Mozes Heiman Gans (1917 - 1987) 'de professor van de joden' over Spinoza en Ben Goerion

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie # 15

Uiteraard kan ik, zoals al eerder gezegd, niet over álle joodse historici een blog maken. Maar terwijl ik naar Vas Diaz op zoek was, deed ik een mooie ‘bijvangst’ die ik niet terug kon werpen in de grote zee die internet is. Ik geef hier aandacht aan M.H. Gans, of M.H.G. zoals hij zijn artikelen als redacteur in het Nieuw Israelietisch Weekblad ondertekende.

Gans’s vader was directeur van „De Joodse Invalide". “In dat huis hebben wij gewoond. Ik had om zo te zeggen in dat huis vierhonderd ooms en tantes die uit het armste getto kwamen. En als je daar tot over je twintigste tussen zit dan bepaalt dat toch je leven. 't bepaalt 't nog sterker omdat ‘t verdwenen is,” zei hij in een interview in De Telegraaf van 18 sept. 1976. Dit sociale aspect in zijn opvoeding bepaalde zijn latere betrokkenheid op joden van allerlei slag.

Hijzelf werd juwelier-antiquair te Amsterdam van Premsela en Hamburger aan het Rokin, een zaak die al sinds 1823 bestaat. Mozes Gans kwam erin terecht doordat hij in 1942 met Jenny Premsela trouwde (in 1973 ontving de zaak het predicaat Koninklijk). Was groot judaicaverzamelaar. Was tijdens WOII in Zwitserland “de grote gangmaker” [Presser] van de Joodse Coordinatie Commissi, voor hulp aan joodse vervolgden tijdens WOII, "bezeten als hij was van de gedachte, dat elke dag mensenlevens kostte.” Initiatiefnemer en hoofd Centrale Onderwijs Commissie NIK 1947-1958. Hij schreef voor de Provinciale Gelderse en Nijmeegse Courant. Van '50 tot '67 werkte hij bij het Nieuw Israelietisch Weekblad, waarvan de laatste tien jaar als hoofdredacteur. Gans was orthodox joods, „een wetsgetrouwe jood", zoals hij het zelf noemde. De nesjomme (joodse ziel) had zijn aandacht. Sinds 1946 bestuurslid joodse gemeente, penningmeester tot 1953. Schreef enkele werken over zilver en juwelen. Chower (1974), ridder orde Oranje-Nassau, zilveren Anjer Prins Bernhard Fonds (1972). Hij had twee zoons.

Hij werd vooral bekend om zijn Memorboek (1971), een vijf kilo wegende platenatlas van het leven der joden in Nederland van de middeleeuwen tot 1940, waaraan hij ruim twintig jaar had gewerkt.

Daardoor werd hij ook – zonder dat hij een academische opleiding had gehad – benoemd tot buitengewoon hoogleraar joodse geschiedenis 1976/77 in Leiden – op de Cleveringa-leerstoel.

Van zijn overige werken vermeld ik nog:

De Amsterdamse Jodenhoek in foto's, 1900-1940 [1974]

De Joden in Nederland: rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de geschiedenis van de joden, vooral in Nederland na 1900 aan de Cleveringa-leerstoel van de Rijksuniversiteit te Leiden op 26 november 1976 [Leiden, 1978]

Het Nederlandse Jodendom: de sfeer waarin wij leefden [1985]

De Amsterdamse Jodenhoek in foto's andermaal, 1840-1940 [1985]

In een volgend blog geef ik aandacht aan zijn tekst over Spinoza in het Memorboek. Hier neem ik zijn tekst op over de pogingen die Ben Goerion deed om Spinoza’s ban alsnog teniet te doen. Een artikel dat een joods dilemma t.a.v. Spinoza laat zien, dat nog steeds bestaat en dat het artikel ook na vijfenzestig jaar nog zeer leesbaar maakt.

Spinoza en Ben Gurion door M.H.G. [= M.H. Gans, redacteur NIW]

                              SPINOZA en BEN GURION

Chauvinisme drijfveer tot eerherstel?

In 1956 zal het driehonderd jaar geleden zijn dat in de toenmalige Amsterdamse Portugese Sjoel de ban werd uitgevaardigd tegen de drie en twintig jarige Baruch Spinoza. Dit is een belangrijk gebeuren, omdat deze ban niet zoals dit anders zo vaak binnen de toen jonge gemeente gebeurde na korte tijd werd opgeheven, maar omdat zij geworden is tot de openbare afkondiging van een definitieve breuk tussen de Portugese Gemeente en haar — als een van de grootste wijsgeren der geschiedenis — meest beroemd geworden lid. Zó definitief was deze breuk, dat zelfs zijn overlijden deze, noch in de ogen van zijn tegenstanders, noch in die van zijn vrienden, heeft geheeld en de niet-Joden hem als een der hunnen in een kerk hebben begraven.

Maar Spinoza's naam werd steeds beroemder en iets van die roem straalde af op het volk, waaruit hij geboren werd en dat volk had ook in de eeuwen die volgden en in de strijd om gelijke rechten wat van die roem hard nodig. Uit het vele dat te vertellen valt over het „claimen" door de Joodse gemeenschap van deze internationaal erkende figuur noemen wij slechts het meest typerende feit: in het rampjaar 1933 greep de Joodse Gemeente in Berlijn de driehonderdjarige geboortedag van Spinoza (zij het wat laat, hij was geboren in 1632) aan om een herinneringstentoonstelling te houden. Parnassiem der Portugese Gemeente in Amsterdam zonden enige Spinoza-portretten voor deze tentoonstelling, hetgeen hun de felle critiek op de hals haalde van de geleerde verzamelaar thans wijlen Sigmund Seeligmann, die ook als Zionist wars was van hetgeen hij met de woorden van de Christen geleerde v.d. Tak noemde: “de zielige aanblik van een hopeloze  strijd om een cultuurvrij Jodendom het bezit van Spinoza te verzekeren".

Gevaarlijk chauvinisme

Dit was in 1933. Thans echter is er een Joodse staat, die met trots het zielige gemanoeuvreer van het Galoeth om een beetje erkenning afwijst en die zich de luxe kan permitteren vrij te oordelen en te veroordelen.

Hoe weinig zouden de Sabbathiaanse Ziondwepers uit de tyd van Spinoza, hoe weinig zouden militante Zionisten als Seeligmann en zijn geestverwanten zich hebben kunnen voorstellen, dat ook de reacties van een Joodse staat niet zo onbevooroordeeld zijn als ze zich ongetwijfeld hebben gedroomd. Het was allerminst hun idee dat Galoethgeest en Galoethpolitiek zouden worden vervangen door minstens zo zielig en gevaarlijk chauvinisme, dat zo sterk inwerkt dat zelfs de grootsten en de meest vrijen erdoor worden beïnvloed.

Niemand minder dan Ben Gurion, niet alleen groot politiek figuur, maar ook groot geleerde heeft de oude strijd om de erfenis aan roem van Spinoza opnieuw aangebonden. Niemand minder dan deze grootste Zionist onzer dagen noemt Spinoza eerste Zionist der laatste drie eeuwen en stelt voor dat de Hebreeuwse Universiteit als een soort eerherstel de volledige werken van Spinoza zal uitgeven in  het jaar dat het driehonderd jaar geleden zal zijn dat de ban over deze grote Joodse filosoof werd uitgesproken. Want al toont Ben Gurion begrip voor de moeilijkheden van de toenmalige Portugese Gemeente en acht hij het „moeilijk die Amsterdamse Kehilla om deze ban te veroordelen”, hij oordeelt toch dat de zeventiende eeuw niet de gehele Joodse geschiedenis en de Amsterdamse Gemeente niet het gehele Joodse volk zijn. Op zichzelf is dit natuurlijk volkomen waar en men kan hier dan ook rustig met Ben Gurion de conclusie uit trekken, dat het Joodse volk, dat thans zoveel duidelijker kan oordelen over de betekenis van Spinoza, het morele recht heeft het vonnis over hem te herzien. Uit de reacties in de gehele wereld blijkt wel dat men de woorden van Ben Gurion zó interpreteert, dat men verwacht dat in 1956 bjj leven en welzijn Chacham Pereira in vol ornaat de Biema zal bestijgen van de Amsterdamse Snoge die voor één keer — ook al dank zij Spinoza — alle groten dezer aarde zal bevatten en dat hij daar plechtiglijk de grote ban zal intrekken en hiermede dus ieder het recht zal geven om weer zonder gewetensbezwaren met Spinoza te spreken en handel met hem te drijven. Het klinkt bespottelijk, maar dit is het toch dat de wereld blijkbaar na Ben Gurion's woorden verwacht. Wij veronderstellen niet dat Chacham Pereira of welk Beth Dien ter wereld ook voor dit theatrale gedoe ook maar iets zou voelen en zeker niet dat hij ook maar de geringste reden zou zien om zijn (?) voorgangers te desavoueren. Maar hetgeen Ben Gurion schreef, verdient ernstiger beschouwing dan de sentimentele en belachelijke reacties als de hier bedoelde. En het is met grote aarzeling dat wij een groot man als Ben Gurion en al die talrijke Joodse Spinoza-kenners en vereerders toe voegen: voorzichtig! Doch wij durven het, omdat wij het doen, gesteund door de te weinig bekende studies van kenners uit het vooroorlogse Nederlandse Jodendom en dus mede tot verbreiding van hun inzichten én omdat wij het doen met een woord van Spinoza zelf, die nl. met een aardige toespeling op zijn naam Spinoza, die doornig betekent, op zijn stempel zette: Caute (voorzichtig).

Legendevorming

HET aantal Spinoza-legenden is groot. Op enkele ervan willen wij hier wijzen. Hij zou een opleiding hebben gehad als Rabbijn en zijn leraar daartoe was (ook bij Ben Gurion) Chacham Morteira. A. M. Vaz Dias heeft zijn uitgave van oorkonden en andere documenten betreffende Spinoza niet zonder reden genoemd „Spinoza Mercator en Autodidactus", al is het laatste wat overdreven. Wel was Spinoza aanvankelijk waarschijnlijk lid van een soort studiekring om Morteira. Als een soort vervolg op deze Rabbijnenlegende heeft men de laatste decennia geprobeerd Spinoza's bibliotheek posthuum met een flink aantal Hebreeuwse werken uit te breiden. De heer Fuks, Bibliothecaris van de Rosenthaliana heeft getracht aan deze legende definitief een einde te maken door onweerlegbaar te bewijzen dat de in bedoelde boeken voorkomende handtekening van een andere Spinoza is. Een aardige, hardnekkige legende vastgesteld op een prent is ook de moordaanslag op Spinoza, toen hij na het uitspreken van de ban de Snoge verliet. Op het prentje staat afgebeeld de tegenwoordige Snoge, die twintig jaar na de ban werd gebouwd en overigens was Spinoza zeker niet tegenwoordig bij het uitspreken van de ban.

De ban zou uitgevaardigd zijn door het Rabbinaat (ook al een melodrama: de grijze Morteira en de afvallige jonge leerling). De ban is echter — en dat is belangrijk — uitgevaardigd door Parnassiem en vóór het verschijnen van Spinoza's boeken. Ben Gurion stelt dan ook dat dit gebeurde om zijn daden en niet om zijn gedachten. (Indien dit geheel waar is, dan wordt eerherstel om de aanval op zijn beroemde ideeën dus volledig zinloos, en ook het plan tot uitgeven van zijn werk moet los staan van die ban, want deze was niet gericht en kon niet gericht zijn tegen nog niet verschenen boeken).

Deze daden betroffen echter beslist niet bepaalde overtredingen van de Halacha. De toen nog jonge Portugese Gemeente met haar vele pas tot het Jodendom teruggekeerde leden was op dit gebied bijzonder tolerant. Precies kennen wij de aanleiding tot de ban niet. Maar wel weten wij dat Spinoza zich — al liet hij zich niet dopen — bijna volkomen aansloot bij de officieel verboden Christelijke secte der zg. Collegianten en zich naar eigen opvatting en die van zijn tijdgenoten geheel losmaakte van zijn Joodse omgeving. Dat is voor iemand, die zich niet liet dopen in die dagen een bijzonder verschijnsel. Het is wel zeker dat Parnassiem in het optreden van Spinoza een gevaar zagen voor de verhouding met de Calvinistische overheid, die in eigen kring een volgeling van Spinoza tot afgrijselijke lijfstraffen, veroordeelde en tenslotte tot levenslang „begenadigde". Het kan ook zijn dat Seeligmann gelijk heeft en dat de Inquisitie die oogluikend de handel der Amsterdamse Joden met de Katholieke landen toeliet in het Protestantisme een nog groter gevaar zag dan in het Jodendom en dat de op zeer subtiele basis gevestigde handel dus door Spinoza in gevaar werd gebracht. Hoe het ook zij: het ging om het officieel afstoten van een man, die zichzelf van de gemeenschap had verwijderd. En alhoewel bij ons nationale gemeenschap en religieuze gemeenschap niet te scheiden zijn, mogen wij toch om de zaak scherp te stellen zeggen dat de ban uitging van „de Joodse natie", zoals wij in die dagen heetten, sterker dan van het „Jodendom", al had ook dit laatste reden genoeg zich over Spinoza's optreden ongerust te maken.

Voorloper der assimilatie

SPINOZA sprak over Nederland als over „mea patria", mijn vaderland, voor de opvattingen van die tijd een wel zeer sterke uitdrukking. Eerder dan „eerste Zionist der afgelopen eeuwen" zou men Spinoza kunnen noemen voorloper van emancipatie en assimilatie. De Parnassiem, die hem in de ban deden zetten bijv. boven hun huwelijksacte, dat Jeruzalem uitging boven al hun vreugde en in het gastvrije Holland van die dagen werd toch zozeer verlangd naar het „vaderland" dat de Sabbattiaanse beweging er sterke weerklank vond. Een enkele opmerking in het werk van Spinoza is ongetwijfeld bewust of onbewust door deze beweging beïnvloed zoals hij ook de typerende en gerechtvaardigde „Portugezen trots" toont ten aanzien van standvastigheid jegens de inquisitie, maar van enig positief stelling nemen ten aanzien van de Joodse problematiek is geen sprake bij deze wijsgeer, die waarschijnlijk zelf het meest verbaasd zou zijn geweest daarvan te worden „beschuldigd". Zelfs de grote Spinoza-bewonderaar Prof. Leo Polak, die hem gaarne een grote plaats binnen het Joodse volk maar anti de Joodse religie had verzekerd, zocht practisch vergeefs naar het Joodse in het werk van Spinoza.

Wij matigen ons niet aan een oordeel — laat staan een veroordeling — uit te spreken over Spinoza's werk. En aan meer bevoegden past het ook eindelijk eens een uitvoerige, samenvattende studie te geven over wat het Jodendom dat evenzeer als het Spinozisme „een levenshouding" kan worden genoemd van dit Spinozisme te zeggen heeft. (Wij verwijzen naar de voorstudies van wijlen de Amsterdamse Rabbijn d'Ancona, die o.a. Spinoza's afhankelijkheid van het werk van Delmedigo aantoonde). Wel achten wij het onze taak er tegen te waarschuwen in onbewust chauvinisme een geleerde tot Joods geleerde te verheffen, die dit — en zeer bewust! — niet geweest is. En ook achten wij het onze taak om vanuit Amsterdam tot de Joodse wereld te zeggen: wat eraan Zionisme, wat er aan liefde voor het Joodse volk in het „Hollandse Jeruzalem" van de zeventiende eeuw aanwezig was — en dat was meer dan men gemeenlijk aanneemt, dat vinden we bij anderen dan bij Spinoza. Hun namen zijn aan de wereld en aan hun volk niet meer bekend. Maar zonder Spinoza, die weigerde zijn geestesgaven in dienst van zijn volk te stellen, hebben zij geleden en gestreden voor het behoud van het Joodse volk. In die strijd om dat behoud was die ban tegen Spinoza een hunner wapenen. Ook al zouden wij het kunnen, wij zouden niet willen tornen aan de roemrijke, eervolle plaats die de zoon van Joodse ouders in de wereld heeft veroverd. Maar eerherstel voor de man, zo met eer overladen? Nee, wel voor die Amsterdamse Joden uit de zeventiende eeuw die voor ons, voor onze staat, voor ons Jodendom hebben gestreden tegen de afvallige Jood Baruch Spinoza.

M. H. G.

In: Nieuw Israelietisch weekblad van 22 januari 1954 [cf KB krantenarchief]

Spinoza in de Nederlands-joodse historiografie #1, #2, #3, #4, #5, #6, #7, #8, #9, #10, #11, #12, #13, #14,

______________

Zie blogs over Ben Goerion: 27 mei 20098 okt 2012 - 29 dec. 2012 -