Liubov Isaakovna Akselrod (1868 - 1946) zag Spinoza verwant aan het dialectisch materialisme

Russisch revolutionair, Marxistisch geleerde, kunsttheoreticus en literair criticus. Zij was leerling en getrouw aanhanger van G. V. Plekhanov. Ze nam deel aan verschillende filosofische debatten in de 20- en 30-igerjaren.

Ze werd geboren in het gezin van een rabbijn in Vilenkovichi, in de provincie Vilnius. Al jong, 16 jaar, raakte ze betrokken bij de sociaal geëngageerde middenklassebeweging Narodnik en nam deel aan de mislukte aanslagpoging op tsaar Alexander III. In 1887 emigreerde ze naar Zwitserland en behaalde in 1900 haar doctoraat in de filosofie aan de universiteit van Bern. In 1892 werd ze Marxist en sloot zich aan bij de Geneefse arbeidersbeweging die onder leiding stond van Georgi Plekhanov. Toen op het Tweede Congres in 1903 de Russische Sociaal Democratische Arbeidspartij zich splitste in Bolsheviken en Mensjevieken, sloot zij zich bij de laatste aan. In 1906 ging ze terug naar Rusland waar ze als tweede na Plekhanov de autoriteit in de Marxistische filosofie werd. Ze stond kritisch tegenover Lenin. In de 20-iger jaren werkte ze eerst aan het Instituut der Rode Professoren en daarna aan het Sovjet Filosofisch Instituut. In de 30-iger jaren werd haar versie van het Marxisme getypeerd als mechanistische herziening van het Marxisme en werd zij als ´obscuur´ gezien. Misschien dat ze daarom als pseudoniem Ortodoks nam? Nee, veel eerder al, zo lezen we bij George L. Kline in een voetnoot op blz 15 van zijn reader Spinoza in Soviet Philosophy, adopteerde ze deze schrijversnaam: namelijk in haar polemieken gedurende de voor-republikeinse tijd met de 'revisionisten' die probeerden het historisch materialisme te combineren met een Kantiaanse ethiek en kennisleer. 

Volgens de Russische filosofen A.M. Deborin en I.K. Lupoll kon het Marxisme als een variant van het Spinozisme worden gezien. Daarin gingen zij verder dan G.V. Plekhanov (1856 - 1918). En ook daartegen verzette zich Akselrod. Het Marxisme was een stap verder, maar Spinoza was er wel aan verwant.

In 1952 werd haar tekst daarover uit 1925, Spinoza and Materialism, in de Engelstalige bundel Spinoza in Soviet Philosophy opgenomen. Het was waarschijnlijk n.a.v. deze tekst waarop de secretaris van de Ver. Het Spinozahuis in zijn jaarverslag over 1953 inging en waarnaar ik eerder verwees (een deel van die tekst is bij book.google.nl te lezen en neem ik aan het eind van dit blog op).

Dat stuk van Akselrod is op internet te vinden.

Spinoza and Materialism, "Red Virgin Soil," 1925, â„– 7, pp. 144-168. [From: Spinoza in Soviet Philosophy, selected and translated by George L. Kline, NY: Humanities Press, 1952, pp. 61-89. Deels ook bij books.google te lezen]

Het gaat er haar in dit stuk om te laten zien dat en waarom het Marxisme niet als Spinozisme gezien kan worden. Daarom is er volgens haar teveel kritiek op mogelijk, maar alles op een rijtje is Spinoza duidelijk aan het dialectisch materialisme verwant.

 

Let us begin our investigation by quoting a passage from [G. V. Plekhanov] The Fundamental Problems of Marxism, in which Feuerbach's attitude toward the philosophy of Spinoza is under discussion. It reads as follows:

'In 1843 in his Grundsätze [der Philosophie der Zukunft] Feuerbach remarked with much acuteness that pantheism is a theological materialism, is a negation of theology, but a negation which still professes a theological standpoint. Spinoza's inconsistency is mani-fested by the way in which he mixes up materialism with theology; but, this inconsistency notwithstanding, Spinoza was able to give "a sound expression, subject to the limitations of his day, of the materialistic conceptions of the modern age." Thus Feuerbach calls Spinoza "the Moses of the modern free-thinkers and materialists" (Werke, II, p. 291). In 1847, Feuerbach asks: "What does Spinoza mean when he speaks (logically or metaphysically) of substance and (theologically) of God?" To this question he answers categorically: "Nothing else but nature." According to Feuerbach, the main fault of Spinozism is that "in this philosophy the sensible anti-theological essence of nature assumes the aspect of an abstract, metaphysical being." Spinoza has suppressed the dualism of God and nature, for he regards natural phenomena as the actions of God. But, for the very reason that in his view natural phenomena are the actions of God, God is for him subject, and nature is predicate. Philosophy, now that it has at length definitely emancipated itself from theological traditions, must rid itself of this grave defect in the Spinozist doctrine, sound though that doctrine is at bottom. "Away with this contradiction!" exclaims Feuerbach. "Not Deus sive natura, but aut Deus aut natura. That is where the truth lies" (Werke, II, p. 350).'

Hiermee is bijna alles al gezegd. In het vervolg werkt ze dit uit. Maar Feuerbach heeft kennelijk nog een traditioneel godsbeeld en een dualistische kijk, waardoor hij een keuze eist: God of wereld.

In de uitwerking van Spinoza’s filosofie die Akselrod in het stuk geeft, blijkt ze een flinke studie van diens filosofie gemaakt te hebben. Maar dat wel in een stroming van lezen die bijvoorbeeld uitgebreidheid een-op-een vertaalt met materie en die moeite heeft met de toekenning van het [zelfstandige] attribuut denken aan de substantie.  

Serieus te denken geeft de lezing van Spinoza’s vrijheidsbegrip met het accent op noodzaak en innerlijke vrijheid in het zien ervan wat tot een vorm van contemplatie van het universum leidt. Dat is voor een op maatschappelijk activisme georiënteerde leer te passief en zelfs fatalistisch. Ze schrijft: “Spinoza's freedom leads in the final analysis to the dominion of the intellect over the emotions, over what is called man's sensuous world; freedom according to dialectical materialism consists in the achieved results of creative activity, changing and subjugating the environment, since the environment determines the inner life and freedom of the individual. In the first case, the knowledge of necessity leads the individual to passive inner contemplation; in the second, the knowledge of necessity is the prerequisite for activity directed toward the changing of the external world, which is the determinant of individual freedom.”

Het gaat mij hier niet om onderschrijven of weerleggen. Waar het mij om gaat is dat een tekst als deze, waarin serieus studie van Spinoza werd gemaakt, helpt om diens leer van alle mogelijke kanten te bezien – ook door de ogen van kritische, mogelijk bevooroordeelde lezing. Zo beveel ik ook deze boeiende tekst ter lezing aan.

Hierna dan de weerspiegeling van deze publicatie in het jaarverslag 1953 van de Ver. Het Spinozahuis.   

 

Bronnen

http://www.sovlit.org/lia/

http://www.sovlit.org/lia/Texts/LIA_Spinoza1925.pdf

http://www.sovlit.org/lia/Pages/Texts.html

http://en.wikipedia.org/wiki/Lyubov%27_Akselrod