Mozes Heiman Gans (1917 - 1987) Spinoza maakte zich los van 'de joodse natie'

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie # 16

In het vorige blog gaf ik de benodigde informatie over M.H. Gans. Zijn Memorboek, platenatlas van het leven der joden in Nederland van de middeleeuwen tot 1940 (Bosch & Keuning, 1971) is meermalen herdrukt en zelfs in het Engels vertaald: Memorbook: History of Dutch Jewry from the Renaissance to 1940. Bosch & Keuning (1983).

Daarin besteedde hij uitgebreid aandacht aan Spinoza. Zijn opstelling tegenover deze filosoof is samen te vatten in de zinsnede: “Spinoza maakte zich niet alleen los van de synagoge, maar ook van de joodse natie.” Hierna breng ik die tekst waaruit blijkt dat Gans zich serieus met Spinoza en zijn relatie tot de Joodse gemeenschap heeft bezig gehouden.

                 
Juwelier en antiquair Mozes Heiman Gans, benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Cleveringa-leerstoel van de Leidse universiteit.' Foto: Nico Koster in: De Telegraaf 18-09-1976

De wijsgeer Baruch (Benedictus of, in het Portugees, Bento) Spinoza (Amsterdam 1632-Den Haag 1677) verwierp het gezag van tenach als opperste waarheid. Niet een openbaring, maar de rede alleen was voor hem een richtsnoer. Deze opvatting was natuurlijk in strijd met de beginselen van de Sefardische gemeente, waarvan hij lid was en waar velen juist terwille van hun geloof veel leed hadden doorstaan. Toch kunnen deze theorieën op zichzelf niet de reden zijn geweest van zijn verwijdering uit de joodse gemeenschap. Spinoza maakte zich niet alleen los van de synagoge, maar ook van de joodse natie. Voor hem was Holland - reeds anderhalve eeuw voor de emancipatie - 'Mea Patria'. Het woord patria, vaderland, bezat juist toen en juist hier een geladenheid, die wij er niet meer in herkennen. Prof. Huizinga zegt er in ander verband van: 'Eerst de nationale geestdrift die met en in het humanisme ontwaakt. had Patria in aardse zin die klank van dierbaarheid gegeven (. . .) Juist hier in dit glorieuze erfgoed van het huis van Bourgondië der zeventien gewesten, had men het nodig, dat woord, tot steun en sterking (. . .) dat jonge woord Vaderland was het enige waarin zich hun besef van eenheid en verbondenheid ten volle kon uitdrukken, met al de bewogenheid, die aan zulk besef eigen is.' Ook Menasseh Ben Israel, de immigrant, de man die er over dacht zich in Amerika te vestigen en die voor de joden toegang tot Engeland vroeg, had reeds in 1642 Holland 'ons Vaderland' genoemd. De joden waren niet in dat alle anderen verbindende gevoel opgenomen. Menasseh wist dat en had ook geen verandering van deze status tot doel. Maar het typeert de grote diplomaat, dat hij sprekend tot een prins van Oranje namens een gemeenschap die nog zeker twee eeuwen de taal zou blijven spreken van degenen die hem en de zijnen hadden verdreven, de taal van Hollands erfvijand, door het gebruik van dit woord duidelijk wist te stellen hoe sterk de joden zich toch van Spanje distantieerden. Anders was het bij Spinoza. Bij hem is er geen sprake van diplomatie. Hij spreekt en kan spreken over 'Mea Patria'. Hij heeft er waarschijnlijk als iedere latere assimilant nog meer over gedacht dan de christen die over 'mijn vaderland' sprak, maar hij zal juist daardoor des te sterker die 'eenheid en verbondenheid' hebben gevoeld en door gebruik van dit woord iets hebben willen onderstrepen, wat hij niet meer opbracht ten aanzien van zijn medejoden, die in taal en zeden leden waren en bleven van de joodse natie. Als Spinoza over het joodse volk schrijft, doet hij dit als buitenstaander, zeker daar waar hij blijkbaar de mogelijkheid van een heroprichting van een joodse staat niet wil uitsluiten. Prof. Geyl spreekt van 'Spinoza's anticlericaal etatisme' en zegt: 'Geen regent kon het staatsgezag hoger verheffen dan de eenzame jood Spinoza.' Men kan in het jodendom zeer ver gaan in zijn afwijkende opvattingen en zelfs ongelovig zijn zonder daarmede de band met het joodse volk te verbreken. Daarvoor was in feite altijd de doop nodig geweest, maar Spinoza ontdekte dat Holland hem, de jood, een mogelijkheid bood die nergens elders bestond, de mogelijkheid tot assimilatie zonder zich te laten dopen. Die doop was in zijn opvattingen even zinloos als iedere andere godsdienstige daad. Integendeel, dat hij zich niet liet dopen, betekende dat hij voor de overheid jood bleef en daardoor gevrijwaard werd voor de vervolging waaraan hij om zijn denkbeelden anders zeker zou hebben blootgestaan. Spinoza bezocht de bijeenkomsten der collegianten, een protestantse sekte. Dit laatste betekende een gevaar voor de Portugese gemeente, wier leden in nauwe handelsrelatie stonden met Spanje en hun familieleden in dat land, waar men een protestantse sekte meer haatte dan de openlijk als joden levenden. Zoals de zestiende-eeuwse ketterhaatster Anna Bijns het in een gedicht zei: 'want zij zijn verkeerder dan Turken of Joden’. Men wist ook uit bittere ervaring dat er in Amsterdam door de Spaanse inquisitie zwaar werd gespioneerd. Minstens zo gevaarlijk achtte men ongetwijfeld Spinoza voor een goede verstandhouding met de staatskerk. Op subtiele wijze wist Spinoza al te opvallende goddeloosheid te vermijden. Hij spreekt over God en oppervlakkig gezien zou het de indruk kunnen maken dat hij met dit woord bedoelt de God aan te duiden in wie ook de gelovigen geloven, maar, zoals Voltaires spotdichtje zo meesterlijk formuleert, dat was in feite juist niet het geval. De predikanten onderkenden dit natuurlijk zeer goed en bovendien had Spinoza voor die predikanten geen goed woord over. De joden zullen er dus ook daarom behoefte aan hebben gehad zich openlijk van Spinoza te distantiëren. Spinoza kende blijkbaar behoorlijk Hebreeuws, maar een groot kenner van de rabbijnse literatuur was hij zeker niet; de legendevorming die graag iedere bekendgeworden jood een opvoeding tot rabbijn toeschrijft, heeft zonder enige grond zich ook op Spinoza geworpen.

Wel hebben - zoals rabbijn d'Ancona aantoonde - de werken van Delmedigo grote invloed op hem gehad. Diens Sefer Eliem was in 1629 door Menasseh Ben Israel uitgegeven en dat had toen tot ingrijpen van parnassiem geleid. Alhoewel Menasseh met zijn brede belangstelling en zijn vele contacten in niet-joodse kring waarschijnlijk begrip had voor Spinoza, en het uitspreken van de ban - misschien niet toevallig - juist geschiedde toen Menasseh in Londen was, mag men daaruit toch m.i. niet afleiden dat de onstuimige, door de mystiek gegrepen en fel joods-nationale Menasseh Ben Israel min of meer een geestverwant zou zijn geweest van de koele, mathematisch denkende, bovenal rationalistische Spinoza. Chacham Morteira, die als volgeling van Maimonides ook het rationalistische denken verkoos, was ongetwijfeld feller dan Menasseh in zijn oppositie tegen Spinoza, wiens rationalistische denken tot anti-godsdienstige consequenties leidde, die voor de vrome Morteira een gruwel waren. Het enige machtsmiddel dat de bestuurderen der gemeente ten dienste stond tegen het opstandige lid dat hen in opspraak bracht, was de ban. Deze heeft echter Spinoza's vrijheid eerder vergroot dan beknot. Als uitgebannen jood leefde hij nu vrij, vrijer in ieder geval dan zijn niet-joodse aanhangers. De inhoud van de besprekingen tussen Spinoza en parnassiem en rabbijnen van de Portugese gemeente, die aan de ban voorafgingen, en de gronden die men voor het uitspreken van de ban aanvoerde, zijn niet bekend. Zijn geschriften kunnen daarbij niet hebben behoord want zijn theorieën waren door de toen pas drieëntwintigjarige nog niet gepubliceerd. Maar ook - of juist - mondeling verbreid, moeten zijn denkbeelden grote beroering hebben gebracht in de jonge gemeente.

Door het geloof in een goddelijke openbaring te verwerpen en alleen te geloven wat het verstand redelijk en verklaarbaar acht, opende Spinoza de weg voor de bijbelkritiek, waarvan hij de grote inspirator werd. Deze bijbelkritiek heeft niet alleen de beoordeling van tenach veranderd, maar ook die van het joodse volk. Als de tora niet het resultaat was van een goddelijke openbaring, dan had de joodse geschiedenis niets bovennatuurlijks en dan moest men de joden van de oudheid en dus zeker die van de eigen tijd als gewone mensen beschouwen. Spinoza stelde zelfs de joden uit de bijbelse tijd lager dan de Egyptenaren. Deze idee zou enige eeuwen blijven voortwoekeren en veel kwaad stichten. Het joodse volk werd van door God uitverkoren en gestrafte mensen, tot een volk dat zijn misère te wijten had aan eigen karakter. Het zou nog heel, heel lang, te lang duren, eer het christendom, de Europese mens, de hand in eigen boezem zou steken. Spinoza verwierp niet alleen de grondbeginselen van het jodendom, maar stelde er een algemeen mensheidsideaal als hogere waarde voor in de plaats en dat moest logischerwijs in strijd komen met welke groepsidealen ter wereld ook. In de jonge Sefardische gemeente, waar velen nog slechts een vaag idee hadden van het jodendom en waar de discussies niet van de lucht waren, kon alleen een krachtig bestuur de eenheid bewaren en naar buiten doen blijken dat een joodse gemeente geen vrijplaats was voor mensen die ideeën verspreidden, welke ook voor de staatskerk een gevaar betekenden.

In de gedachtengang van zijn tijd en volgens eigen uitingen en vooral voor zijn Hollandse vrienden was Spinoza niet meer 'een lid van de joodse natie', maar geheel een der hunnen geworden en zij hebben hem daarom ook in hun midden - de Nieuwe Kerk in Den Haag - begraven.

Het moge zo zijn dat Spinoza zich in onze tijd misschien even nauw verbonden zou hebben gevoeld en getoond met het joodse volk als bijvoorbeeld een Einstein, maar zulk een veronderstelling is een speculatie waarmee geen geschiedenis te schrijven is.

De bewogenheid, het filosoferen, de discussies in de jonge joodse gemeente hebben een duidelijk beslissende invloed uitgeoefend op het denken van Spinoza. Hij was opgegroeid in die gemeente en werd gegrepen door de dynamische krachten die het zeventiende-eeuwse Holland tot het centrum maakten van de wereld en de mensheid. Van erfgenaam van de grootse cultuur van het Spaanse jodendom werd hij tot een erflater van het Nederlandse volk.

Op 27 juli 1656 werd de ban uitgesproken over Spinoza. Het banformulier zoals dat ook is gebruikt tegen Uriel da Costa en anderen, luidt in vertaling: 'De Heren van de Kerkeraad doen u te weten, hoe zij, sedert lange tijd kennis hebbende van de slechte meningen en werken van Baruch d'Espinoza, hem op verschillende wegen, en door beloften, poogden terug te brengen van zijn slechte weg, en, hem niet kunnende genezen, maar dagelijks meerder kennis krijgende van de afschuwelijke ketterijen die hij deed en leerde, en de ontzettende daden, die hij beging waarvan zij vele geloofwaardige getuigen erlangden, die spraken en getuigden in tegenwoordigheid van gezegde d'Espinoza, waardoor hij overtuigd werd. Toen dit alles in tegenwoordigheid der H. H. Chachamim onderzocht werd, besloten zij, met hun goedvinden, dat gezegde Espinoza zou gevloekt en gebannen worden uit het volk van Israel, gelijk zij thans in banvloek stellen en met de volgende banvloek doen:

Met het oordeel der Engelen en de uitspraak der Heilige vloeken, bannen, verwensen en vervloeken wij Baruch d'Espinoza met toestemming van de Gezegende God en geheel deze heilige gemeente, voor de heilige boeken der Tora en de 613 voorschriften welke daarin geschreven staan, met de banvloek, waarmede Jozua Jericho vloekte, met de verwensingen, waarmede Eliza de kwajongens verwenste, en met alle vervloekingen welke in de wet geschreven zijn. Vervloekt zij hij bij dag, en vervloekt bij nacht, vervloekt in zijn liggen en vervloekt in zijn opstaan, vervloekt in zijn uitgaan en vervloekt in zijn ingaan; nimmer moge de Heer hem vergeven, en voortaan de woede des Heren en Zijn ijver op deze mens branden, en hem opleggen alle de vloeken, geschreven in het boek dezer wet. En de Heer zal zijn naam verdelgen van onder de Hemel en de Heer zal hem uitstoten ten verderve uit alle de stammen Israels, met al de verwensingen van het firmament, geschreven in het boek dezer wet. En gij, verkleefden aan de Heer Uwen God, blijft allen behouden. Wij waarschuwen, dat niemand hem mondeling mag spreken, noch bij geschrifte, niemand hem enige gunst bewijzen, niemand onder een dak met hem verblijven, niemand op vier ellen afstands van hem; niemand enig geschrift lezen door hem gemaakt of geschreven.'

De bewoordingen van deze ban zijn afkomstig van middeleeuwse banformulieren. In die tijd gebruikte men - waarschijnlijk in navolging van het Germaanse recht - bij eedsafleggingen eveneens vervloekingen en zelfs zelfvervloekingen, liever dan gevaar te lopen dat de naam van God ijdel zou worden uitgesproken.

De bestuurderen wilden door de felheid der woorden de andere leden van de gemeenschap duidelijk maken hoe verwerpelijk de man was, die tot dat moment lid geweest was van die kleine, intieme joodse gemeenschap en van wie velen zich slechts door het opwekken van hun afschuw van hem zouden afwenden. Het doel van de ban was dat met de uitgestotene geen enkel persoonlijk of zakelijk contact meer zou worden onderhouden, dat er geen loondienst meer voor hem of door hem zou kunnen worden verricht en dat alleen in het uiterste geval enig contact geoorloofd was terwille van de eventuele verzorging van de minimale levensbehoeften. Dit was het doel van de grote ban, die slechts in uiterste noodzaak mocht worden uitgesproken en die vooraf werd gegaan eerst door duidelijke waarschuwing, vervolgens door de kleine ban, die slechts een beperkte tijd geldig was. De ban mocht alleen maar worden uitgesproken door de parnassiem, die overleg gepleegd moesten hebben met de rabbijnen. De vergaande autonomie die de joden in Europa - ook in Nederland - vele eeuwen bezaten was alleen maar mogelijk bij straffe organisatie. Hoe hard de bewoordingen ook klinken en hoe zwaar de gevolgen ook waren, zij zijn onvergelijkelijk veel zachter dan de uitspraken van rechters der inquisitie, die de door haar veroordeelden aan het burgerlijk bestuur ter executie uitleverden; veel zachter ook dan de uitspraak van de voor die tijd toch tolerante rechters in Nederland, die een volgeling van Spinoza, Adriaan Koerbagh, voor een veel gematigder geschrift dan dat van Spinoza, veroordeelden tot tien jaar gevangenisstraf, gevolgd door tien jaar verbanning, welke straf Koerbagh niet overleefde. In het tenachverhaal betreffende Ezra en Nechemja wordt voor het eerst gesproken over de ban: 'Een ieder die niet binnen drie dagen zal komen, zoals de vorsten en ouderlingen hadden besloten, al zijn bezit zal in de cheirem, de ban, worden gedaan (ter beschikking worden gesteld van het Heiligdom) en hij zal worden afgezonderd van de gemeenschap der ballingen.' Vele eeuwen lang heeft de cheirem, de ban bij de joden, de plaats ingenomen van wat voor de niet-joodse omgeving doodstraf, gevangenis e.d. betekenden. Door de ban waren de bestuurderen in staat op te treden tegen overtreders van de takanot, de reglementen, tegen degenen die hun godsdienstig en sociaal leven, hun interne organisatie en speciaal ook de belastinginning in gevaar of de gemeenschap naar buiten in opspraak brachten. Daarom werden ook met de ban bedreigd degenen die namens de joden naar buiten optraden zonder daartoe te zijn gemachtigd en bijvoorbeeld ook zij die in brieven naar Spanje joodse familienamen noemden, omdat dit de inquisitie een aanwijzing kon zijn.

Nooit is de ban uitgesproken op grond van ontkenning van de goddelijke openbaring of op dergelijke op zichzelf uiterst ketterse ideeën. De meest spectaculaire uitstotingen, die van Uriel da Costa en van Spinoza, worden met veel wanbegrip vaak genoemd als voorbeelden van 'rabbinale' intolerantie. De ban is vaker uitgesproken, zij het dat de overtreders meestal spoedig beterschap beloofden, zoals dr. Daniel (Juan) de Prado, een geestverwant van Spinoza, en zoals - om een geheel ander voorbeeld te noemen - de houders van dans- en speelhuizen in de tweede helft van de achttiende eeuw. Enige keren vroegen en kregen parnassijns van het stadsbestuur verlof om de ban uit te spreken over degenen, die geen geld voor de armenkas afdroegen; bij de bouw van de sjoel in Zwolle gaven sommigen dan ook vlug hun bijdragen toen met de ban werd gedreigd. Maar in 1683 waarschuwde het stadsbestuur van Amsterdam, op een klacht van een aantal gemeenteleden, dat men het banwapen niet te streng moest hanteren. In andere landen was het betrekken van niet-joden in joodse aangelegenheden reeds op zichzelf volgens de reglementen een reden om de banvloek uit te spreken, maar in dit opzicht lagen Ie verhoudingen in Holland heel anders. Hoe weinig gelijkberechtigd men hier ook was, parnassiem en gewone stervelingen hadden het volste vertrouwen in Hollandse arbitrage.

Eén uitstoting verdient hier naast die van Spinoza speciale aandacht, nl. de ban over Uriel (Gabriel) da Costa, omdat zijn leven zo'n duidelijke illustratie is van de interne moeilijkheden van de jonge Sefardische gemeenschap. Er is over zijn leven veel gefabeld en de door hem nagelaten autobiografie 'Exemplar Humanae Vitae, Toonbeeld eens Menselijken levens' is door degenen die na zijn dood beslag op het manuscript wisten te leggen, met anti-joodse en vooral anti-rabbinale bedoelingen zo onherkenbaar veranderd - het verhaal laat een joodse menigte zelfs tegen Da Costa schreeuwen: 'Kruisig hem, kruisig hem!' - dat men slechts als zeker kan aannemen wat uit archiefonderzoek is gebleken.

Zijn ouders, marranen, woonden in Oporto, een tante van zijn moeder was in 1567 vanwege geheim judaïzeren in het openbaar verbrand. Gabriel studeerde canoniek recht en werd na de dood van zijn vader in 1608 rentmeester van een kerk. Omstreeks 1610 nam hij de gebruiken der marranen over en begon zijn familie en vrienden daarin te onderrichten. In 1614 vluchtte hij met zijn moeder en drie broers naar Italië, waar hij onder de naam Uriel tot het jodendom overging. Hij leerde toen pas het rabbijnse jodendom kennen en wees dit tenslotte fel af omdat het te veel afweek van de tekst van tenach. In 1616 vertrok hij naar Hamburg. Het rabbinaat in Venetië sprak de ban over hem uit. Kort daarop werden bij een grote zuiveringsactie door de inquisitie in Oporto vele nieuw-christenen gearresteerd; tussen 1618 en 1625 werden zeker 143 mensen publiekelijk verbrand. Bij de gearresteerden waren familieleden, onder wie zijn zuster, en vrienden. Zij gaven toe door Gabriel da Costa en zijn moeder overgehaald te zijn om in het geheim joodse gebruiken te volgen. In 1623 kwam Uriel da Costa naar Amsterdam, waar de ban over hem werd bevestigd, en waarschijnlijk is het daarom dat hij langere tijd in Utrecht heeft gewoond. Hij schikte zich later, maar zijn overtuiging en zijn behoefte daarover te polemiseren wonnen het toch. In 1640 deed hij een poging aan de gevolgen van de ban te ontkomen door te trachten zich te onderwerpen; hij slaagde daarin echter niet, hij achtte het een te grote zelfvernedering en pleegde zelfmoord. De onrust die Uriel da Costa binnen de gemeente bracht, was groter dan die welke enige tientallen jaren later door Spinoza werd verwekt. Bij deze laatste was het waarschijnlijk zo dat het besluit de ban over hem uit te spreken bevorderd werd door de angst dat de door Uriel da Costa veroorzaakte onrust opnieuw de kop zou opsteken. Daar begint de ellende weer, moeten de parnassiem gedacht hebben.

Voor Spinoza stond de ban aan het begin van zijn ontplooiing als universeel erkend wijsgeer. Voor Uriel da Costa was de ban het tragische slotstuk van een leven dat typerend is voor de innerlijke problematiek der marranen. Na enige generaties slechts een uiterst summier jodendom te hebben kunnen bewaren, ontdekten velen dat, toen zij dit jodendom in vrijheid konden leren kennen en op zich nemen, het geheel anders was dan zij zich op grond van vage overlevering en vlijtige tenachlezing hadden voorgesteld. Voor velen (Orobio de Castro) betekende dit traditionele jodendom een geweldige verrijking, voor anderen (Uriel da Costa) innerlijke twijfel, onrust. De gemeente en in het bijzonder de opvoeding van de jeugd werden door de voortdurende discussies in de ogen van de parnassiem ernstig bedreigd. Het uiterste machtsmiddel in die strijd was de ban, die voor enkelen na hun dood een tot roem brengende martelaarskroon is geworden.

Mozes Heiman Gans

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie #1, #2, #3, #4, #5, #6, #7, #8, #9, #10, #11, #12, #13, #14, #15,

Reacties

Door deze hoogst interessante veschouwing van Mozes Gans worden er terecht flink wat vraagtekens gezet bij de gangbare verklaring van Spinoza's verbanning uit de Joodse gemeenschap naar het 'vaderland'. Dank, Stan, voor de digitale ontsluiting van dit fragment.

Dank, Wim, voor je reactie.
Is er in ieder geval íemand die dit werk waardeert.