Over Wim Klever's Monografie 'Mandeville (1670 - 1733) Cynisch essayist op basis van Spinoza's Ethica'

Twee weken geleden gaf ik in een blog bekendheid aan de nieuwe uitgave van Wim Klever, die bij hem besteld kon worden. Het ging om Mandeville (1670-1733) Cynisch essayist op basis van Spinoza’s Ethica.
Er staat op de cover en er komt in dit blog geen plaatje van de man, want er bestaat van hem geen portret (op een klein schetsje na in een van zijn boeken, waarvan wordt aangenomen dat het de auteur moet voorstellen).

Aan het begin schrijft Klever: “Dit boekje is tweede onderdeel van het drieledige project: Spinoza in Engelse bewerking, waarvan het eerste deel is verschenen als John Locke (1632-1704). Vermomde en miskende Spinozist en het derde deel zal heten Hume’s Spinozistische Verhandeling over de menselijke natuur.”

Inmiddels heb ik deze tweede studie gelezen en geef er hier mijn leeservaring over. Maar eerst iets over Bernard Mandeville.

Arne C. Jansen, de Nederlandse vertaler van Mandevilles boeken, schreef n.a.v. twee Nederlandse gedichten van Mandeville die hij had ontdekt*) dat Mandeville wellicht de invloedrijkste Nederlandse schrijver van de achttiende eeuw was en dat J. Evenhuis hem in één adem genoemd had met Erasmus en Hugo de Groot. Wat hij niet vermeldde was dat Evenhuis in diezelfde ene adem ook Thomas à Kempis en Spinoza had genoemd.**) Op zijn Mandeville-website heeft Jansen niets over enige connectie van Mandeville met Spinoza. Ook over dit boekje van Klever vind je daar niets, terwijl er toch echt niet zóveel in Nederland over Mandeville verschijnt! Ook in diverse boeken over Mandeville die je op internet kunt raadplegen kom je niets over zo’n connectie tegen. Het is bij de Mandeville-scholars al net als in de wereld van de Locke-deskundigen: men wil er eigenlijk niets van weten.

Guy Verhofstadt, de voormalige premier van België (van 1999-2008), hield op 3 juni 2009 de 15e Mandevillelezing in Rotterdam. Daarin leek hij in de buurt te komen toen hij zei: “… tussen de grote Spinoza, zijn Nederlandse voorganger, en de veelal Engelse verlichters van de 18de en 19de eeuw – Jeremy Bentham, John Stuart Mill, Adam Smith – was Mandeville een portaalfiguur die de politieke verlichters een blijvend stempel zou opdrukken." ***) 

Wie was die Mandeville, die je zelden of nooit in verband gebracht ziet worden met Spinoza.

Bernard Mandeville werd in 1670 als Barent de Mandeville in Rotterdam geboren, als zoon van een stadsgeneesheer. Hij promoveerde in 1689 in Leiden in de filosofie en in 1691 in de medicijnen. Op circa 25-jarige leeftijd vertrok hij naar Engeland, waar stadhouder Willem III koning was geworden na de Glorious Revolution. Hij vestigde zich als arts in Londen en huwde er in 1699 met Ruth Elizabeth Laurence, met wie hij twee kinderen kreeg. Naast arts was Mandeville een succesvol schrijver. Zijn bibliografie telt 35 titels, waaronder de belangrijkse en bekendste wel zijn: The Fable of the Bees, or Private Vices, Publick Benefits (1714, eindversie 1729); Free Thoughts on Religion, the Church and National Happiness (1720 - Klever typeert dit als zijn TTP) en het vervolg An Inquiry into the Origin of Honor, and the Usefulness of Christianity in War (1732).

Mandeville is een scherp observator en een maatschappelijk geëngageerd schrijver, die de mensen, hun samenleving en zichzelf onderzoekt en beschrijft zoals ze in werkelijkheid zijn. Hij levert als gedragsfenomenoloog rake beschrijvingen en scherp geformuleerde, kritische beschouwingen. Hij is iemand die niets van moralisten en idealisten moet hebben of van allen die de mensen voorhouden wat ze zouden moeten zijn, in plaats van te vertellen wat ze werkelijk zijn: wezens die vooral voorkeur voor zichzelf hebben.

In The grumbling hive: or, knaves turn'd honest, de voorloper van The Fable of the Bees, liet Mandeville zien wat er gebeurt als iedereen opeens oprecht vroom en eerlijk zou gaan leven: alles in de samenleving zou vastlopen. Het zou de kortste weg naar een armoedige en barre natuurstaat zijn. Het zijn juist ondeugden zoals ijdelheid, gemakzucht, luxe- en hebzucht, afgunst, eerzucht en bedrieglijkheid die voor de welvaart van een samenleving zorgen. Vroomheid en braafheid zijn improductief, ondeugden zijn de motor van de samenleving.

Hij had met dit gedicht vooral de schijnheilige christenen op ’t oog als die van The Society for the Reformation of Manners [opgericht in Londen in 1691], bestaande uit comités van intolerante puriteinen die zich als een moraalpolitie ten doel stelden alle overtreders van de officiële christelijke moraal te vervolgen. Zij ontvingen een deel van de opgelegde boetes.

Zoals ik al zei: Mandeville zie je zelden of nooit in verband gebracht worden met Spinoza. Jonathan Israel heeft in het hoofdstuk over de Engelse deïsten in zijn Radicale Verlichting een paragraaf over Mandeville, waarin hij hem met een paar typeringen in verband brengt met Spinoza. Hij verwees niet, daar het hem wellicht onbekend was zoals Klever veronderstelt, naar de enige andere tekst waarin Mandeville in verband met Spinoza werd gebracht: het artikel van Douglas J. Den Uyl, 'Passion, State, and Progress: Spinoza and Mandeville on the Nature of Human Association' (in: Journal of the History of Ideas, 1987). De Mandeville-scholars doen er wat de Spinoza-achtergrond betreft, het zwijgen toe. Nu moet je uiteraard goed op de hoogte zijn van wat Spinoza schreef, om zijn reflectie in een andere schrijver te kunnen ontdekken. Daarvoor is iemand als Klever, die zo lang met Spinoza bezig is geweest, uiterst geëquipeerd.

Wat Wim Klever in deze studie laat zien, en volgens mij op overtuigende manier, is dat Mandeville zich in zijn kijk op mens en samenleving helemaal baseert op Spinoza. Hij is volstrekt doordrongen van Spinoza. Deels via Bayle, wiens invloed hij in Rotterdam moet hebben ondergaan, maar ook rechtstreeks uit studie van Spinoza’s filosofie waarmee hij in aanraking moet zijn gekomen tijdens zijn studie in Leiden, tegelijk met Boerhave. Beiden moeten door de heimelijk Spinozistische natuurkundige Burchard de Volder op het spoor van het Spinozisme zijn gezet.

Mandeville is geheel doordrongen van de realistische, naturalistische, mechanistische, niet-normatieve benadering van de mens en de politieke samenleving. Klevers monografie zit vol voorbeelden van hoe zinnen van Mandeville, wat de gedachte betreft, maar soms ook in de gebruikte termen en volgorde van de ontwikkeling van de gedachtelijn, sterk overeenkomen met vergelijkbare bij Spinoza. Ik ga hier geen voorbeeldteksten aanhalen, verwijs daarvoor naar het boekwerkje zelf.

Mij heeft Klever kunnen overtuigen dat Spinoza duidelijk de bron is waaraan Mandeville zich heeft gelaafd. Stilistisch is Mandeville sterker - hij is een uitstekend schrijver die heel gevatte, rake opmerkingen kan maken. Spinoza kan en doet dat soms ook, maar hij is systematischer - Mandeville schrijft spontaner, rapsodisch, zoals hij het zelf omschrijft.

Wie kennis heeft genomen van Klevers boekje over Locke, kan een idee hebben van dit werkje. Het zit net zo gedegen in elkaar. En net als bij dat Locke-boekje, ervoer ik ook weer bij lezing van dit Mandeville-boekje het grote voordeel dat bepaalde aspecten van Spinoza’s filosofie door een heel goede verstaander nog eens op een heel eigen wijze worden uitgelegd en nader toegelicht. Door de creatieve manier, met eigen voorbeelden en accenten van Mandeville (en zeker zoals Klever het presenteert en toelicht) krijg je als lezer nog weer wat beter begrip van Spinoza. Dat beschouw ik als dé winst van al dit werk.

In ieder geval aan de hand van dit tweetal, Locke en Mandeville, laat Wim Klever overduidelijk zien hoe de Engelse Verlichtingsfilosofen schatplichtig waren aan en verder bouwden op Spinoza. Het maakt nieuwsgierig naar zijn derde deel-project: David Hume.

Een paar vragen kwamen tijdens het lezen bij mij naar boven.

Ook Spinoza kende cynisme, de houding die voortkomt uit wantrouwen en scepsis tegenover fantasieën en 'goede bedoelingen' van de medemens. Mandeville ging daarin een stuk verder. Zou Spinoza een aforistisch gezegde als Private Vices, Publick Benefit voor z´n rekening nemen? Is bepaalde reacties (aandoeningen) ondeugden en zelfs gebreken noemen niet te normatief gesteld? Al het reëel bestaande is immers perfect. Spinoza (er)kende toch geen gebreken? Vindt er hier of daar wellicht geen verschuiving of vertekening plaats? Die vraag kwam bij me op tijdens het lezen.

Is er niet iets dat bij Mandeville wel, maar bij Spinoza niet voorkomt? Het lijkt, zoals Klever al zijn vondsten presenteert, alsof Mandeville helemaal en alleen Spinoza nader uitwerkte. Maar heeft Mandeville geen ideeën die helemaal van hem zelf zijn, of waarin hij duidelijk afwijkt van Spinoza? Ergens (op blz 49) blijkt dat Mandeville tegen de vaststelling van elk credo is. Daar is dan toch een verschil met Spinoza? Maar daarop gaat Klever niet nader in.

Tot slot nog een kleinigheidje. Wim Klever hecht belang aan zijn ontdekking, die hij tweemaal noemt, dat Mandeville éénmaal rechtstreeks naar Spinoza verwijst. Hij zou dat doen in een –Spinozistisch te interpreteren - passage in Free Thoughts on Religion, Church and National Happiness (1720/1729), uitgegeven onder de initialen B.M., die hij daarin aanhaalt uit zijn eigen The Fable, waarbij hij schrijft “See underneath the opinion of an anonymous author.” De auteur B.M. verwijst daar naar zichzelf als anonymous: The Fable of the Bees was immers telkens anoniem uitgegeven. Ik denk dat de gretigheid van Wim Klever om sporen van Spinoza bij Mandeville te vinden hem hier parten speelde. Er wordt ook op die plaats niet naar Spinoza verwezen.

Ik zei al: een kleinigheidje (daarom klein gezet) waar Klever met de prestatie die hij met deze studie leverde echt niet over struikelt. Ik kan dit werk aan alle geïnteresseerden in Spinoza van harte ter lezing aanbevelen. Je leert hierin vooral iets meer over Spinoza vanuit iemand die zeer door hem is beïnvloed en die een enthousiaste uitdrager van zijn filosofie is - hoewel hij dat niet openlijk kon zeggen. Ongeveer zo enthousiast als Wim Klever zelf [bij wie dit boekje kan worden besteld – zie hier].

Bronnen en noten

Bernard Mandeville: The fable of the bees, II. Printed and sold by J. Roberts, 1732. 432 pp - Volledig te downloaden bij books.google

Free thoughts on religion, the church, and national happiness: By B. M. Bernard Mandeville; printed, and sold by T. Jauncy, and J. Roberts, 1720. 364 pp - Volledig te downloaden bij books.google

*) Arne C. Jansen: Vondst in de bibliotheek van de Maatschappij. Twee Nederlandstalige gedichten van Bernard Mandeville. In: Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 23. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2005, p. 2-8. [bij DBNL]

**) “Als men mij zou vragen welke door Nederlanders geschreven boeken het zijn die in de wereld de grootste invloed hebben uitgeoefend, zou ik er vijf noemen: de Imitatio Christi van Thomas van Kempen, de Laus Stultitae van Erasmus, de Jus Belli ac Pacis van Hugo de Groot, de Ethica van Spinoza, en de Fable of the Bees van Bernard de Mandeville.
Niet een van die boeken was dus oorspronkelijk in het Nederlands geschreven. Maar Mandeville, die […] in feite de actueelste van alle vijf is gebleven, heeft het in Nederland altijd met een povere roem moeten stellen. Toch was hij in de achttiende eeuw in heel Europa beroemd als geen andere Nederlander.“
in De Gids 1982, nr3/4

***)  Zie bij de Mandeville Stichting.

Wim Klever: Bernard Mandeville and his Spinozic appraisal of vices (2001 of 2002) PDF bij FoglioSpinoziano.it

Dossier Bernard Mandeville (1670 –1733) "Verdorven was elk onderdeel en toch een paradijs ’t geheel" - door Elly Verzaal, Koninklijke Bibliotheek

Rob Hartmans: Gezegende ondeugden. Recensie van Bernard Mandeville, De wereld gaat aan deugd ten onder. Verzameld Werk, deel 1. Lemniscaat. In: De Groene Amsterdammer, 05-05-2006

Mandeville-artikelen in dagblad Trouw

Alexander Rinnooy Kan en Niels Achterberg: Een fabel over hebzucht [PDF bij de SER]

wikipedia.nl

Eerdere blogs waarin van Mandeville sprake was:

Crisis oplossen door de hebzucht goed te organiseren - toegepast spinozisme (11-3-2009)

Mandeville nog steeds zonder Spinoza-link (23-2-2009)

Met de Hollandse Verlichting kijken naar de economische crisis (22-12-2008)

Reacties

Mandeville zou inderdaad geïnspireerd kunnen zijn door Spinoza;

“Als elk mens het meeste voordeel voor zichzelf zoekt, dan zijn mensen het meest nuttig voor elkaar”.

Dat is wat zou kunnen aansluiten bij de beschrijving van de ideeën van Mandeville in de alinea;

“In The grumbling hive: or, knaves turn'd honest, de voorloper van The Fable of the Bees, liet Mandeville zien wat er gebeurt als iedereen opeens oprecht vroom en eerlijk zou gaan leven: alles in de samenleving zou vastlopen. Het zou de kortste weg naar een armoedige en barre natuurstaat zijn. Het zijn juist ondeugden zoals ijdelheid, gemakzucht, luxe- en hebzucht, afgunst, eerzucht en bedrieglijkheid die voor de welvaart van een samenleving zorgen. Vroomheid en braafheid zijn improductief, ondeugden zijn de motor van de samenleving.”

Maar Mandeville blijft in het vaststellen van het euvel hangen terwijl Spinoza nadat hij dit had vastgesteld verder ging en analyseerde hoe dat van komt en wat je er aan kunt doen.

Hoewel het dus bijna niet anders kan of Mandeville heeft Spinoza gelezen en is sterk door hem beïnvloed, de alinea is geen bewijs van overeenstemming. De opstelling van Mandeville is zelfs tegengesteld aan die van Spinoza;

“De echte vroomheid is de toegewijdheid aan het algemene welzijn”.

Bovendien heeft Spinoza natuurlijk een heel positief doel voor ogen, hij wil ons verstand tot hoge ontwikkeling brengen en vrede brengen;

“Als mensen leven volgens de aanwijzingen van de rede, zullen ze altijd met elkaar overeenstemmen”.

Hierboven staat; “Mandeville is geheel doordrongen van de realistische, naturalistische, mechanistische, niet-normatieve benadering van de mens en de politieke samenleving”.

Maar Spinoza is heel ‘normatief’; alles wat juiste ideeën en dus blijheid en dus geluk brengt is goed.

Mandeville zegt dat het dingen zijn; “zoals ijdelheid, gemakzucht, luxe- en hebzucht, afgunst, eerzucht en bedrieglijkheid die voor de welvaart van een samenleving zorgen”.

Dit is wat Mandeville over de huidige economische crisis zou zeggen.
Iedereen die Spinoza begrijpt weet dat hij zo’n samenleving nooit ‘welvarend’ zou noemen.
Maar misschien bedoelt Mandeville dat we door schade en schande wijs moeten worden. Dan heeft hij altijd gelijk.

Spinoza 'heel normatief' noemen als volgens hem geldt (ik neem deze vertaling over): "alles wat juiste ideeën en dus blijheid en dus geluk brengt is goed," dan formuleert hij daarmee geen norm of waarde, maar stelt een feit of wetenschappelijke waarheid. Spinoza is niet deontisch - zegt niet dat we een plicht zouden hebben om naar die waarheid streven. Dat zou normatief zijn. Maar hij is geen Kantiaan. Als dat streven in de praktijk te constateren is, dan is een feitelijk gegeven vastgesteld, geen norm.
Met wat je verder over Mandeville schrijft, laat je een verhelderend onderscheid met Spinoza zien.

Stan, dat Spinoza niet deontisch is wil nog niet zeggen dat hij geen norm voor ons handelen formuleert. In E4d1 zegt hij: "Onder 'goed' versta ik iets waarvan wij zeker weten [= volgens de rede weten] dat het ons [= ons allen] van nut is". Er wordt een relatie gelegd tussen het ware en het goede, tussen kentheorie en norm. Het ware kennen = het goede kennen.
In jouw citaat (waar te vinden?) wordt die link ook gelegd: "juiste ideeën" = volgene de rede voor iedereen waar, "dus blijheid en dus geluk" = voor iedereen blijheid en geluk.

Waarmee we een interessante vraag aansnijden; is Spinoza 'normatief'?
Je schrijft; "… dan formuleert hij daarmee geen norm of waarde, "maar stelt een feit of wetenschappelijke waarheid."

Een 'wetenschappelijke waarheid' is niet tegengesteld aan 'norm of waarde', want een 'wetenschappelijke waarheid' kan heel goed aanleiding zijn voor een 'norm of waarde' (AIDS wordt overgedragen door seksueel contact en de norm of waarde wordt condoomgebruik).

De normen en waarden van Spinoza zijn inderdaad gebaseerd op 'wetenschappelijke waarheid' en niet op speculaties, bijgeloof en vooroordelen, maar het blijven wel normen en waarden. Ze zijn natuurlijk superieur aan de normen en waarden die voortkomen uit onjuiste ideeën, speculaties, fantasieën en vooroordelen.

Het normatieve bij Spinoza is niet dat je iets moet doen of laten of dat iets altijd goed is en iets anders altijd fout. Het normatieve van Spinoza is dat je iets zou moeten doen als het bij jouw aard past en dat je iets zou moeten laten als dat niet zo is. Dat laatste is dus slecht, of af te raden, als je gelukkig wilt worden.

Als het goed is om je verstand zo veel mogelijk te ontwikkelen en zoveel mogelijk kennis te krijgen over de natuur, jezelf, de ander en over de samenleving, dan is het dus slecht om dat niet te doen.
Maar Spinoza zegt niet dat we daarom slecht zijn of gestraft zouden moeten worden, maar hij ziet dit als onderdeel van de natuur, waarin mensen onjuiste ideeën, fantasieën, etc. hebben en daardoor emoties die hen van de ene hoek in de andere slingeren.

Goed is dus voor Spinoza, volgens mij, alles wat de kennis, inzicht, blijheid, volmaaktheid, eigenbelang, het algemeen welzijn, wijsheid en geluk bevordert en slecht is alles wat dat belemmert.

Hopelijk willen ook andere lezers hun licht laten schijnen op dit interessante, essentiële discussiepunt!

@ Adrie, het citaat is niet mijn citaat, maar een parafrase van Spinoza die Haije Bouwman gaf en die ik als Spinozistisch accepteerde.
@ Adrie & Haije. Het lijkt net alsof jullie Spinoza lezen zoals Santayana hem las, alleen met het verschil dat jullie instemmen met de NORM die je Spinoza ziet aandragen en Santayana die afwees.

Ik parafraseer de redenering van Santayana (in zijn essay The Ethical Doctrine of Spinoza)
Premisse A: Alleen wat leidt tot behoud van onze natuur kan goed zijn;
Premisse B: onze natuur is alleen behouden als we naar adequate kennis streven;
Conclusie: 't enige goede voor ons is dus het hebben van adequate ideeEn.

Jullie lijken te zeggen: precies, zo is het! Jullie proeven in die redenering het normatieve en zijn het ermee eens.

Santayana zegt: akkoord dat onze passies door adequate ideeEn vernietigd kunnen worden en dat ze sociale cohesie bevorderen. Maar dat veronderstelt dat vernietiging van passies en bereiken van sociale cohesie 'goeden' zijn. maar Spinoza had toch aangetoond, dat alle idealen arbitrair zijn: een goed is immers wat wij wensen niet het fundament ervan. Spinoza verwees immers naar de naturae humanae exemplar die we ons voor ogen stellen. Hij, de man van passie voor de wetenschap der dingen, beschrijft dus slechts wat HEM wenselijk voorkomt. Het is alsof hij ons zijn idealen als nieuwe standaarden voor goed en kwaad voorhoudt. Ook Santayana las daar dus het normatieve, maar wees dat af met te zeggen: Spinoza kan zijn (arbitraire) doelen niet voor iedereen bedoeld hebben. Spinoza's ideaal is aantrekkelijk voor wie al aan de intellectuele kant van de natuur staat; voor wie willen weten hoe de wereld in elkaar zit. Maar de mens is meer dan intellect. Spinoza behandelt intellect als de essentie van de mens, maar er zijn ook andere aspecten aan de ontwikkeling van de hele mens (kunst etc.). Tot zover zoals Santayana het ongeveer schreef (zie mijn blogs over hem).

Mijn reactie naar jullie (en Santayana) is: Spinoza beschrijft de samenhang die hij ziet tussen (adequaat) weten en je bestaan voortzetten, dat is feitelijk je bestaansmacht versterken, dus adequaat zien wat goed voor je is. Hij geeft geen gedragsnorm (schrijft geen plicht voor) - zegt niet dat je zus of zo moet handelen. Hij geeft immers tegelijk aan dat veel mensen hiermee niet bezig zijn en genoegen nemen met na te streven van wat zij zich verbeelden dat goed voor hen is. Hij geeft zijn kennis voor de goede verstaander in conditionele vorm: als je ZUS wilt, kun je het beste ZO doen. Hij haalt niet (als Kant) ergens vandaan een 'gegeven norm' te voorschijn.
En trouwens kennis is voor de wijze niet het enige: hij weet ook te genieten van zijn bestaan en van lekker eten en van muziek etc.

Interessant in dit verband is ook E5 Inleiding (hertaling hb);

“We zijn gewend om alle aparte dingen in de natuur in de meest algemene soort of categorie onder te brengen. De meest algemene categorie is het begrip ‘zijn’, dat toepasbaar is op alle dingen in de hele natuur.

Als je dus alle dingen in de natuur onder dit ene begrip samenvat en met elkaar vergelijkt en je komt tot de conclusie dat het ene meer ‘zijn’ of ‘werkelijkheid’ heeft dan het andere, dan zeg je ook dat het ene volmaakter is dan het andere.
Maar als we eigenschappen aan die dingen toeschrijven, die een ontkenning betekenen, zoals "begrensdheid", "eindigheid", "onvermogen" enz., dan noemen we die dingen onvolmaakt.

Dat doen we omdat die dingen ons op een andere manier raken als dingen die we volmaakt noemen. Niet omdat er iets, dat bij hun hoort, ontbreekt, of omdat de natuur heeft gezondigd. Niets hoort immers van nature ergens bij, alleen dat wat voortkomt uit de noodzakelijke aard van de werkende oorzaak. En wat daaruit voortkomt, gebeurt ook noodzakelijk.

Wat betreft de woorden ‘goed en kwaad’; die betekenen feitelijk niets, als je de dingen op zichzelf bekijkt. Ook dat zijn alleen maar manieren van denken, of begrippen die we vormen doordat we dingen onderling vergelijken. Want één ding kan, op hetzelfde moment, goed en kwaad zijn, of totaal onbelangrijk. Zo kan muziek bijvoorbeeld goed zijn voor iemand die melancholiek is, en slecht voor iemand die treurt en voor een dove maakt het helemaal niet uit.

Hoewel dit zo is, moeten we de woorden ‘goed en kwaad’ toch blijven gebruiken. Eerder had ik vastgesteld dat mensen een voorstelling willen hebben van een ideaaltype van de hele menselijke aard, daarom is het nuttig om die woorden in de zojuist gegeven betekenis te blijven gebruiken.

"Goed" is dus in het vervolg voor mij iets, waarvan we zeker weten dat het een middel is om steeds dichter bij het menselijke ideaalbeeld, dat ons voor ogen staat, te komen.

"Kwaad" is dus dat, waarvan we zeker weten dat het ons belemmert aan dit ideaal te beantwoorden. Verder zal ik mensen volmaakter of onvolmaakter noemen naarmate ze meer of minder dicht bij dit ideaal komen.

Graag wil ik er op wijzen dat, wanneer ik zeg dat iemand van minder naar meer volmaaktheid overgaat of omgekeerd, ik hiermee niet bedoel dat hij in essentie of van gedaante verandert. Een paard bijvoorbeeld zou als paard vernietigd worden, als het in een mens of insect veranderd werd. Met de overgang naar meer volmaaktheid bedoel ik dat, aansluitend bij zijn karakter, het vermogen van een mens om dingen te doen toeneemt.

Tenslotte is voor mij dus ‘volmaaktheid’ in het algemeen, ‘de werkelijkheid’, de essentie van ieder ding dat op een bepaalde manier bestaat en werkt. Het maakt niet uit hoelang dat bestaan duurt, want je kunt niet iets volmaakter noemen, alleen omdat het wat langer kan bestaan. De duur van de dingen kan niet uit hun essentie worden afgeleid, omdat de essentie van de dingen geen vastgestelde tijd van bestaan met zich mee brengt. Elk ding, het maakt niet uit of het volmaakt is of onvolmaakt, zal daarom door dezelfde kracht die de oorzaak was van het bestaan, blijven volhouden in dat bestaan. Alle dingen zijn daarom in dit opzicht gelijk.”

Goed en kwaad worden door Spinoza opnieuw gedefinieerd en dus afgemeten aan het ideaalbeeld dat de mens (of de mensheid) van zichzelf heeft.

Bouwman had zich beter eerst eens goed kunnen verdiepen in Mandeville's teksten of in mijn uitgebreide monografie over hem in plaats van afgaande op Stan's uiteraard korte verslag oeverloos te gaan ... en vervolgens deze voor hem nog onbekende filosoof te gaan vergelijken met Spinoza, aan wie hij opvattingen toeschrijft die bij Spinoza nergens te vinden zijn. Dat werd zo een vergelijking van twee onbekenden! Vanzelfsprekend is die onoplosbaar

O, grote heer Klever, wij danken u dat u ondanks uw waardevolle drukke werkzaamheden de moeite heeft genomen onze nietige teksten te lezen. Wij danken u voor de moeite die u nam om en reactie te plaatsen en ons terecht te wijzen.
U heeft gelijk, wij zouden in onze onnozelheid natuurlijk niets meer over Spinoza moeten schrijven, maar ons devoot moeten wijden aan het bestuderen van uw boeken, want die komen immers voort uit een eindeloze, volmaakte kennis van Spinoza die wij anders nooit zouden begrijpen. Uw korzeligheid is dus volledig te begrijpen. Hopelijk wilt u ons vergeven?

SPINOZA'S ETHIEK VAN HET GELUK

(Mijn bovenstaande citaat uit de Ethica is uit deel 4 en niet uit 5, excuses.)

Hieronder nog enige citaten die aantonen dat Spinoza normatief is en dus normen en waarden stelt, Spinoza’s ethiek van het geluk. Zoals de titel van het boek al aangeeft gaat het hem juist om de ethiek. Hij ontwikkelt dus een nieuwe ethiek die gebaseerd is op zijn zuiver rationele (wetenschappelijke) filosofie;

“E4; Definities.
"Goed" is voor mij dat, waarvan we zeker weten dat het nuttig voor ons is.
"Kwaad" is dus dat, waarvan we zeker weten dat het ons belemmert iets goeds te bereiken of te krijgen.

E5 OVER DE MACHT VAN HET VERSTAND, OF DE VRIJHEID VAN DE MENS

Inleiding
Ik ga nu over op een ander onderdeel van de Ethica, dat gaat over de manier, of de weg naar de vrijheid.
In dit hoofdstuk zal ik het dus hebben over de macht van het verstand. Ik zal laten zien wat het verstand kan doen tegen de emoties en wat de vrijheid of geluk van het verstand is. Daaruit zal blijken dat wijze mensen veel meer kunnen dan onwetende mensen. (a)
(…)
Hier ga ik het dus alleen over de macht van het verstand hebben en ik ga vooral kijken hoeveel macht dat heeft om de emoties te bedwinging of te matiging. (b)
(…)
Omdat de macht van het verstand alleen door het verstand bepaald wordt, zullen we ook de geneesmiddelen tegen de emoties alleen uit de kennis van het verstand moeten afleiden, en uit deze kennis ook alles wat leidt naar geluk.
(…) (c)

Stelling
3.
Een invloed, die een sterke emotie is, houdt op een sterke emotie te zijn zodra we een helder en duidelijk begrip van die emotie hebben.

Een invloed, die een sterke emotie is, is een verward idee. Als we dus een helder en duidelijk idee van die emotie hebben, dan is er tussen dit idee en de emotie, als die met het verstand te maken heeft, alleen een rationeel onderscheid en houdt de invloed op een sterke emotie te zijn.

Een invloed is daarom meer in onze macht en het verstand lijdt er minder onder, als we die invloed kennen. (d)

4.
We kunnen van alle invloeden op het lichaam een helder en scherp begrip krijgen.

Wat voor iedereen geldt, moet dus goed begrepen kunnen worden. We kunnen dus een helder en scherp begrip krijgen van alle invloeden op het lichaam. (e)

Hieruit volgt, dat we van elke emotie een helder en scherp begrip kunnen krijgen.
Een invloed is een idee van lichamelijke beïnvloeding, dat daarom een helder en scherp begrip moet inhouden.

Alles wat bestaat heeft gevolgen. Alles wat uit een idee voortkomt dat voor ons juist is, kunnen we helder en duidelijk begrijpen.
Hieruit volgt dat mensen hun emoties min of meer, duidelijk kunnen begrijpen en daardoor zullen ze er dus minder onder lijden. (f)

Daarom moeten we ons best doen om zoveel mogelijk onze emoties helder en scherp te begrijpen, zodat het verstand, dat die emotie ziet, denkt aan dingen, die het helemaal begrijpt en waarin het berust.
Daardoor wordt de emotie dus losgemaakt van de gedachte aan de uitwendige oorzaak en verbonden met de juiste gedachten. (g)

Het gevolg zal dan zijn dat niet alleen liefde en haat vernietigd worden maar ook dat de verlangens, of de begeerten, die vaak uit die emoties voortkomen, niet de pan uit kunnen rijzen.

We moeten hierbij wel bedenken dat de mens door één en hetzelfde verlangen actief of passief kan zijn.
Zo heb ik bijvoorbeeld laten zien dat het in de aard van mensen ligt, dat iedereen wil dat anderen leven volgens zijn ideeën.
Deze drift is bij mensen, die niet door hun verstand geleid worden, een emotie die verlangen naar macht genoemd wordt en die niet veel van eigenwaan verschilt.
Maar bij de mens die leeft volgens wat het verstand leert, is deze drift een actie, of een ‘goede daad’, die plichtsgevoel heet. (h)

Op deze manier zijn alle verlangens of begeerten alleen sterke emoties als ze uit onjuiste ideeën voortkomen. Het worden goede daden als ze uit juiste ideeën voortkomen.
Want alle begeerten die aanzetten tot gedrag kunnen uit juiste of onjuiste ideeën voortkomen. (i)

Terug bij het uitgangspunt, het beste geneesmiddel voor ons tegen emoties is de echte kennis van die emoties, omdat het enige vermogen van het verstand het denken is en het vormen van juiste ideeën, zoals ik hierboven heb laten zien.”

Ik kan nog verder gaan in met citeren uit E5 maar dit wordt al te lang.
We kunnen zo dus gemakkelijk begrijpen dat Spinoza hier zijn rationele (wetenschappelijke) ethiek uitlegt.

a- Het is dus goed dat het verstand iets doet tegen de emoties, en dat het verstand vrij en gelukkig is.
b- Het is goed dat het verstand macht heeft en het is goed dat de emoties gematigd worden.
c- Goed zijn de geneesmiddelen tegen de emoties die uit het verstand komen, en goed is kennis want die leidt naar geluk.
d- Het is goed om een helder en duidelijk begrip van een emotie te hebben en hoe meer begrip hoe meer macht en hoe minder lijden.
e- Het is goed om de invloeden op het lichaam goed te begrijpen.
f- Het is goed om door te begrijpen lijden te voorkomen (d)
g- Het is goed om je best doen om emoties te begrijpen, zodat je verstand denkt aan dingen die het helemaal begrijpt en waarin het berust. Het is ook goed dat de emotie verbonden wordt met de juiste gedachten.
h- Het is goed dat verlangens, of de begeerten ‘niet de pan uit kunnen rijzen’. Het is een goede daad om anderen te overtuigen van ‘wat het verstand leert’.
i- Het is goed om juiste ideeën te hebben want dat is gelijktijdig een goede daad.

42
(..)
“Hiermee heb ik alles wat ik wilde zeggen over de macht die het verstand heeft over de emoties, en over de vrijheid van het verstand, afgehandeld. Hieruit blijkt waar de wijze allemaal toe in staat is en hoeveel beter hij is dan de domme die zich alleen door de sterke verlangens laat leiden.

De onwetende wordt door uitwendige oorzaken en op veel verschillende manieren opgejaagd en kan nooit echte rust vinden. Bovendien leeft hij alsof hij zich niet bewust is van zich zelf, van God en van de dingen.
Zodra hij niet meer lijdt, houdt hij ook op te bestaan.

Maar de wijze wordt op zich nauwelijks geestelijk beïnvloed.
Hij is zich bewust van zichzelf, van de eeuwige noodzakelijkheid van God en de dingen. Hij blijft altijd bestaan, en hij kan altijd echte geestelijke rust vinden.”

In Spinoza’s ethiek is dus de wijze beter dan de domme, echte rust is goed en dus is onwetendheid, en alles wat tegengesteld is aan het goede, slecht.

Ziedaar Spinoza’s ethiek van het geluk!

Verrijkt en ontnuchterd werd ik achtergelaten.
Verrijkt door het inhoudelijke van die twee wetenschappelijke en goed geannoteerde studies van J Locke en B Mandeville.
Ontnuchterd omdat de twee filosofische stromingen die voorgehouden worden elkaars tegenpolen te zijn t.w. het empirisme en het rationalisme, hier uit dezelfde bron blijken te putten. Het empirisme en het rationalisme mogen dan ieder hun eigen koers gaan varen, onmiskenbaar is dat beide hier voortgedreven worden door de onderwaterse stuwkracht van het spinozistische begrip van de menselijke natuur.
Dat is wat W Klever door de teksten minutieus uit te pluizen heeft laten zien. Het filosofisch DNA van zowel J Locke als van B Mandeville is geïnfecteerd met een spinozistisch virus. Geen kwaadaardig virus dat zichzelf geïnfiltreerd heeft, maar dat door beide filosofen blijkt te zijn uitgenodigd om verder gekoesterd te worden. Niet zozeer een besmetting van een enkel atoom in een uithoekje van het DNA, maar heel de DNA-helix lijkt doordrenkt te zijn met het spinozisme. Sterker nog, zonder die spinozistische inslag zouden hun filosofische DNA’s niet levensvatbaar zijn gebleven.
J Locke en B Mandeville konden of wilden, gezien het tijdsgewricht waarin zij leefden, niet voor hun ware aard uitkomen. Om te zeggen dat zij gemaskerd door het leven gingen, is misschien teveel gezegd, maar zij hebben wel hun gezicht in plooi gehouden. In feite kwamen zij niet uit de kast. W Klever heeft nu die kastdeuren opengemaakt en hun innerlijke overtuigingen aan het licht blootgesteld. En het is dan een verademing al hun crypto-spinozistische uitlatingen over elkaar naar buiten te zien rollen.
Naast J Israel heeft ook W Klever in genuanceerde uiteenzettingen laten zien dat de invloed van Spinoza op de Verlichting veel en veel groter is geweest dan tot voor kort voor aannemelijk werd gehouden.

Kortom aanraders zonder meer. Iedere Spinoza-adept trakteert zichzelf met de aanschaf van deze twee studies. En, hoewel niet relevant, het doet wel prettig aan dat een per e-mail gedane bestelling 22 uur later in de bus ligt.
Het wachten is nu alleen nog op zijn studie over David Hume om te zien of hij zijn lijfspreuk ‘reason is the slave of the passions’ daadwerkelijk uit Ethica IV heeft gestolen.

Hallo Arno, leuk je enthousiaste reactie.
Wim Klever heeft er meermalen op gewezen (en ertegen geprotesteerd) dat de ooit gemaakte indeling van Descartes, Spinoza en Leibniz in "rationalisme", waartegenover dan het Engelse "empirisme" zou staan, zeer betwistbaar is. Empirisme en het rationalisme als elkaars tegenpolen is een te gemakkelijke, betwistbare, maar hardnekkige constructie. Spinoza’s filosofie is veel meer op ervaring gestoeld (dat begint al bij de TIE, maar sterk in de TTP en ook in de Ethica) dan met deze tegenstelling wordt ontkend. En inderdaad toont Klever met de hier genoemde studies aan dat er veel meer continuïteit is tussen de Engelse Verlichtingsfilosofen en de zgn. ‘rationalist’ Spinoza. Sterker, dat er door hen veel is overgenomen en in dezelfde lijn wordt doorgegaan.

Dank je, Arno, voor de waardering van mijn studies over Locke en Mandeville. Wat Hume betreft, kan ik je gerust stellen. Dat zijn uitspraak (reason is the slave of the passions) van Spinoza stamt, wordt in mijn ms. uitgebreid betoogd en bewezen. Het is thans afgerond, laat ZEER VEEL VERBINDINGEN tussen Hume en Spinoza zien, maar moet nog even bezinken voor ik het laat drukken.
Wat dit 'laten drukken' betreft ofwel 'het in eigen beheer uitgeven': daartoe wordt ik wel gedwongen omdat a) uitgevers er geen brood in zien (Terecht want het gaat om zeer specialistische geschiedschrijving waarvoor wellicht niet meer dan enkele tientallen belangstellenden zijn) en b) omdat mijn werk als zijnde het onderzoek van een past/past senior niet in aanmerking komt voor subsidiering door een faculteit of NWO, KNAW etc. Bovendien heb ik de handicap dat mijn onderzoek volstrekt ongebaande wegen bewandelt, die bijna niemand op het eerste gezicht kunnen bevallen. De Engelstalige versie van mijn Locke-boek op Stan's website www.benedictusdespinoza.nl had ik eerder aangeboden aan het Amerikaanse Journal for the History of Philosophy, dat utieraard als peer-reviewed-journal adviezen moest inwinnen. Die adviezen waren negatief (ik heb ze te zien gekregen) omdat de adviseurs er geen ballen verstand van hadden en door hun eigen werk al hadden bewezen incapabel te zijn voor een beoordeling. In mijn reactie op Michael LeBuffe's boek heb ik vermeld welk type mensen ik bedoel. Wellicht hadden zij er ook geen zin in om door een positief advies hun eigen wetenschappelijk broddel- en kruimelwerk te benadelen. Zo gaat dat. Maar gelukkig hoef ik er geen geld mee te verdienen, gelukkig is er ook persvrijheid, kan ik zelf laten drukken en verspreiden en op internet ook publiceren. Wat leven wij toch gelukkig in een vrije republiek (vrij naar Spinoza) en hebben we als gepensioneerden geen last van de benauwde en drukkende atmosfeer van de universiteit (ook vrij naar Spinoza) of van bepaalde verenigingen. En als 'geleerde' akademische vakgenoten prefereren om over mijn vernieuwende onderzoeksresultaten te zwijgen (hetgeen ze uit bekrompenheid en afgunst overigens als 20 jaar doen), dan kan ik alleen maar met het door Spinoza uitgelegde Jezuswoord (brief 75) zeggen: "laat de doden de doden begraven". Wij hebben geen tijd om ons daarover zorgen te maken.