Nico van Suchtelen (1878 - 1949) Spinoza-gedicht

Gisteren trof ik in een grote boekenuitverkoop van Selexyz voor een paar euro dit boekje aan en wist uiteraard meteen dat ik 't niet zou laten liggen, vooral toen ik bladerend in de winkel zag dat er een Spinoza-gedicht van zijn hand in stond.

Esther Blom, De vlam van het menselijk denken. Nico van Suchtelen (1878 – 1949). Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1999. Op de cover Nico van Suchtelen, geschilderd door  Georg Rueter (1875-1966).

Ik had op 19 augustus 2009 al een blog over Nico van Suchtelen, nu een vergeten auteur, maar in de eerste helft van de vorige eeuw  behoorlijk succesvol. Onder Spinozisten is hij bekend om zijn Ethica-vertaling, die in door zijn zoon Guido gewijzigde vorm nog steeds verkrijgbaar is. Maar in dat blog had ik geen gedicht van hem opgenomen – dat was ik nog nergens tegengekomen. Net als het geval was bij P.N. van Eyck (zie blog en 2e blog), had Roger Henrard in zijn Wijsheidsgestalten in dichterwoord, waarin hij uitgebreid over Van Suchtelen’s Spinozisme schreef, niets over een gedicht vermeld.

Het is een aardig boekje dat zijn kleindochter Esther Blom over haar grootvader schreef. Ze had veel terecht-trotse belangstelling, maar behield ook voldoende afstand die nodig is voor een serieuze biografie. Een sympathieke en informatieve biografie is het.

Zijn gedicht getiteld Spinoza was het eerste dat van hem gepubliceerd is – het was door Verwey opgenomen in het 2e nummer van het Tweemaandelijks tijdschrift in 1900. Ik heb er uit de bibliotheek direct het eerste deel van zijn Verzamelde Werken, bevattende de Verzamelde gedichten, bijgehaald. Hij heeft er nog zelf de redactie over gevoerd. Het daarin opgenomen Spinoza-gedicht wijkt af en is ook beter te begrijpen dan de van de handgeschreven versie getranscribeerde die Esther Blom geeft.

In de verantwoording in zijn gedichtendeel schrijft Van Suchtelen dat hij er geen enkele moeite mee had om van gedichten in nieuwe uitgave een nieuwe versie te brengen: daar had de dichter het volste recht toe. Ik neem hier eerst het sonnet in de laatste versie in de Verzamelde gedichten (1948)

 

Spinoza

Wijd wijkt de vale hei: mijn peilende ogen turen
Rusteloos door de mist die deint alom in ’t rond.
Ik zie niet waar ik sta, ik zie niet waar ik stond,
Omvangen te allen kant door onvatbare muren.

Ik ben niet bang: vast treedt mijn voet de ruwe grond:
Ik deins niet zo een wolk van weemlende figuren
Welt uit het nevelwaas als schimmen die niet duren;
Niets blijft, alles vervloeit … onzeker dwaal ik rond.

Maar vóór mij zie ik plots een lichte lijn opblinken,
Als boven ’t grauwe duin vér streept de zilvren zee;
“Dit is de weg” en ‘k ga, zacht fluitend, weltevree.

Zo dool ik door de neevlen die rondomme zinken
Op weten’s sombre hei; maar doemt, Spinoza, mij
Uw glanzend pad, hoe ga ‘k dan rustig, licht en blij!

 

Het gedicht droeg Van Suchtelen, toen hij een tijd in het Walden van Frederik van Eeden verbleef, waar ook het gezin Van Hoogstraten woonde, in augustus 1899 niet op aan Mary Hoogstraten, voor wie hij grote genegenheid voelde, maar aan haar zus Carry met wie hij later zou trouwen. In haar boek geeft Esther Blom dan de oorspronkelijke, handgeschreven versie, die op veel plaatsen behoorlijk afwijkt van de uiteindelijk gepubliceerde.

 

Spinoza

Wijd wijkt de vale hei; mijn scherpe oogen turen
Rusteloos door den mist die vloeit mijn voeten rond;
Ik zie niet waar ik sta, ik zie niet waar ik stond,
Maar gaande voel ik steeds diepteloos grauw me ommuren.

Ik ben niet bang, mijn voet treed vast den ruwen grond;
Ik schrik niet zoo een wolk van wazige conturen
Welt uit den mist; wat zijn die spokige figuren?
Het dennenbosch?... Ik dwaal vreesloos-onzeker rond.

Maar vóór mij zie ik plots een lichte lijn opblinken,
Als boven ’t grauwe duin vér streept de zilvre zee;
“Hier is mijn weg” en ik ga, zacht-fluitend, wel-tevree.

Zo vreesloos dool ik om op ’s Wetens vale hei,
En zoek somber-gerust, waar nev’len me overzinken;
Doch vind ‘k úw witten weg; hoe ga ‘k dan licht en blij!

 

Al op jonge leeftijd was Van Suchtelen met Spinoza in aanraking gekomen. Later, terugblikkend op de tijd dat hij In Haarlem bij een oude oudtante tante woonde toen hij er op de HBS-B zat, zei hij:

“Eens las ik in Heine (Geschichte der Religion und Philosophie) een passage over Spinoza en door mijn heerlijke verbazing over de sublieme teerheid en liefde waarmee mijn Mephistophles sprak had ik nog dit vreugdige gevoel: Spinoza zal wel mijn redder en verlosser zijn, als er rust en kalmte zijn, hij zal ze mij geven. Ik heb toen zijn werken gekocht, eerst de vertaling der Ethica; daarna die van ’t Theologisch-politiek Tractaat en enige maanden later de volledige Latijnse uitgaaf. Ik woonde toen heel stil en eenzaam bij een oude, kindse tante, ik leefde er bijna geheel in mijzelf; als ik niet alleen in de duinen was, zat ik alleen op mijn kamertje en studeerde, of las Spinoza. Anderhalf jaar heb ik zo in eenzaamheid gewerkt en in mijn vrije tijd las ik Spinoza en bijna uitsluitend Spinoza. En dit is mijn schoonste tijd geweest al heb ik ook toen niet mijn rust en kalmte constantelijk gewonden. In Spinoza heb ik gevonden wat ik tot dusver niet kende: vastheid van liefde, vastheid van verering. Mijn liefde en verering voor hem waren heel mooi en zuiver; er was geen werkelijkheid in en geen slaafsheid en geen bruut aanbidden. In Spinoza is mij geopenbaard het gansch Heelal, een wereld van geweldige grootsheid en pracht, en ik aanschouwde in vaste bewondering en voelde mij sterk.”

[Behalve in dit boek op blz 29 ook aangehaald door Roger Henrard, Wijsheidsgestalten in dichterwoord]

Reacties

Stan, het gedicht is een sonnet waarbij de wending bij de 2 terzinen ligt. Van Suchtelen ziet daar Spinoza opduiken op de 'vale hei'. Eigenlijk is het een ambivalent gedicht met betrekking tot Spinoza. "peilende ogen turen / rusteloos" in couplet 1 kan niet:1. 'peilend kijken' is rustig taxerend, evaluerend kijken, 2. 'turen' is langdurig naar iets wat je niet goed kunt zien kijken, 3. 'rusteloos kijken' is met geestelijke onrust rondkijken. Bovendien 4. ziet hij niet waar hij staat, ondanks het feit dat het couplet begint met de mededeling dat de heide 'wijd wijkt'. Toch meldt hij in couplet 2 dat hij 'niet bang' is, maar wel 'onzeker'. In beide kwatrijnen loopt hij in de mist en ziet hij 'wazige contouren'. In de terzinen ziet hij 'plots een lichte lijn', Spinoza, naar later blijkt, maar voordat hij dat weet gaat hij 'zacht fluitend weltevree'. Eigenlijk is hij vantevoren al behoorlijk zeker en is Spinoza zo goed geweest om dat voor hem te verwoorden. Kortom, een rijmelsonnet van een reeds tevreden mens.

Adrie, je bent iets TE kritisch. Uiteraard is het sonnet een terugblik naar een onrustige, dolende periode, waarover de dichter wil aangeven dat Spinoza hem tenslotte uitzicht gaf en rust bood. Je meent hem op een onlogica te betrappen, maar natuurlijk is duidelijk dat al in het 3e couplet, de 1e terzine, de opblinkende lichte lijn voor Spinoza staat (dat zegt de titel al en voor de duidelijkheid ook nog eens de voorlaatste strofe). De 2e terzine vat nog eens al het vorige samen. In anderhalve regel (tot de puntkomma) de eerste twee coupletten; de rest de derde terzine. Inderdaad, toen hij het schreef was hij een reeds tevreden mens.

Het gedicht in de uiteindelijk gepubliceerde vorm is o.a. in zoverre een verbeterde versie: in de oude versie zou het sonnet nog te lezen zijn als een sprekend opgevoerde Spinoza (die zelf doolde, tot hij z'n systeem, een lichte lijn/uw witten weg gevonden had). Die lezing wordt onderuit gehaald door het aanhalen van Spinoza in de eindversie.

Stan, in de tweedelige biografie over de stichter van Walden, Frederik van Eeden, door Jan Fontijn, komt Spinoza herhaaldelijk voor. De vader van Frederik bewonderde Schopenhauer en schreef hem in 1857 een brief van waardering. Schopenhauer schreef hem terug dat Spinoza en Descartes zijn geestelijke voorgangers waren en dat hij daarom een band met Holland had.
Vader bewonderde ook Nietzsche, schreef ook aan hem een fanbrief, in 1885, en meldde hem dat de wereld aan de vooravond stond van een grote revolutie, en dat de hoogste moraal zou zijn het opgeven van de eigen persoonlijkheid en een opgaan in een geheel, waarbij de Franse mystica Mdame Guyon en Spinoza vader en moeder zouden zijn van die nieuwe gedachtenwereld.
Zoon Frederik neemt het spinozistische gedachtengoed over en in 1897 publiceert hij de 'Redekunstige Grondslag van Verstandhouding', waarin volgens biograaf Fontijn de invloed van Spinoza onmiskenbaar is. Dit essay heeft weer grote invloed gehad op de Nederlandse signifische vereniging, waartoe dichter en rechtsfilosoof J.I. de Haan behoorden en de wiskundigen Mannoury en L.E.J. Brouwer, Brouwer is van belang voor de filosofie, want hij is de grondlegger van de intuïtionistische logica, en vormt met Russell en Hilbert het trio van grote vernieuwers in de logica van 100 jaar geleden. Bij mijn weten is Brouwer overigens meer door Kant dan door Spinoza beïnvloed. Hij heeft ook in Walden gewoond.
Nu terug tot het gedicht van N. van Suchtelen. Wat me er eigenlijk aan stoort is het dweperige, madame Blavatsky-achtige, dat ik al verwoord vind in vader Van Eeden's brief aan Nietzsche, en waar de bewoners van Walden ook niet vrij van waren. Goed, ik ben bereid om wat minder kritische ernaar te kijken, maar ik zou er niet over piekeren om zoiets, zoals Van Suchtelen deed, naar mijn bruid te sturen. Dat Verwey het gepubliceerd heeft getuigt van grote welwillendheid

Wel kritisch blijven kijken, maar niet TE en vooral niet bevooroordeeld (dus niet teveel vanuit wat je er hier allemaal bijhaalt). Of je mevr. Blavatsky erbij moet halen, weet ik niet. Maar een beetje dweperig lijkt het gedicht wel, daar heb je gelijk in. Toch vind ik het wel iets hebben: eenzame jongeman, onrustig zoekende puber... ontdekt Spinoza en klampt zich eraan vast.
Hij heeft zich aan haar voor wie in hem een liefde ontlook (ik ga ook dichten) een beetje bloot durven geven, zich wat laten kennen.

Met 'Quia absurdum' (1906) Had Nico van Suchtelen veel succes. Het centrale personage Odo lijkt veel van hem te hebben.

P 204/5
20 Juli. Wanneer ik hen niet had, Augustinus, Eckhart, Spinoza! Wanneer ik niet altijd weer opnieuw mij bedwelmen kon met hun god-vervulde dronkenheid! O grootste zielen en meest-verblinde, eenige haast die ik begrijp en liefheb. Om hunnentwil en om mij zelf geloof ik dat mijn leven een zin heeft, om onze groote, goddelijke dwaasheid.
Credo, quia absurdum

P 251/2
4 December. Ik heb zoo veel lief gehad, Martha. Zelfs God; toen ik een schooljongen was en Spinoza stuk las.
Ik weet wat het wil zeggen de wereld te zien sub specie aeternitatis; ik ken de verrukkende amor Dei waarin het geluk bestaat. Een levende, werkelijke, dat is een in-mij werkende, waarheid was mijn liefde. Maar wat was haar object?... Ik moet glimlachen Martha wanneer ik terugdenk aan dien tijd dat ik mij zoo zoete bedwelming indronk aan... niets, aan den gloeienden droom van mijn teel-driftigen geest.

Stan en Patrick, de Amor Dei wordt in het citaat dat Patrick geeft verbonden met de 'teeldriftigen geest'. Spinozistisch gezien wordt de 3e kennisvorm, de intuïtieve kennis, verward met de 1e kennisvorm, de (in dit geval: erotische) verbeelding. In feite gebeurt het ook in het sonnet: de dichter ziet zijn (in dit geval: niet-erotische) verbeelding aan voor de intuïtieve kennis. Dit bedoel ik met het dweperige Blavatsky-spinozisme. Het lek is boven water: 1e kennisssort wordt aangezien voor 3e kennissoort, pseudo-spinozisme dus. Bedankt Patrick!29cb1e

Inderdaad, het lijkt bij gevoel en erbij horende verbeelding te blijven. Beetje als de Tachtigers. Opmerkelijk, inderdaad, dat Verwey die zich van die beweging had losgemaakt, het opnam.