P.A.S. van Limburg Brouwer (1829 - 1873) Pionier van de Nederlandse Spinoza-studie

Hoewel hij in sommige blogs al wel eens genoemd was, wordt het zo langzamerhand tijd dat Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer hier een apart blog krijgt. Zeker passend in deze "Maand van de geschiedenis". Aanleiding is, zo moge uit het vorig blog duidelijk zijn, de verschijning van het boek over hem van Caspar Luckerhof.

         

Petrus van Limburg Brouwer werd geboren in Luik, waar zijn vader buitengewoon hoogleraar letteren was. In 1831 aanvaardde zijn vader een baan aan de Groninger Hogeschool en verhuisde het gezin terug naar Nederland. In Groningen werd hij op z’n 15e student in de letteren en rechten - Romeins en hedendaags recht. In 1850 promoveerde hij summa cum laude op de dissertatie De actionum concursu, maxime secundum Savignii sententiam. Hij  vestigde zich in Amsterdam, waar hij advocaat werd. Hij werd medewerker (vanaf 1853) en redacteur (1859-1865) van De Gids. In 1855 bedankte hij voor een professoraat in Groningen. In 1856 verhuisde hij naar Den Haag, waar hij wetenschappelijk ambtenaar werd bij het Algemeen Rijksarchief wat hij tot zijn overlijden bleef. Vanaf 1860 werd hij mede redacteur van De Nederlandsche Spectator.  

Van Limburg Brouwer werd voor het kiesdistrict Almelo verkozen tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (1864-1868). Hij had vaak een filosofisch-wetenschappelijk inbreng in debatten en sprak vooral over koloniale zaken en onderwijs. Na zijn vertrek uit de Kamer werd hij bestuurslid van het Koninklijk Instituut voor de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië. Op zijn 40e openbaarde zich bij hem de tekenen van tuberculose waaraan hij op z’n 43e overleed.

Daar P.N. van Eyck in de inleiding op de editie van Brouwers boek Akbar in 1941 de eerste was die uitgebreid over diens Spinozisme sprak citeer ik hem graag uit die inleiding:

“Voor de latere Brouwer nog kenmerkender is een Gids-artikel van April 1855, dat, „Het Leven van een Denker" heette en een bespreking van Berthold Auerbach's achttien jaar te voren verschenen „Spinoza, Ein Denkersleben" was.*) Eerste blijk van een aandacht, een bewondering die hem zijn leven lang zou bijblijven en hem, ook door andere artikelen, tot een der pioniers van het Nederlands Spinozisme gemaakt heeft.
   Werken over geschiedenis en Westerse wijsbegeerte zal men op de lijst van Brouwer's geschriften ook later aantreffen, maar vooral van zijn arbeid op de twee andere gebieden moet hier het een en ander vermeld worden. Vroeg in zijn leven met het leren van Sanskrit aangevangen, is hij bij ons behalve een pionier van het Spinozisme, ook een van de pioniers der Sanskritstudie, der Indologie geweest. Artikelen over de oudste godsdienstige teksten der Hindoe's: de Veda's; over het Bhagavad Gita, over het Sankhya-stelsel, over de Vedanta, over Boeddha en het Boeddhisme. Artikelen over het theologisch-metaphysisch drama „De Maan der Kennis", en bekende Indische spreukenverzamelingen; over het Ramayana, Indische toneelwerken, minnedichten, elegieën en andere soorten van Sanskrit-poëzie. [p. 6*)
*) Die bespreking ging overigens niet zozeer over dat boek van 18 jaar terug, maar over de nieuwe, herziene editie van 1855.

Ik vervolg hier met hetgeen G.P.M. Knuvelder in zijn Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde [Deel 3 (1973)] uit van Eyck samenvatte:

“Brouwer stamt [..] uit de school van de Duitse idealistische wijsgeren, Kant en Fichte vooral, die ook Kinker hadden geïnspireerd, tot hij tenslotte in Spinoza ‘onze grootste, wellicht eenige ware wijsgeer’ erkende. In zijn spinozisme vond hij het grondbeginsel dat de mensheid de waarachtige vooruitgang kon waarborgen: de zedelijke vrijheid, waardoor mens en mensheid hun doel in vrije en harmonische zelfontplooiing konden bereiken. Was dit grondbeginsel volgens Brouwer in het christendom weggedrongen, in de Indische wijsheid was het opmerkelijk zuiver tot uitdrukking gebracht, zó zuiver dat ‘hij sommige van hun belangrijkste inzichten met behulp van Spinozistische begrippen verduidelijken kon.’ [p. 508 DBNL]

Maar waar Van Eyck pagina’s verder in zijn Inleiding tot een evaluatie komt van wat Brouwer op de terreinen waarop hij pionierde bereikte, lezen we:

“Pionier van de Nederlandse Spinoza-studie, is hij een der ernstigste en overtuigdste vertegenwoordigers van ons negentiende eeuws Spinozisme geweest, maar zijn belang als zodanig heeft het nageslacht niet of nauwelijks gekend. Wat hij als een der pioniers van de studie der Indische wijsbegeerte vele jaren verrichtte, heeft tijdens zijn leven geen invloed uitgeoefend en zich zelfs in de herinnering van die latere tijd waarop hij rekende niet weten te handhaven. Evenmin weerklank vond zijn letterkundige kritiek van 1869. Voor de leiding, die hij door haar had willen geven.” [ p. 33*)

Dat wat Van Eyck hier voor zijn Spinozisme meedeelt juist is, blijkt uit het al in het vorige blog vermelde – toch eigenlijk wel schandelijke - feit dat Henri Krop’s Spinoza. Paradoxale icoon van Nederland niets over hem heeft, ook al had Siebe Thissen in zijn De spinozisten Brouwer behandeld.

P.A.S. van Limburg Brouwer over Spinoza

Volsta ik hier met het opsommen van wat Brouwer over Spinoza schreef; bij de DBNL heeft hij een pagina en is veel van zijn stukken gedigitaliseerd. Bij artikelen die niet in die overzichtspagina te vinden zijn plaats ik een *.

P.A.S. v. Limburg Brouwer, “Het leven van een denker.” [Over:] Spinoza. Ein Denkerleben. Von Berthold Auerbach. Neue durchgearbeitete, stereotypyrte Ausgabe. Mannheim. 1855. In: De Gids. Jaargang 19 (1855) [DBNL]

P.A.S. v. Limburg Brouwer, “Baruch von Spinoza. Drama in 5 Aufzügen. Von Caroline Louise. Berlin, F. Schneider u. Co. 1855.” In: De Gids. Jaargang 20 (1856), mei – rubriek: Bibliographisch album. [DBNL*]

P.A.S. v. Limburg Brouwer, “Een wijsgeerig codicil.” Benedicti de Spinoza. Korte Verhandeling van God, de Mensch en deszelfs Welstand. Edidit et praefatus est Car. Schaarschmidt. Amstelodami apud Fredericum Muller. 1869. In: De Gids. Jaargang 35 (1871 [DBNL*]

P.A.S. van Limburg Brouwer, “Oostersch atheïsme.” In: De Gids. Jaargang 32 (1868) [DBNL] waarin hij de Hindoestaanse Sânkhya-leer met Spinoza's filosofie vergelijkt.

P.A.S. van Limburg Brouwer, “De Kabbala.” In: De Gids. Jaargang 34 (1870) [DBNL] Daarin over Spinoza:

Minder bezwaar schijnt in de aanwijzing van eenig historisch verband tusschen de Kabbala en de latere wijsbegeerte, in 't bijzonder die van Spinoza, gelegen. De overeenkomst van beider hoofdstellingen is, gelijk wij mede gelegenheid hadden op te merken, menigmaal treffend, terwijl met vrij veel zekerheid mag worden aangenomen, dat onze Spinoza, opgevoed in de school der Rabbijnen, ook in zijne jeugd onderwijs van Kabbalisten genoten heeft, en in hunne geheimen was ingewijd. Hij zelf, schoon met reden niet dan minachting betoonend voor de ijdele en wansmakige droomerijen der nieuwere Kabbalisten, doelt niettemin ongetwijfeld op hunne meer wijsgeerige voorgangers, waar hij verklaart, dat de Hebreën ‘als door een nevel’ datzelfde schijnen gezien te hebben wat hij, Spinoza, verkondigt, en wat juist almede tot de grondstellingen van zijn systeem behoort. Maar heeft nu Spinoza zijne wijsgeerige gedachte uit herinneringen aan de Kabbala geput, of heeft hij later zijne eigene, zelfstandige en oorspronkelijke gedachte in de herinnering aan gene teruggevonden? Ziedaar alweder, in eenigzins anderen vorm, dezelfde vraag, met welke we zoo aanstonds ons bezig hielden: is het Spinozisme eene op zich zelf staande reproductie van de grondgedachte der Kabbala, of eene nadere ontwikkeling en verklaring van deze? Ook hier schijnt een stellig antwoord voor 't minst zeer gewaagd. Maar hier althans hebben wij het voordeel, een mogelijk, zij 't ook geenszins nog bewezen historisch verband te kunnen ontdekken, 't welk ons bij de straks gestelde vraag nog ten eenemale ontgaat; en, zoo wij al niet geneigd zijn aan te nemen, dat de Kabbala de hoofdbron was, uit welke Spinoza heeft geput, wij mogen toch veilig, met schrijvers van onzen tijd, zooals Auerbach, Schaarschmidt en anderen, onderstellen, dat zij een niet onbelangrijken invloed op zijn wijsgeerig denken heeft uitgeoefend. En in zooverre vermogen wij dan althans eenigermate hare nawerking gade te slaan, terwijl haar oorsprong en hare wording ons een raadsel blijven, waarvan we soms den sleutel meenen gevonden te hebben, om straks weêr tot de erkenning te komen, dat wij ons nog geenszins op die ontdekking mogen beroemen. [p. 25]

P.A.S. van Limburg Brouwer, “De wijze van het hemelsch rijk en zijne school.” [Over Confucius]. In: De Gids. Jaargang 36 (1872) [DBNL]. Daarin deze passage:

“Nu keure men het stichten van praalgraven en praalgebouwen ter nagedachtenis eens menschen, ook al was hij nog zoo verdienstelijk, niet zonder reden af; maar de vraag blijft, of eenige overdrijving in dezen toch niet de voorkeur verdient boven volslagen onverschilligheid; en in dit opzigt althans mogt het veel geminachte China het wel eens winnen van het zooveel hooger ontwikkelde Nederland, dat burger en vreemdeling tot op den huidigen dag nog door geen enkel, zelfs niet het nietigste monumentje herinnert aan zijn eigen grooten wijsgeer, aan Spinoza.”[p. 208]
P.A.S. van Limburg Brouwer vroeg dus eerder dan Johannes van Vloten (die pas in 1875 ‘omging’) om een monument voor Spinoza! Ook hieruit blijkt het pionierschap van de eerste!

P.A.S. van Limburg Brouwer, Akbar, een oostersche roman. Martinus Nijhoff, Den Haag 1872 [Deze uitgave van 1872 is bij de DBNL gedigitaliseerd]


          Gefotografeerd door M. Verveer (omstreeks 1870)

Over P.A.S. van Limburg Brouwer

Johan Carl Zimmerman, “P.A.S. van Limburg Brouwer.” In: De Gids. Jaargang 37 (1873) [DBNL]

Johannes van Vloten, “Nog geen week later.” (Mijne herinneringen aan Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer). In: De Levensbode 6 (1873), pp. 161 – 168

C.[Carel] Vosmaer, “Levensschets van P.A.S. van Limburg Brouwer.” In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1875 [DBNL*]

P.N. van Eyck, Inleiding op uitg. van P.A.S. van Limburg Brouwer, Akbar. Een oosterse roman. Amsterdam: Elsevier, 1941, p. 3*-112*

Eerste foto genomen uit pagina P.A.S. van Limburg Brouwer op website van Boek- en prentverzamelaars in Nederland.
Tweede foto gekopieerd uit Siebe Thissen´s De spinozisten (2000), p. 130. Naam van de fotograaf van hier.  

Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer op website Parlement & Politiek

Over Akbar

H. Kern. bespreking van Mr. P.A.S. v. Limburg Brouwer. Akbar, een Oostersche roman. 's Gravenhage, Martinus Nijhoff. 1872. In: De Gids. Jaargang 37 (1873) [DBNL - niets over Spinoza

Johannes van Vloten, "Een oostersche roman van westersche hand." In: De Levensbode 6 (1873), pp. 62 – 87

Cd. Busken Huet, [bespreking in 1873 van] Akbar. Een oostersche roman, door Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer. In: Litterarische fantasien en kritieken. Deel 16 (1884) [DBNL - Geen woord over Spinoza]

P.N. van Eyck, Inleiding op uitg. van P.A.S. van Limburg Brouwer, Akbar. Een oosterse roman. Amsterdam: Elsevier, 1941, p. 3*-112*

Nop Maas, “P.A.S. van Limburg Brouwer en zijn oosterse roman Akbar”. In: Literatuur. Jaargang 1 (1984) [DBNL]

Uitvoerige bespreking, analyse en waardering in hoofdstuk VI, "De historische ideeënroman," in: W. Drop, Verbeelding en historie. Verschijningsvormen van de Nederlandse historische roman in de negentiende eeuw. Assen, Van Gorcum & Comp. N.V., 1958 / HES Publishers, Utrecht 1979 (vierde druk) [DBNL]

  cf. blog en blog