegang tot enige transcendentie of supernatuur is dé grote betekenis van Spinoza. Hij bracht deze manier van kennen terug naar de gewone natuur, waartoe elk mens kan openstaan. Deze kenvorm heeft niets esoterisch en staat net zo met beide benen op de grond, en is ook natuurlijk, net zo natuurlijk als het kennen van de verbeelding.

Centraal in deel III van de Ethica staat het begrip Affectie: het aangedaan, geraakt zijn. Een mens is net als alles een Affectie van het Zijn. Zijnsmodi die in hun zijn trachten te volharden, en het te bewaren. Dit aspect van het Zijn noemt Spinoza conatus (‘wil’, als het om de Geest gaat; ‘begeerte’ als het om Lichaam, en Geest samen gaat; ‘verlangen’ als we er ons bewust van zijn). Affecties zijn in eerste instantie: aandoeningen van het lichaam (emoties), waardoor de lichamelijke mogelijkheid om te handelen wordt versterkt of verzwakt. Versterkt of vermeerderd brengt het naar grotere perfectie ofwel werkelijkheid (wat vreugde is of geeft), verzwakt of verminderd brengt het naar geringere perfectie (wat droefheid is of geeft). Actie is als wijzelf de adequate oorzaak zijn van de Affectie, anders gaat het om passies.

We kunnen dingen rationeel weten, maar begrijpen doen we pas als de ideeën belichaamd zijn in bijzonder gedrag, d.w.z. affecties zijn. En begrijpen is pas ‘verbeterd’ als er passies door gereduceerd zijn. “We can talk about a method for emending understanding. Only practice wille emend it.” (p. 136) Let wel: intuïtief weten is niet reëel onderscheiden van het rationele weten - en verbeelden is ook niet reëel onderscheiden van begrijpen.

Spinoza heeft inzicht ‘in de aanbieding’, niet een filosofisch systeem. Een paar maal wijst Wienpahl er in zijn boek op dat de Ethica onaf is. Het is de opzet van dat werk om ons inzicht te bieden, niet om een gedetailleerde metafysica en epistemologie te verschaffen. Hoe meer we onszelf en onze affecties begrijpen, hoe meer we God (=Zijn) liefhebben. Dan speelt het beeld van de verbeelding van God geen rol, maar zijn we God. ‘Reason’ in de zin van ‘begrijpen’ is dan zelf een Affectie onder de affecties, niet over deze.

Gevraagd wordt vaak: hoe kunnen we dit doen, als we geen vrije wil hebben en niet de absolute macht over onze affecties om deze dingen te doen? Let wel: deze dingen gebeuren al. Spinoza richt ‘slechts’ onze blik op wat we al dagelijks ervaren. Hij blijft erop hameren: weet dat je een deel van het geheel bent – geen substantie, geen afgescheiden eenheid. We zijn als één geest. Wij reageren op wat anderen doen en denken. Wij zijn normaliter a.h.w. blind voor die eenheid met anderen. Ons denken komt voort uit die verbondenheid, ontstaat niet uit onszelf. Wij zijn van ons denken niet de eerste oorzaak.

In de tweede helft van de Ethica gaat het over die 3e, die intuïtieve kenvorm, waarvan Spinoza zegt dat onze geest, deze kenwijze, eeuwig is.

Spinoza filosofie is van grote betekenis, ook voor onze tijd. Verbeelding en begrijpen zijn twee vormen van het bewustzijn. De eerste via beelden, representaties van dingen, woorden, zien, horen, redeneren; de tweede direct . We kunnen gaan van imaginatie naar begrijpen, van algemeenheden (universele begrippen) naar particuliere, bijzondere dingen. God is geen object, maar een ervaring – van eenheid.

Geïnspireerd door dit boek van Wienpahl schreef ik 2,5 week geleden elders een blog De twee Goden van Spinoza zijn dezelfde God [tekst 9-12-2009 naar dit blog overgebracht].

En inmiddels, aan het eind van dit stuk gekomen, weet ik het weer wie me op het spoor van dit boek zette: het blogspot Caute van Andrew J. Brown.

Dit wordt mijn favoriete Spinoza-boek, zoveel is zeker. Ik zou willen dat het alsnog vertaald en hier uitgegeven werd. Dan wist ik wel welk boek ik moest aanraden als iemand mij om een goede introductie op de Ethica vroeg.