Nog altijd een heel fraaie Spinoza-biografie - die van Theun de Vries

Zojuist heb ik de Spinoza-biografie van Theun de Vries weer eens herlezen. En weer vond ik het een heel gedegen, deskundige, warme en fijne inwijding in Spinoza. Ook het omslagontwerp van J.F. Doeve vind ik fraai geslaagd.

Ik bezit de eerste druk, maar zonder stofomslag dat hetzelfde ontwerp van Doeve moet hebben gehad. Toen ik onlangs voor een paar euro deze tweede druk op de kop kon tikken, een fraaie paperback met eveneens genaaide katernen, liet ik die niet lopen en besloot ik het boek weer eens te gaan lezen. En weer deed ik dat, net als twee jaar geleden, met genoegen.

Merkwaardig is dat de uitgever, H.J.W. Becht uit Amsterdam, geen jaartal meegaf aan deze boeken – misschien om ze een zekere eeuwigheidswaarde mee te geven? Nou, die hebben ze al bijna. De vijfde druk bij de Prom in Amsterdam uit 2003 ‘verklapt’ de datum van de eerste druk: 1972.

Sindsdien kregen we in de tweede helft van de 90-iger jaren de biografieën van Steven Nadler en Margaret Gullan-Whur, maar deze van Theun de Vries is de laatste Spinoza-biografie van Nederlandse makelij. De biografie van Nadler wordt wereldwijd zeer geroemd, maar zou het toch niet eens tijd worden voor een nieuwe intellectuele biografie van Spinoza, een reconstructie van de ontwikkeling van Spinoza’s denken– bijgelicht door de betere vormen van secundaire literatuur, waarmee het tegenwoordig veel meer dan vroeger mogelijk kan zijn om Spinoza beter dan ooit te begrijpen. Ik ben benieuwd of intussen iemand daarmee bezig is en ons straks met iets moois verrast.

Intussen ben ik bepaald niet ondankbaar over de prestatie die Theun de Vries ons heeft geleverd. Het boek van een echte schrijver die zich in al heel wat onderwerpen grondig had verdiept.

            portrettekening van Theun de Vries door Riët Amesz 

Als eerbetoon aan Theun de Vries en om goed te laten meeproeven neem ik de moeite om hier twee in mijn ogen heel geslaagde pagina’s over te typen en als citaat te brengen.

                                                 * * *

Het vrije denken in de Nederlanden stond omstreeks het midden van de zeventiende eeuw juist op een tweesprong. Het was in de late middeleeuwen, in de zestiende en de eerste decennia van de zeventiende eeuw vaak een aangelegenheid geweest van sekten en zonderlingen uit de onderste lagen van de samenleving. In hun gewaagde en uitdagende godsvoorstellingen had zich een opstandige kritiek op de maatschappij geuit, waarin nog reminiscenties aan het chiliasme van de wederdopers herkenbaar zijn. Dit plebejisch-rebelse karakter van het vrije denken ging langzamerhand verloren, nu de regenten als heersende klasse vast in het zadel zaten en hun zonen naar binnen- en buitenlandse universiteiten stuurden. Die werden daardoor wel geen antieke heidenen, maar we hebben al gezien dat zij ten opzichte van het ‘staats’-calvinisme in ketters en libertijns vaarwater raakten. Deze overgang van het vrije en kritische denken uit de laagste klassen naar de sociale bovenlaag, waarbij het uiteraard zijn chiliastisch en opstandig karakter verloor, heeft een praktische verklaring: de wetenschap zelf was bezit en werktuig geworden van het patriciaat. Terwijl Grotius zich nog in de christelijk-juridische gedachtenwereld beweegt, P.C. Hooft de Stoa en de antieke letterkunde tot historisch-esthetische levensinhoud herschept, groeit het agnosticisme bij de volgende generatie. Mannen als Johan de Witt, Johan Hudde en Chriustiaan Huygens, doorkneed in cartesianisme en wiskunde, nemen de leiding in de wereldse wetenschap die voordien meestal in handen van onaanzienlijke schoolmeesters, zeekapiteins en loodsen, instrumentenmakers en molenbouwers had berust. De wetenschap zelf krijgt daardoor in dezelfde tijd waarin het spinozisme ontstaat, een aristocratisch karakter; haar beoefenaars bevinden zich ten dele in de hoogste ambten – de mathematicus De Witt is raadpensionaris en leidt de Republiek, Nicolaas Tulp en Johan Hudde zijn burgemeesters van Amsterdam, Christiaan Huygens heeft in Nederland en Frankrijk relaties met de adel en hofkringen. De sympathie van deze patriciërs voor de latere Spinoza, de wijsgeer en de opticien, is niet toevallig, maar wortelt in hun eigen ontwikkeling van filosofische skepsis enerzijds en wetenschappelijk realisme anderzijds. Zij mogen hem, zij steunen hem (zij het in stilte), terwijl hij voor hen tegelijk de man uit de mindere, derde stand blijft.

Hier ligt Spinoza’s dilemma. Wij weten niet of hij het zelf als zodanig heeft beleefd, maar het afstand doen van wereldse faam en rijkdom in het begin van de jaren zestig is in dit verband onthullend. Spinoza staat immers sociaal tussen de klassen. Zeker, de sefardim waren in Spanje – in een ver, onachterhaalbaar verleden – ook aristocraten geweest, maar in het zeventiende-eeuwse Amsterdam en Nederland waren de joden tamelijk geïsoleerde, met schele ogen bekeken immigranten, koop- en ambachtslieden zonder maatschappelijke status. Terwijl Spinoza zich er in de kring van zijn collegianten-vrienden en bij Van den Enden van kon overtuigen dat hij niet bij machte was dit sociale isolement te doorbreken, dat hij zich nooit zou kunnen opwerken tot een algemeen erkend vakgeleerde of specialist, had hij zich reeds door zijn keuze van de optiek als broodwinning bij de handwerkers ingedeeld, overigens een geachte maatschappelijke klasse. Zo is hij met zijn dagelijkse belangen verbonden aan de kleine burgerij, die over macht noch invloed beschikt. Deze positie is op de een of andere manier in overeenstemming met zijn aard, of hij dwingt zich ertoe: zij verklaart mede zijn vroege inkeer. Zij vestigt bij hem ook de onmiskenbare sympathie voor de kleine man, zoals die uit zijn latere staatkundige geschriften – vooral het onvoltooid gebleven Politiek tractaat – zal blijken.

Niettemin stellen wij het dilemma vast. De kleine burgerij was, afgezien van haar dissidente, redelijk verlichte elementen, in religieus en politiek opzicht conservatief, kerks, monarchistisch en bekrompen. Als bouwer van een nieuwe ‘wellevenskunst’ moest Spinoza de rekkelijke en cultureel-tolerante levenshouding van de regentenklasse tot de zijne maken. En ook hier staat hij, zelf één en al verdraagzaamheid, in menig opzicht tussen de partijen: het regentendom met zijn voornaam-cultureel republikanisme  is tegelijk vol eigendunk, bezeten van machtsdrift, baatzuchtig, niet zelden corrupt. En zo ontstaat dan het spinozisme tenslotte uit de verdeeldheid in Spinoza’s maatschappelijk gevoel als een ethica die, bevangen in de illusie dat zij zich richt tot de mens (een generaliserend, abstraherend begrip), in waarheid de mensen van de regentenmaatschappij, vanwaar ze uitgaat, een zedenspiegel voorhoudt: een levensleer niet het minst voor de regeerders, om eigen ziel, aandriften en mogelijkheden te doorgronden en de uitwerking van die zelfkennis op staat en maatschappij toe te passen. [ p. 90-91]

* * *

Hier zit alles in: zijn identificatie met Spinoza, de moeite die hij heeft met de aristocratie en regentenklassen – z’n inzicht in de gebeurtenissen in de 17e eeuw en het ontstaan van wetenschappelijke interesse etc. etc.

Het zal best dat specialisten in stukjes en aspecten van de 17e en 18e eeuw, waarin zoveel studies zijn en worden gedaan en waarover gerapporteerd wordt in proefschriften en aparte tijdschriften e.d. bepaalde zaken nu heel anders zien. Laat er maar eens iemand of een team opstaan om een nieuwe monografie te schrijven. En dan bedoel ik niet zo’n boek waarin elk hoofdstuk door een andere specialist geschreven wordt. Ik bedoel echt een synthese.