Martha Nussbaum over Spinoza

Op 9 december 2007 plaatste ik op een ander weblog dat handelde over Martha Nussbaum een tekst over haar behandeling van Spinoza, die ik naar hier wil overplaatsen.

Hoe majestueus ik Martha Nussbaum’s boek ‘Oplevingen van het denken’ in het algemeen ook vind, haar behandeling van Spinoza’s emotietheorie acht ik toch een beetje onder de maat. Uiteraard staat het haar vrij om niets van Spinoza te willen hebben. Ook al vindt zij dat Spinoza door het gebruik dat hij van de Stoa maakt, veel overeenkomsten vertoont met haar eigen neo-stoïcijnse emotietheorie, toch neemt ze tenslotte grote afstand van diens benadering. Op dat eindoordeel (dat waarschijnlijk mede op een gevoelen berust) wil ik niet afdingen (ieder maakt zijn of haar eigen keuzen), maar wel  op haar weergave en argumenten.

Martha Nussbaum

Na de ontwikkeling van haar emotietheorie gaat ze over op een ethische theorie, waarin ze benaderingen en normen zoekt die  aangeven hoe je als mens kunt (‘moet’) omgaan met hetgeen die emotietheorie aangeeft over hoe je als mens in elkaar zit. Ze wil een  andere ethiek dan normatieve ethieken die, zoals de stoïcijnen met hun apatheia, emoties volledig willen verbannen. Zij wil namelijk zicht krijgen op welke ‘positieve bijdragen’ emoties kunnen hebben op een ethisch goed leven, zowel persoonlijk als maatschappelijk.  (p. 258). Dat onderzoek beperkt ze tot twee emoties: mededogen en liefde. Wat de laatste, de liefde, betreft wijst ze op een lange filosofische traditie van ‘verheffing van (erotische) liefde’, waarbij vaak de metafoor van een ladder werd gebruikt, waarbij je opklimt tot een (vermeende) hogere vorm van ‘waarlijk vervullende liefde’ (p. 406) Anders gezegd, hoe we tekortschietende liefde kunnen omvormen tot betere liefdes. (p. 407) Eén van degenen die ze in die zoektocht bespreekt is Spinoza.

Langs twee kanten doet ze daarbij in mijn ogen Spinoza tekort. Aan de kant van het doel beweert ze dat Spinoza een methode geeft om “emotie uit te roeien” (p. 435). Maar dat is niet Spinoza’s doel, hij wil ‘alleen maar’ onder  de slavernij van de passies of hartstochten uit. Maar ook een mens die met hem de weg aflegt om geen slaaf meer van de passies te zijn, blijft nog steeds een mens die net als elke andere entiteit gedreven wordt door zijn conatus, zijn streven om in zijn bestaan te volharden. Onder dat streven kan niemand uit. Men blijft vocht en voedsel nodig hebben en kan behoefte houden aan erotiek, maar zal zich er niet of minder door laten beheersen. Niks uitroeiing. Integendeel, Spinoza roept op het leven te genieten, zijn (niet passies) maar 'acties' te bevredigen en z'n macht en vermogens te ontwikkelen. Maar zijn natuur ontwikkelen (te 'overheersen' als het ware) kan alleen maar door zijn natuur te kennen en zich daaraan ondergeschikt te weten. Alleen zo kan er werkelijk (niet-verslaafde) plezier en vreugde in het leven komen.

Aan de andere kant bagatelliseert Nussbaum  de weg die Spinoza aangeeft: bevrijden door inzicht, door de rede te volgen om alles in z’n totale samenhang te begrijpen, dat wil onder meer zeggen in z’n oorzakelijke samenhang  te doorzien.  Wanneer ze zegt dat de door haar opgevoerde lerende persoon ‘A’ “alleen maar een nieuwe houding hoeft aan te nemen tegenover dat leven en het tot object maken van intellectueel inzicht” (p. 440), of iets verder op dezelfde pagina: “We hoeven slechts het licht van bezinning op die emotie te richten en de aard ervan zal veranderen.” (onderstrepingen van CV),  maakt ze in een karikatuur Spinoza belachelijk.

Terwijl Spinoza keer op keer aangeeft dat het niet eenvoudig is om de menselijke slavernij, de onmacht van de rede tegenover de krachten van de menselijke passionaliteit, te transformeren. Alleen maar kennis, alleen  rationeel inzicht, kan weinig uitrichten tegen de krachten van conatief-passionele aard. Spinoza met zijn fundamentele eenheidsbenadering van lichaam en geest weet immers als geen ander en zegt dat keer op keer: dat de geest geen invloed kan uitoefenen op het lichaam. De menselijke natuur met zijn conatief-affectieve aard zal zich telkens weer tegen de inzichten van de rede doen gelden, tenzij deze inzichten uiteindelijk zelf een affectieve kracht, een diepgaande behoefte in de mens gaan vormen. En dat bereikt iemand niet zomaar even. Vandaar dat Spinoza aan het eind in de voorlaatste zin van zijn Ethica schrijft “Want als het heil (bevrijding van de passies door inzicht, CV) onder handbereik lag en zonder grote moeite te bereiken was, hoe kon het dan gebeuren dat het door vrijwel allen wordt verwaarloosd?

Alleen de opbouw van a.h.w. 'passionele' tegenkrachten die groter en sterker zijn dan de  passies die overwonnen willen worden, kan werken – een niet eenvoudige transformatiearbeid, waar Nussbaum niet zo makkelijk over moet denken als ze in feite doet.

Intussen is het wel schitterend hoe inlevend Martha Nussbaum kan preken over de tragedie, het morele en kwetsbare in het volgende korte stukje uit een tv-gesprek.

 

 

 

Vandaag zag ik by Selexyx dat dit boek van Miriam van Reijen weer is herdrukt. Dit is de 4e druk. Het is goed merkbaar dat de 1e uitgave uit 1995 is en dat er niets aan is veranderd. Als het nu geschreven zou zijn, had zeker ook Martha Nussbaums emotie-benadering behandeld moeten worden. Nussbaums naam komt nu in dit boek helemaal niet voor. Ik noteer dit slechts even voor de duidelijkheid.

 

Inhoud 

1. Filosofie, denken en voelen
2. De stoïcijnse emothietheorie
3. Spinoza's geometrie van de gevoelens
4. Jean Paul Sartre en Simone de Beauvoir
5. (Postmoderne) filosofie en feminisme
6. Seksespecifiek denken en voelen
7. Morele emoties: schuld en schaamte, spijt en berouw
8. Angst en (on)macht
9. Woede, haat en wraakzucht
10. Verlies-emotie: jaloezie en verdriet
11. Geluk, lachen en gevoel voor humor
12. Verliefdheid en liefde