Niemand weet wat het Universum vermag

Niemand weet wat het Universum vermag

Dag Universum - geheimzinnig, eeuwig oneindig Individu,
door ons via ervaring van ons lichaam gekend als dubbelding,
met één kant en tegelijk & evengelijk een andere kant,
zus materie (body & brains), zo denken (mind of geest).
Maar ‘samen’ één Universum (zonder aparte geestelijke wereld).
Aan die materie kleeft – kennelijk - de mogelijkheid tot denken.
Maar geen zwevende gedachten – ideeën vergen materiële breinen,
die hebben zo’n bolletje als de aarde nodig,
waarop leven, een diversiteit aan strijdende levensvormen,
evolutionair via natuurlijke selectie
… en eindelijk de mens kon ontstaan –
en toen konden er gedachten en kennis en wetenschap komen.
Alleen zo – uit overlevingsdrang en nieuwsgierigheid.
Je wíst niet dat je denken kon, hè Universum,
tot je ons had gemaakt, en wij voor jou dachten.
Hoe wist je hoe je ons moest maken?
Je wist het niet en toch deed je het.
Natuur, God, hoe kon je ons denken, maken?
Ons maken zonder voorafgaande kennis en plan.
Hoe konden wij ontstaan en zien dat het geen zin heeft?
Spinoza ging met ‘intellectus infinitus’
zogenaamd mee met Scholastieke theologen
(voor wie God eerst dacht en dan schiep - ex nihilo,
vanuit zijn ‘intellectus infinitus’),
en zei in Ethica 1/16 (iets gewijzigd):
Ex necessitate divinae naturae
infinita infinitis modis sequi debent -
hoc est omnia quae sub intellectum infinitum cadere possunt.
“Uit de noodzaak van de goddelijke natuur
moet oneindig veel op oneindig veel manieren voortvloeien -
dat wil zeggen, alles wat onder een oneindig verstand kan vallen,”
vertaalt Corinna –
“wat een oneindig verstand kan bevatten”, zo Henri.
Maar dat eeuwige en oneindige verstand van God,
{eeuwige ‘denkkracht’ of beter complex van alle door elkaar aangezette eeuwige modi van denken in Ethica 5/40s ?)
ontdekt alles pas achteraf – als er gedacht en gekend wordt.
Dat vormt het grote mysterie van alles:
het ontstaat natuurnoodzakelijk allemaal vanzelf
en wordt achteraf ontdekt, gekend – niet vooraf gedacht.
De natuur doet en kan alles zonder kennen,
tot er kennende levensvormen ontstaan, zoals vogels,
dolfijnen, chimps en vooral wij mensen.
Maar niemand kent de potentia van het heelal.
Heeft het conatus? ‘Poogt’ het z’n bestaan te behouden?
Heeft de mens een rol in een universele overlevingsstrategie?
Zonder doel of zin?

Niemand weet wat het Universum vermag.

Of geldt dit...

             

Reacties

Nu we er toch zijn, gaan we
ons niet neerleggen bij,
niet toegeven aan de vergeefsheid.

Daarbij kan ik Herman De Dijn citeren:
‘Wij kunnen niet zonder de illusie
dat het leven een betekenis heeft’
[Motto van het interview met hem door Joël De Ceulaer, Denken Als Ambacht.]
Maar ik denk niet alleen aan zin
in het individuele leven,
maar vooral aan het verhelpen
van de wereldwijde diepe ellende -
als dat ooit lukt, kunnen we nadenken
over de onzekere toekomst van de mensheid, ooit.
’t Lot dat ons over eeuwen, over duizenden,
over miljoenen en miljarden jaren, ooit
te wachten staat.
Ik accepteer - realistisch - mijn sterfelijkheid,
maar heb wel moeite met de sterfelijkheid van de mensheid
zo’n sterfelijkheid kan ik mij niet voorstellen.
Wie wil er nou uitsterven.
Daar gaan we wat tegen doen!
Als de Andromedanevel de Melkweg binnendringt,
om maar wat te noemen,
van over 4½ miljard jaar.
Of iets van miljarden jaren eerder, misschien.
Nu we er toch zijn zullen we
ons in het universum willen redden.
Er is niemand die dat voor ons doet,
als we het zelf niet doen.

Stan
Een poging om aan ons harde Sisyfus lot te ontsnappen:
aangezien Deus sive Natura absoluut oneindig en eeuwig is
Is er sub specie aeternitatis geen duur
En dus ook geen sterfelijkheid.

Dank, Mark, voor je poging tot geruststelling (?).
Maar zo lust ik ze niet echt, de filosofemen. 'Sub specie aeternitatis' - d.w.z. in/vanuit God - van het wezen van het particuliere ding (dat wij zijn) begrijpen dat er iets eeuwigs aan ons is, zoals het in het oneindige verstand verzameld is, is één ding (en dat is de enige manier waarop Spinoza die term gebruikt; en dat valt inderdaad geheel buiten alles waarop de categorie van sterfelijkheid van toepassing is) - iets anders is of het reële toevallige bestaan van de mensheid in dit stadium van het Universum zich nog eens met succes tegen verdwijnen (tegen collectieve sterfelijkheid) kan verzetten. Als het de mensheid lukt nog eeuwen te bestaan, wie weet hoe ver en diep ze nog eens in de krachten van de natuur (=God) kan komen om ze 'als een God' te manipuleren in hun eigen belang.

Stan,
Nu ik het een weekje minder druk had (geen dagelijkse blogs en reacties te lezen...), heb ik de gelegenheid genomen om eens over bovenstaande na te denken.

Je had natuurlijk gelijk om te zeggen dat sterfelijkheid in Spinoza's systeem wel bestaat. Maar mijn intuitie blijft dat Spinoza als filosoof van de blijheid zich evenmin zorgen zou maken over het sterven van een individu als over het uitsterven van de mensheid. Bekeken "sub specie aeternitatis" is zeker het laatste geen zorgen waard. Een deel van de menselijke geest(en) is eeuwig (E5P23), en de tijdelijke delen van de mens(en) komen vroeg of laat in de oneindig voortlopende tijd opnieuw tot stand (cfr. de eeuwige wederkeer van Nietzsche).
Maar uiteraard ben ik het met je eens dat het niet rationeel zou zijn om hier uit te besluiten dat het niet de beste keuze zou zijn om ns verder in te spannen voor de maximale ontplooiing van onszelf en onze medemensen.