Nog eens over de "meesterlijke toelichtingen van Rikus Koops op de door hem hertaalde Korte Verhandeling"

Op 3 april had ik een behoorlijk enthousiaste eerste bespreking van de door Rikus Koops hertaalde en toegelichte Korte Verhandeling. Ik sprak van “grandioze toelichtingen en bovenal een schitterende tekst De waarde van de Korte Verhandeling.” Van iemand kreeg ik via de e-mail de vraag of ik daar voorbeelden van kon geven.

Ik zal één voorbeeld geven dat naar ik hoop sprekend genoeg is. Mignini geeft talrijke technische toelichtingen, maar niet of nauwelijks toelichtingen die bijdragen tot beter begrip van de tekst. Bijvoorbeeld in hoofdstuk 3 van eerste deel [Dat God een oorzaak van alles is], loopt Spinoza een achttal verdelingen van typen oorzaak na. Wie begrijpt daarvan de “minvoorneem-beginnende oorzaak en is God niet”. Ik las ergens (bij Martin J. Bac, Perfect Will Theology, Brill; books.google) dat Spinoza kennelijk de Institutionum logicarum van Franco Burgersdijck (Leiden, 1626) op zijn schrijftafel had liggen. Je ziet hem de typeringen langslopen en daarvan gebruiken wat hem van pas komt en bekritiseren waarmee hij het niet eens is.

Tot mijn vreugde kwam ik nu in de toelichtingen van Koops uitleg van elk der verdelingen van de onderscheiden soorten oorzaak tegen – zonder verwijzing naar Burgersdijk overigens, maar misschien was het ook in een ander werk van of over de 17e eeuwse logica te vinden. En dan krijg je dus de toelichting dat de ‘minvoorneem-beginnende oorzaak’ “een hulpoorzaak of minvoorname oorzaak (causa instrumentalis) betreft die om te werken het vermogen van de hoofdoorzaak nodig heeft. Een hulpoorzaak kan worden onderscheiden in de werktuigelijke hulpoorzaak, de beginnende hulpoorzaak en de voorgaande hulpoorzaak. De arbeider is de hoofdoorzaak van een werkstuk, de zaag is de werktuigelijke hulpoorzaak, het loon is de beginnende hulpoorzaak en de wens tot inkomen van de arbeider is de voorgaande hulpoorzaak.” Dit maakt veel duidelijker. En vervolgens laat Koops telkens zien hoe Spinoza deze onderscheidingen toepast op God. Daarvoor verwijs ik naar het boek. Hier gaat het mij erom te laten zien hoeveel hulp je aan Koops kunt hebben bij het lezen en begrijpen van de KV. Hertalen is daarvoor niet genoeg, ook nadere toelichtingen zijn nodig en die vind je in ruime mate bij Koops.

Een kritische noot
Na deze lof, ook een puntje van kritiek. Bij de eerste van de acht soorten oorzaken gaat het om de causa emanativa versus causa activa. Spinoza’s past dit toe op God en zijn tekst luidt:

“1. Dan zeggen wij, dat hij is een uitvloejende ofte daarstellende oorzaak van zijne werken en in opzigt de werkinge geschied, een doende ofte werkende oorzaak, hetwelk wij voor een stellen, als op elkander opzigtig zijnde.” Koops hertaalt:

“Ten eerste zeggen wij dat hij een uitvloeiende oorzaak ofwel een voortbrengende oorzaak van zijn werken is. Ten opzichte van het feit dat deze gevolgen plaats hebben, noemen we hem een actieve of handelende oorzaak, waaronder wij hetzelfde verstaan, als op elkaar betrekking hebbende.” [De cursief gezette woorden zijn toevoegingen van de hertaler ter bevordering van de goede leesbaarheid]

Dit vraagt uiteraard nog een toelichting om te begrijpen wat er staat. En die geeft Koops.

“Bij een uitvloeiende of voortbrengende (daarstellende) oorzaak (causa emanitiva) ontstaat het gevolg uit de oorzaak en komt er passief en onbewust uit voort. Het gevolg wordt dus niet uit het niets gecreëerd. Bij een Actieve (doende) en handelende (werkende) oorzaak (causa activa) wordt het gevolg daarentegen Actief gemaakt en gecreëerd vanuit het niets.”

 

Door te volstaan met de toelichting uit het (christelijke) logica-boek, helpt Koops de lezer een beetje de mist in. Hij geeft inderdaad de toelichting van de calvinistische scholastiek, maar mist daarmee dat en waarom Spinoza zijn kanttekening plaatst - wat hij voor heeft met “hetwelk wij voor een stellen, als op elkander opzigtig zijnde.” Spinoza heeft uiteraard ook gezien dat de causa activa wordt gebruikt om de schepping uit niets mee aan te duiden, maar hij is van de overtuiging 'ex nihilo nihil fit’: "uit niets wordt niets gemaakt." Daarom amendeert hij de onderscheiding en vindt dat het eigenlijk slechts om één makende oorzaak gaat (“waaronder wij hetzelfde verstaan”). Hier zet Koops toelichting de beginnende Spinoza-lezer op het verkeerde been. Maar hij biedt zoveel goeds, dat mijn enthousiasme blijft.

Nog één kanttekening betreft het attribuut-begrip
Op het echt vele goede dat Koops biedt, heb ik nog slechts één opmerking die ik te belangrijk vind om – uit welwillendheid vanwege de grote prestatie van de hertaler eventueel - niet naar voren te halen. In zijn uitvoerige toelichting op de metafysica geeft hij een foutieve aanduiding van wat Descartes onder attributen verstond. Hij schrijft Descartes toe: “Een attribuut is dat wat het verstand ziet als het wezen of de essentie van een (geschapen) substantie.” (p. 270) en op de bladzijde daarop: “In de Ethica gebruikt Spinoza voor attribuut dezelfde definitie als Descartes, namelijk wat een verstand ziet als kenmerkend of essentieel voor een substantie (zie EID4).”

Dit klopt niet, want de passus “dat wat het verstand ziet als” [id, quod intellectus de substantia percipit], is de eigen toevoeging van Spinoza, die door zovelen raadselachtig werd bevonden en die de aanleiding werd voor een gigantische hoeveelheid literatuur over Spinoza’s attribuut-begrip. Descartes definieerde simpeler: Substantiae praecipua proprietas [=attributum], quae ipsius naturam essentiamque constituit [Pincipia Philosophiae I, 53].
Het was Spinoza die in zijn definitie inlaste
“dat wat het verstand ziet als” [Per attributum intelligo id, quod intellectus de substantia percipit, tanquam ejusdem essentiam constituens] De vraag was dus al snel: waarom doet hij dat? Hierin, juist in deze afwijking van Descartes, ligt de oorsprong voor de verschillende richtingen (de subjectivistische, de realistische of objectieve en de zgn. formele verklaringen) in het verstaan van de attributendefinitie.

                                                  Let op!

 

British Journal for the History of PhilosophyVolgende maand verschijnt in het prestigieuze British Journal for the History of Philosophy een lang verwacht artikel van Henk Keizer (bezoeker van dit weblog) over Spinoza’s attributen-definitie.

Dat zal zeker aanleiding worden voor meerdere blogs over het attribuut bij Spinoza.  

 

Reacties

Beste Stan,

Allereerst mijn felicitaties met je weblog – ik volg hem nog maar een paar weken maar ik heb het gevoel al meer geleerd te hebben over Spinoza dan in vele voorgaande jaren. In die jaren heb ik nochtans wel wat lectuur over Spinoza doorgenomen, zoals “De doornen en de roos”, “De geest is gewillig maar het vlees is sterk”… Het voordeel van jouw blog is volgens mij dat er zoveel verschillende benaderingen aan bod komen, dat er gediscussieerd wordt, …en die confrontatie van ideeën is zowel boeiend als zeer leerrijk.
Zowel kwantiteit als kwaliteit van je bijdragen zijn van een bewonderenswaardig niveau. Waarschijnlijk daarom dat de reacties die uitgebracht worden ook talrijk zijn en van hoge kwaliteit – een heel verschil met heel wat andere “internet communities” rond Spinoza.
Naar aanleiding van je aankondiging hier over toekomstige blogs over de aard van de attributen bij Spinoza, zou ik graag wel een bedenking uiten: waarom nog veel energie steken in begrippen die intussen al lang achterhaald lijken? Volgens mij is het toch zo dat het “substantie” begrip en de hele “logica” errond door de latere filosofische inzichten volledig onderuit gehaald zijn: Hume noemde “substance …a fiction form ancient philosphers; Kant toonde aan dat het bestaan van de God-substantie niet kan bewezen worden op basis van de redenering dat “het wezen het bestaan insluit”; Russell verwierp de logica van Spinoza…). Ik kan me dan ook niet voorstellen dat Spinoza, mocht hij vandaag geleefd hebben, zijn filosofie op gebaseerd zou hebben op deze begrippen. Andere aspecten van zijn filosofie daarentegen zijn vandaag nog wel zeer actueel: religie als een natuurlijk fenomeen, het determinisme, het spel tussen rede en emoties, de band tussen politiek en religie… Concentreren we ons daarom niet beter op deze aspecten?

Beste Mark,

Dank voor de lovende woorden over dit blog - ik ben er graag mee bezig en dan is het fijn te merken dat het gewaardeerd wordt.

Wat het gebruik van de scholasieke termen betreft: volgens mij kun je er niet omheen, wil je Spinoza zo volledig mogelijk verstaan, om zijn (her)gebruik van termen als substantie, attribuut, modi, causa e.d. te bestuderen. Ze nemen namelijk een té belangrijke plaats in zijn filosofie in dan dat je ze kunt negeren. Hij gebruikte ze voor zijn Ethica, "die gelyk een ieder weet op de metaphisica en phisica gegront moet worden" (brief 27). Juist de poging om met herdefiniëring van de terminologie van de late middeleeuwen, aansluiting te vinden bij de behoefte van de natuurwetenschappen, maakt het bestuderen ervan interessant - ook al werd almaar meer duidelijk dat die termen uiteindelijk meer vertroebeling, dan waarde boden. Het boeiende is juist hoe hij er nieuwe betekenissen voor uitvond. Ik kan me inderdaad ook niet voorstellen dat Spinoza, had hij in deze tijd geleefd, nog die termen zou hebben gebruikt. Maar hij leefde nu eenmaal in de 17e eeuw en we moeten hem in en vanuit zijn eigen context bestuderen. Hij zat nu eenmaal dicht tegen het breekpunt aan, waarna die begrippen 'het niet meer deden'. Zo vond ook Alan Donogan dat veel van Spinoza's ideeën niet begrepen kunnen worden buiten "the framework of the way of ideas incorporated in it." Als we er zomaar aspecten uitvissen die ons nog van pas komen, lopen we de kans er onbewust teveel nieuws in onder te brengen. We moeten echt zijn gronding in "metaphisica en phisica" bestuderen.