Over Alan Donagan's "Spinoza’s Proof of Immortality"

Dit artikel verscheen in 1973 in Marjorie Grene (Ed.), Spinoza: A Collection of Critical Essays [Garden City, N.Y.: Anchor Books, 1973] en is in zekere zin een klassieker in de Spinoza-kunde. Het werd dus tijd er kennis van te nemen en erover te bloggen.

Niet zozeer vanwege het onderwerp zelf, hoewel zeker ook interessant en wat dat aangaat alleen jammer dat hij de term ‘onsterfelijkheid’ gebruikt i.p.v. ‘ eeuwigheid van de geest’. Hij wil zelfs laten zien dat ‘persoonlijke onsterfelijkheid’ niet strijdig is met Spinoza’s systeem. Dat laatste maakt hij wat mij betreft bepaald niet waar, zeker niet waar dat ‘persoonlijke’ dan uit blijkt. Het schijnt dat Diane Steinberg in “Spinoza's theory of the eternity of the mind” (1981) zijn aanpak en conclusie geloofwaardig weerlegd heeft (volgens de Cambridge Companion to Spinoza, p. 141), maar dat artikel heb ik nog niet.

Het gaat me enigszins om zijn heldere en interessante behandeling van begrippen tijd, duur en eeuwigheid en waarin hij wat mij betreft overtuigend laat zien dat Spinoza, ondanks zijn  stellingname dat eeuwigheid geen relatie heeft met tijd, hij toch – zo blijkt op diverse plaatsen – van uitgaat dat eeuwige waarheden te allen tijd (altijd) gelden. Een visie waarop Jonathan Bennett tien jaar later voortbouwde.

Maar ook dat is het nog niet waarom ik dit artikel ter lezing aanraad, met name aan degenen die zich serieus met de recente tekst van Mogen Laerke hebben bezig gehouden, waarover hier flink is gediscussieerd. Het gaat me om de heldere wijze waarop Donagan Spinoza’s gebruik van de noties van essentia formalis en essentia actualis, alsmede uiteraard in dat verband de “ideeën van niet bestaande dingen” toelicht. Dat alles zoveel helderder dan Laerke! Misschien bedoelde Laerke het ook wel zo; maar had hij dat even duidelijk verwoord dan zou er minder aanleiding voor tegenspraak zijn geweest. Die behoefte tot tegenspraak heb ik hier niet bij Donagan.

Nuttig vind ik hoe hij de term “intrinsically possible” invoert voor de essenties van niet bestaande dingen en stelt: “every intrinsically possible essence has conditinal power of existing – it would exist if some finite existent did not prevent it. Essences possessed of power of existing only in this loose or conditional sense are not actual.” (p. 106) Dit (en uiteraard de hele tekst die hier naartoe werkt) ervaar ik als zoveel helderder dan wat L aerke schreef.

Tijdelijk PDF
VoorkantZoekend in het kader van onze recente discussies, stuitte ik op dit artikel van Donagan dat eveneens opgenomen is in het eerste deel van zijn verzamelde filosofische opstellen. En tot mijn vreugde bleek het bij
books.google in zijn geheel te lezen te zijn. Om er prints van de te kunnen maken biedt ik het stuk een poosje als service aan de belangstellende bezoeker als PDF aan. Het leest zoveel prettiger van papier dan van beeldscherm, althans dat vind ik. Ik beveel vooral passages aan op p. 103 –107 en 110-112.

Los van dat deel van het artikel dat ik zo aanbeveel, zijn er ook dingen die mij verbazen, n.l. dat hij in de behandeling van de menselijke geest die op p. 108 begint, geen onderscheid lijkt te maken tussen het idee van het lichaam dat onze geest uitmaakt en de ideeën die wij met onze geest vormen – de eerste adequaat, de tweede (overwegend) inadequaat.

Verder verbaast het me ook dat hij het helemaal niet heeft over het intellect, het adequaat begrijpen, dat het belangrijkste deel van de geest is. Je zou verwachten dat een artikel over “Spinoza’s Proof of Immortality” daar niet zonder kon.

Reacties

Allereerst bedankt weer Stan om dit artikel te vinden en om het maken van de PDF.

In je beoordeling zie ik stukken waarin ik je volledig kan bijtreden, maar ook een stuk waar ik het volledig mee oneens ben.
Ik ga volledig met je mee waar je wijst op de zeer heldere en overtuigende manier waarop Donagan aantoont dat voor Spinoza eeuwigheid niet Platonisch is (Platonisch = een transcendente werkelijkheid), maar wel een naturalistische realiteit: eeuwigheid is altijdigheid, is het al-tijd bestaan. Donagan is m.i. hier veel helderder dan Bennett (die een gelijkaardige stelling verdedigt, maar, zoals vaak moeilijk te volgen is).

Waar ik echter volledig op een andere lijn zit, is inzake je appreciatie voor de term “intrincically possible”, en voor de “conditional power of existing” die Donagan aan essenties toekent. Dit ruikt teveel naar het bestaan van een apart ontologisch niveau van “mogelijke dingen” (zoals hij bv. beschrijft op pag.111). Het omzetten van deze mogelijke dingen in actueel bestaande dingen lijkt me een soort schepping vanuit een transcendent niveau, van waaruit mogelijke dingen met “conatus” moeten begiftigd worden om actueel bestaand te worden. Dan vind ik het verhaal van Laerke veel overtuigender: essentia actualis en essentia formalis is hetzelfde altijd bestaande (eeuwige) aspect van de dingen. (Laerke verwerpt in zijn artikel trouwens expliciet Donagan’s stelling.)

Tenslotte ben ik het wel eens met de kritiek waarmee je blog eindigt: Donagan maakt geen onderscheid tussen het idee dat de geest IS en de ideeën die de geest HEEFT. Ter verdediging van Donagan kan wel aangevoerd worden dat ook Spinoza dat niet overal doet in de Ethica. Jonathan Bennett analyseert deze dubbelzinnigheid (A study of Sponoza’s Ethics, §82, 4). Zijn besluit is dat Spinoza enerzijds in de menselijke geest ideeën ziet die de geest heeft onder vorm van representatie (“indirectly of”) van dingen, maar anderzijds geen mogelijkheid ziet om eeuwige waarheden als representatie te interpreteren, en ze daarom als deel VAN de geest beschouwt (“directly of”). Deze “fout” ligt aan de basis van het bewijs van de eeuwigheid van de geest, en ik volg Bennett dat dit bewijs daarom ongeldig is.

Beste Mark,
Leuk dat je reageert op dit blog en dit stuk van Donagan. Het aantal mensen dat zich hier met deze materie bezig houdt is op de vingers van een halve hand te tellen. Nu weet ik dat in ieder geval 50% daarvan de zaak heeft bestudeerd en mijn werk dus niet voor niets is geweest.

Dan inhoudelijk. Enig “apart ontologisch niveau” voor de “intrinsiek mogelijke dingen” zoals Donagan “formele essenties” leest, haal ik in het geheel niet uit zijn beschrijving. Ik zie niet in waarom dit anders zou zijn dan de talloze mogelijke te tekenen rechthoeken in de cirkel van het voorbeeld van Spinoza in 2/8s. Voor de duidelijkheid: het is niet zoals jij schrijft dat Donagan “intrincically possible” en “conditional power of existing” aan essenties toekent. Nee, het zijn andere termen voor “formele essenties”. Het aantrekkelijke en duidelijke van zijn uitleg in mijn ogen is juist, dat ‘formele essenties’ (nog) in het geheel geen essenties zijn (jij bent al te veel onder de invloed van Laerke geraakt!).

En er is al helemaal geen sprake van “omzetten van deze mogelijke dingen in actueel bestaande dingen” [laat staan dat het als “een soort schepping vanuit een transcendent niveau” zou moeten worden gezien.] Ik begrijp niet waar je dit allemaal vandaan haalt – veel te veel Plato allemaal.

Of Laerke’s vergelijking van Donagan’s gebruik van de term ‘possibilia’ met Leibniz’ ‘regio possibilitatis’ nog wel ’ een charitabele lezing is, betwijfel ik. Donagan’s Spinoza-boek van 1988 heb ik niet, maar in zijn lezing van een jaar eerder in Jerusalem (te vinden op mijn blog over hem), vind je:

“Leibniz speaks of possible beings as "tending toward existence" more or less strongly, as though possible beings can tend or strive, even though he does not believe for a moment that anything but actual beings can do so. And so when he describes worlds less good than the best possible as tending to exist less strongly than the best possible one, all he means is that, since the best possible world is the one God has created, nothing except what is in that world can exist.”[p. 13]

“The struggle for existence between possible beings is no more than a metaphor for the more prosaic truth that, given the natural world as it actually is, it is self-contradictory to ascribe existence to logically possible beings that are not in it.” [p. 14 – in dit laatste citaat reageert hij op Spinoza]

Tenslotte nog één citaat, eerder in zijn tekst:
“The sense of that theorem [Elp25] is that the laws of nature determine whether the existence of a certain finite individual is possible within nature (whether there is such an essence); and that what other finite things exist in nature determine whether that essence exists, and, if so, when.” [p. 8]

Het nadeel van Laerke (die elk onderscheid tussen formeel en actueel wat essenties betreft laat verdwijnen) is dat Spinoza’s essentiedefinitie niet meer werkt of van toepassing kan zijn en ook de conatus-definitie van 3/7 raakt in de knel. Dat is bij Donagan allemaal niet het geval.

Ik geef toe Stan dat de bijkomende citaten die je van Donagan geeft, me deden twijfelen. Er lijkt me hier zeker ruimte te zijn om te accepteren dat hier verschillende visies mogelijk zijn, maar mijn voorkeur blijft toch naar Laerke gaan.
Spinoza stelt dat er alleen de substantie bestaat en de modi ervan. Wat is dan een essentie?
Don Garrett bv. beseft dit probleem zeer goed, en concludeert dat een essentie een modus moet zijn, een oneindige modus zelfs. Laerke vindt deze optie te ver van de tekst verwijderd, en stelt dat de essentie van een bestaand ding een aspect is om het ding te bekijken (of twee aspecten, de vorm van het bestaan en de macht tot het bestaan). Voor niet-bestaande dingen is de essentie een aspect van de bestaande dingen, die direct of indirect oorzaak zullen zijn van het (ooit) tot bestaan komen van het ding.
Donagan ziet echter geen probleem en stelt dat de essentia formalis iets is met een voorwaardelijke macht om te bestaan. Jij stelt Donagan te kunnen volgen, en vergelijkt dit voorwaardelijk bestaan met de niet-bestaande cirkels in Spinoza's voorbeeld in E2p8. Maar zegt Spinoza hier niet dat de essentie van die niet-bestaande cirkels in de rechthoek aanwezig is, de visie van Laerke dus?

Sorry, cirkels en rechthoeken moeten uiteraard omgewisseld in mijn laatste zinnen.

Mark, zoals jij Laerke samenvat ["Voor niet-bestaande dingen is de essentie een aspect van de bestaande dingen, die direct of indirect oorzaak zullen zijn van het (ooit) tot bestaan komen van het ding."] benadruk je in mijn ogen nog eens extra het vreemde en onbegrijpelijke ervan: de essentie zit dus eerst in andere dingen - inclusief het krachtsaspect, terwijl Spinoza uitdrukkelijk stelt dat de kracht waarmee dingen bestaan en in hun bestaan volharden uitdrukkelijk niet komt van de dingen die ze tot bestaan brengen, maar rechtsreeks van God (2/45s). Nee, geef mij Donagan maar: die andere dingen houden het bestaan van dingen, waarvan de formele essentie als mogelijkheden in de attributen vervat liggen, tegen (tot er niets meer is dat het bestaan tegenhoudt, resp. er sommige de oorzaken van zijn dat deze bepaalde mogelijkheden het tot bestaan komen).

Spinoza heeft het in 2/8s niet over de essentie van die niet-bestaande rechthoeken in de cirkel aanwezig is, maar over een oneindig aantal onderling gelijke rechthoeken die de cirkel bevat, waarna hij meteen vaststelt dat die niet bestaan. Dat lijkt tegenstrijdig te klinken. Hij moet dus iets bedoelen als dat ze daarin als mogelijkheden in zijn vervat, waarvan sommige gerealiseerd zullen worden, zodra ze getekend worden.
En zo zijn de formele essenties van niet bestaande dingen ook bedoeld als vervat in (als mogelijkheid in) de attributen.
Het voorbeeld gaat doordat het iets mathematisch is (een ens rationis), mank. In dat geval van die mogelijke rechthoeken is het onzin te spreken van "voorwaardelijk bestaan", daar er in dat geval geen "natuurlijke orde van dingen" is aan te wijzen die vooralsnog het bestaan van die niet-bestaande rechthoeken voorkomen. Dat is het verschil met de reële werkelijkheid, waarop dat voorbeeld maar beperkt toepasselijk is (geeft Spinoza zelf toe)

Stan, je moet denk ik wel zeggen dat alleen die formele essenties van dingen 'als mogelijkheid' in een attribuut besloten liggen, die noodzakelijk als essenties van dingen tot bestaan zullen komen. De uitdrukking 'als mogelijkheid' lijkt ook in te kunnen houden dat de mogelijkheid niet gerealiseerd wordt.

Hier raak je een moeilijk maar belangrijk punt, Henk. Ik denk dat je gelijk hebt. Waar bij 'mogelijke rechthoeken in een cirkel' ook die welke nooit gerealiseerd (getekend) zullen worden, "meetellen", lijkt het in de concrete werkelijkheid onzin om over niet gerealiseerde en zeker over niet-realiseerbare mogelijkheden te spreken als alle vervat in de attributen. Het ging Spinoza erom een aanknopingspunt in zijn filosofie te hebben dat we waarheid kunnen spreken over nog niet of niet meer bestaande dingen. B.v. over Socrates - of over Spinoza.
Maar het is inderdaad onzin om over Napoleon XIV te spreken (tenzij iemand daar een roman over verzint), want God of de natuur fictionaliseert niet. Ik denk dat Spinoza met het oog daarop aan 1/16 toevoegde: alles wat onder een oneindig verstand kan vallen."
Ik heb de indruk dat Donogan (misschien toch een beetje beïnvloed door Leibniz) ALLE 'theoretisch' mogelijke dingen, de oneindigheid aan mogelijkheden, op 't oog had. Maar dat dienen we dan uit zijn benadering weg te laten.

Ah, ik vergat nog verheugd te constateren dat nu 100% van de op dit punt mogelijke reaguurders hiermee hebben gereageerd.

Ik denk zelfs dat je kunt zeggen dat dingen tot bestaan komen OMDAT ze besloten liggen in het attribuut. De noodzakelijkheid waarmee dingen tot bestaan komen, ligt al besloten 'in het begin', in het attribuut.
Bij het nalezen van de reacties stuitte ik ook op je lezing van 2/45s:
"terwijl Spinoza uitdrukkelijk stelt dat de kracht waarmee dingen bestaan en in hun bestaan volharden uitdrukkelijk niet komt van de dingen die ze tot bestaan brengen, maar rechtstreeks van God."
Dat 'rechtstreeks' lijkt te suggereren dat er een soort aparte ingreep van God plaatsvindt. Dat lijkt me niet erg 'natuurlijk'. Het woord 'rechtstreeks' is ook niet te vinden in de tekst. Spinoza schrijft dat de kracht om te volharden in het bestaan volgt uit de eeuwige noodzakelijkheid van Gods natuur (dat geldt overigens voor alles). Die kracht wordt ingeplant bij het ontstaan van het ding, maar is verder niet meer afhankelijk van de werking van andere singuliere dingen. Het bestaan van dingen wordt bepaald door andere dingen, maar dat geldt niet voor de conatus. Ik denk dat Spinoza dit bedoelt te zeggen in 2/45s.

Henk, je hebt gelijk, "rechtstreeks" staat er niet bij Spinoza. Net zoals het in de secundaire literatuur gemaakte onderscheid tussen "horizontale" en "verticale" veroorzaking niet bij Spinoza te vinden is. Maar je moet toch wát in je toelichting. Zo gebruikte ik een keer 'rechtstreeks' i.p.v. 'verticaal'. Dit gezegd zijnde, kijk ik nog eens goed naar jouw uitleg. En dan kom ik daarin toch ook een a.h.w. "aparte handeling" of "werking" tegen in de zinsnede: "Die kracht wordt ingeplant bij het ontstaan van het ding,"
Het ontloopt elkaar niet werkelijk, dunkt me.

Stan, behalve dan dat ik ook niets moet hebben van dat 'verticaal'. Hoe werkt dat dan? Het lijkt de Heilige Geest wel. Het is allemaal horizontaal! Niks geen aparte ingrepen van 'bovenaf'.

Oké, er is geen 'van bovenaf'. Als 'verticaal' de ongelukkige connotatie heeft van 'vanuit het transcendente' of 'ultramontane' o.i.d. (en dat kriegelige gevoel kreeg ik ook jaren terug bij de eerste kennismaking ermee), dan dienen we af te zien van die term. Maar we zoeken wel passende taal om Spinoza goed te kunnen volgen. We veranderen mee met onze discussies. Ik herinner me nog goed, Henk, dat jij bij bespreking van diverse illustraties om Spinoza's metafysica in beeld te brengen, ook die termen verticaal-horizontaal bezigde. Maar we leren bij - beter niet doen; ben ik mee eens

Ik hoor je dat laatste graag zeggen Henk, want je gaat m.i. de richting uit van Laerke. God is de oneindige natuur, en het ontstaan en verdwijnen van modi is volledig deterministisch. Uit het oneindig geheel van actueel bestaande modi, eindig en oneindig, volgt de volledige toekomstige dynamiek van modi. Daarom mogen we zeggen dat de essentie van (nog) niet bestaande dingen volledig is terug te vinden in de actueel bestaande modi, en de (ware) ideeën van wel en niet bestaande dingen in het Oneindig Verstand.

Stan je blijft kinderachtig met mijn bijdragen bezig.
Stap van het begrip metafysica af. Dat is onduidelijk en verwarrend. Spinoza gebruikt fysische stofwisseling als een natuurlijk werkend begrip. Want er is of bestaat in de Natuur alleen substantieel ofwel noodwendig lichamelijk werkende stof om dingen natuurwetmatig te laten wisselwerken en voortplanten. Wij drukken dat natuurlijk proces in passende taal uit - naar de Rede en ons verstandsvermogen en met behulp van wiskunde, biologie en scheikunde. Jij wist die gewone verstandige en wijsgerige benadering die ik in de Ethica 1 het aanhangsel lees. Het begrip er van zou je van die 'brij aan secundaire Spinoza-uitleggers' afhelpen.

Mark, helemaal eens met de algemene lijn die je in je reactie geeft (die overigens niet specifiek is voor Laerke). Maar dan op het eind (dat is wel specifiek voor Laerke). Dat een ding bestaat, wordt bepaald door, zoals je zegt, het geheel van actueel bestaande eindige en oneindige modi. Dat maakt niet dat die bepalende factoren de essentie van het bestaande ding zijn. Hetzelfde geldt voor (nog) niet bestaande dingen. Dat een ding (nog) niet bestaat, is volledig bepaald door het geheel van actueel bestaande eindige en oneindige modi. Maar daarmee zijn die bepalende factoren nog niet de essentie van het niet-bestaande ding. Zoals ze ook niet de essentie zijn van het bestaande ding. Wat zou je er van vinden om te zeggen: als het ding niet bestaat, bestaat ook de essentie van het ding niet (zie Spinoza's definitie van essentie)

Mark, ik weet niet of het precies Laerke is, maar in elk geval lees ik het bij jou.

Henk, in antwoord op je vraag wat ik er zou van vinden: ik zou daar best mee kunnen leven, als de stelling m.i. niet (minstens impliciet) werd tegengesproken in de Ethica. Op volgende plaatsen bv.:
- E1p8s: 'zodat wij ware voorstellingen kunnen hebben van niet-bestaande wijzigingen, aangezien, ofschoon zij niet feitelijk buiten het verstand bestaan, toch hun wezen aldus in iets anders is vervat, dat zij daaruit begrepen kunnen worden.' Ik lees hier tweemaal dat de essentie (wezen) van niet-bestaande modi (wijzigingen) toch bestaat: eenmaal lees ik dit in "ware voorstellingen" (want een voorstelling kan maar waar zijn als ze overeenkomt met haar ideatum, dus er moet een ideatum bestaan), en een tweede maal in "hun wezen aldus in iets anders is vervat".
- E1p15d: 'buiten substantie en bestaanswijzen is er niets'. Wat is dan een essentie? Het zou kunnen een modus zijn (zoals Don Garrett stelt), maar dit is nergens bevestigd in Spinoza's teksten. M.i. is het geen modus of ding, maar wel de definiërende eigenschappen van het ding, die onveranderlijk zijn, een eeuwige waarheid.

Mark, ik ga eens goed kijken naar de twee plaatsen die je aangeeft. N.a.v. 2/45s bedacht ik nog wel: de essentie van een ding, de kracht en het streven om voort te bestaan, wordt juist NIET bepaald door de omgeving. Het is iets van het ding zelf. Dat is wel erg in tegenspraak met Laerkes stelling dat de krachten van de omgeving ('het geheel van de actuele eindige en oneindige modi') de essentie van niet bestaande dingen bepalen.

Mark, in twee keer. Eerst 1/15d. Jouw 'bestaanswijzen' zijn de modi van 1/def5, waar Spinoza ook naar verwijst. Er zijn alleen substanties en modi ('wat in iets anders is', verwijzing naar 1/ax1). Essenties zijn niet iets daarnaast. Substanties hebben een essentie en modi hebben een essentie. In beide gevallen is die essentie een kracht: resp. de kracht van God en de gemodificeerde kracht van God. En zo bezien is een essentie geen modus en ook geen 'definiërende eigenschappen'.
Aan 1/p15d kun je dus moeilijk ontlenen dat essenties van eindige modi een 'bestaan' hebben los van het bestaan van de dingen.

Mark, voordat ik me waag aan het lastiger 1/8s wil ik graag weten hoe je nu aankijkt tegen 1/15d (ik heb de indruk dat de vertaling die je gebruikt je parten heeft gespeeld)

Henk, ik las 1/15d wel degelijk zoals jij het leest. Maar mijn redenering vertrok van 1/8s, waaruit blijkt dat essenties van niet-bestaande dingen toch "gevat zijn in iets anders". Dus daaruit leid ik af dat een essentie bestaat los van de modus waarvan ze de essentie is. Wat is een essentie dan? Volgens 1/15d zou het alleen een andere modus of de substantie kunnen zijn. Don Garrett gaat voor een andere modus, wat ik niet noodzakelijk verkeerd vind. Maar ik ga voor een andere uitweg: 1/15d gaat over "dingen" (de re). Er bestaan daarnaast nog o.a. "eeuwige waarheden" (de dictu). Een essentie is zo'n eeuwige waarheid. Jij defieert een essentie als kracht, maar dat is alleen het aspect essentia actualis. Voor mij heeft een essentie zowel een definiërend (essentia formalis) als een kracht-aspect.

Mark, het is een lastig probleem.
1) het probleem van de 'aspecten'. Daarover is bij Spinoza nergens iets te vinden. Als hij zegt dat de 'potentia' de essentie zelf is van God (1/34), heeft hij het dan over een aspect van die essentie?
2) 'een eeuwige waarheid'. Het is hoe iets wordt begrepen (1/def8e). Dan moet er wel 'iets' zijn dat zo wordt begrepen. Dat 'iets' is eeuwig. In jouw geval dus de essentie van een ding. Alleen een eeuwige waarheid 'de dictu' zegt volgens mij niks. Er moet een eeuwige essentie aan beantwoorden.
3) 1/8s. We kunnen een een waar idee hebben van een niet bestaand DING omdat we het ding begrijpen vanuit iets anders (waardoor het ding wordt bepaald, de oorzaak van het ding). DAAROM kunnen we een waar idee hebben van een ding dat niet bestaat. De eerste zin zegt: "En onder modificaties [zouden ze verstaan], dat wat in iets anders is, modificaties waarvan het concept gevormd wordt vanuit de zaak waarin zij zijn: DAAROM kunnen we ware ideeën hebben van modificaties die niet bestaan." (de kapitalen zijn van mij, maar het woord is van Spinoza). In dit licht moet het vervolg geïnterpreteerd worden.
NB: het gaat om ware ideeën van modificaties, dingen, die niet bestaan, niet van essenties.

Henk, akkoord dat Spinoza het ons lastig maakt! (Maar dat enigmatische maakt het dan weer juist boeiend). Mijn repliek:
1) ik volg Laerke in zijn stelling dat essentia formalis en essentia actualis "twee verschillende aspecten zijn van een en dezelfde essentie". Belangrijkste argument daarvoor is dat Spinoza nergens een aparte definitie geeft van deze twee "soorten" essenties, en het meestal heeft over "essentie" zonder toevoeging van formalis actualis. Wat de essentie van God betreft: mijninterpretatie is dat voor God (en alleen voor God) de twee aspecten volledig samenvallen.
2) Ik stel dat een eeuwige waarheid een logische propositie is, bv. de drie hoeken van een driehoek vormen samen twee rechte hoeken; of: 2+ 2 = 4. Spinoza geeft er nergens een definitie van, maar toch bestaat het begrip in zijn metafysica.
3) 1/8s: de zinsnede die je met DAAROM laat beginnen vind ik niet bij Spinoza. Wel staat er letterlijk: "Van niet bestaande modificaties kunnen wij dus ware ideeën hebben, omdat hun wezen (ESSENTIA staat er in het Latijn) zo in iets anders is vervat...". De essentia van niet bestaande dingen bestaat dus én is vervat in iets anders. Ik ben akkoord met jou dat dit "iets anders" de oorzaak of oorzaken zijn (of eventueel de oorzaak of oorzaken van die oorzaak of oorzaken enz.), dus bestaande modificaties. Dat is precies wat Laerke zegt over de essentie van niet bestaande dingen.